Archief van Blog:

Auteursrecht: over quotes (RUMAG), foto’s en andere content die je van internet haalt

In hoeverre mag je foto’s, quotes en andere content hergebruiken?

Er is de afgelopen dagen heel veel over te doen geweest: RUMAG struint steevast het internet af op zoek naar teksten die ze in hoofdletters EN.MET.EEN.PUNT.ERTUSSEN op shirts en andere items drukken en onder hun eigen naam verkopen. Voor voorbeelden, zie het Twitteraccount @RuMagNietStelen dat het ‘plagiaat’ van RUMAG aan de kaak stelt. In deze Coronacrisis gaat RUMAG er vrij prat op dat ze met de verkoop van hun producten (de zogeheten ‘Corona Collectie’) ook geld ophalen voor het Rode Kruis. Dat en onder meer het feit dat ze met verwensingen reageren op iedereen die kritiek uit op hun werkwijze, heeft niet echt een positief imago opgeleverd. Het bedrijf heeft inmiddels half Twitterend Nederland en diverse media over zich heen gekregen en heeft het zelfs zover geschopt dat Arjen Lubach zijn programma daar op 29 maart 2020 aan wijdde. Tot ongenoegen van RUMAG, dat overigens zelf niet onder stoelen of banken steekt allerlei teksten van anderen te gebruiken, gewoon omdat dat kan en omdat ze niet inzien wat daar nu zo erg aan is. Wat op internet staat, is toch immers vrij te gebruiken?

Grote vraag is natuurlijk of dat wat RUMAG doet – afgezien van het morele aspect – juridisch gezien ook echt niet door de beugel kan, of dat het eigenlijk wel meevalt. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het auteursrecht en kan worden doorgetrokken naar bijvoorbeeld foto’s en andere content die van internet wordt geplukt om vervolgens op een eigen website, sociale mediakanaal of product te worden gebruikt. Juist in deze tijd, nog meer dan anders, lijkt niemand zich meer echt af te vragen of knippen en plakken van internet wel is toegestaan. Allerlei beelden worden zonder aarzeling gekopieerd en gepubliceerd. Aan auteursrecht wordt vaak niet gedacht, laat staan aan het risico dat daarvoor op een zeker moment betaald moet gaan worden. Maar veel van dit soort content is wel degelijk beschermd door het auteursrecht en dat kun je vaak dus niet zonder toestemming gebruiken (lees: kopiëren en/of publiceren).

Auteursrechtelijke bescherming geldt voor alle oorspronkelijke creaties waarvoor persoonlijke keuzes zijn gemaakt. Voor een uitgebreidere uitleg verwijs ik onder andere naar dit blog.

Mag je foto’s van anderen zomaar gebruiken?

Foto’s worden in verreweg de meeste gevallen als creatief, oorspronkelijk werk gezien waarbij de fotograaf persoonlijke keuzes heeft gemaakt. Bijvoorbeeld voor wat betreft het onderwerp van de foto, welke sfeer een foto uit moet stralen, de compositie, de hoek van waaruit de foto wordt gemaakt, de belichting, het diafragma en de sluitertijd. Daarnaast maakt een fotograaf vaak in de nabewerking allerlei creatieve keuzes. Dat maakt dat foto’s in verreweg de meeste gevallen beschermd zijn door het auteursrecht en dat de rechthebbende, vaak de fotograaf, anderen kan beletten zijn of haar foto’s te gebruiken. Wordt zo’n foto toch zonder toestemming gebruikt, dan zal daar een vergoeding tegenover moeten staan. Géén boete – zoals vaak gedacht wordt – maar de reële geleden schade moet vergoed worden. Die bestaat vaak uit een misgelopen licentievergoeding. En daarnaast een extra vergoeding als de naam van de fotograaf/bron niet vermeld is of als de foto bewerkt is door de inbreukmaker. In dat soort gevallen zijn namelijk (ook) de persoonlijkheidsrechten van de fotograaf geschonden. Als er geen reguliere licentietarieven zijn voor de desbetreffende foto waarmee de schade kan worden bepaald, wordt vaak aangesloten bij de tarieven van Stichting FotoAnoniem.

Het is niet zo dat een foto áltijd een auteursrechtelijk beschermd werk is. Sommige foto’s zijn zo’n natuurgetrouwe weergave van het gefotografeerde onderwerp dat van een creatief werk geen sprake meer is. Dat is vaak het geval bij productfotografie. Voor een voorbeeld, zie hier. Maar ook de gemiddelde foto van bijvoorbeeld de Eiffeltoren zal vaak geen auteursrechtelijk werk zijn, omdat er daarvan al zóveel gelijke foto’s door anderen zijn gemaakt dat van een oorspronkelijk werk met persoonlijke keuzes geen sprake zal zijn (al zullen er zeker ook Eiffeltorenfoto’s zijn die wel degelijk auteursrechtelijk beschermd zijn). Dat werd door de Rechtbank Amsterdam ook geoordeeld voor een serie alledaagse, banale foto’s (die uitspraak leidde overigens wel tot behoorlijk wat kritiek).

Ook als een foto wel auteursrechtelijk beschermd is, betekent het gebruik daarvan overigens niet automatisch een inbreuk op het auteursrecht. Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel ‘gebruik zonder toestemming = inbreuk’. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een geldig citaat (NB: bronvermelding is in dat geval hoe dan ook vereist) of van gebruik in de privésfeer. Maar als je een foto van internet haalt om die vervolgens als versiering te gebruiken op je eigen site of producten, zit je meestal aan de verkeerde kant.

Mag je teksten en quotes van anderen zomaar gebruiken?

Ook voor teksten en andere content geldt dat er sprake kan zijn van een auteursrechtelijk beschermd werk dat je dus niet zomaar, zonder toestemming, op je eigen site, of producten (zoals die van RUMAG) mag gebruiken. Korte teksten en quotes, zoals ‘Zo. Nu eerst een Bavaria’ zijn alleen vaak zó algemeen dat van bescherming via het auteursrecht geen sprake is. Daar kan geen monopolie voor worden geclaimd. Zo kan de door RUMAG gebruikte tekst ‘IK.WIL.NAAR.HUIS.’ bijvoorbeeld, of ‘AANGESPOELDE.WALVIS.’ best zijn gekopieerd van iemand anders, maar deze quotes zijn zo algemeen dat daar geen auteursrecht op zal rusten. Ook het bekritiseerde gebruik door RUMAG van de quote ‘WIJNEN.WIJNEN.WIJNEN.’ (afkomstig van het origineel van Martien Meiland: ‘Half 12, wij gaan wijnen, wijnen, wijnen’, dat is ingeschreven als Beneluxmerk) zal naar mijn mening niet via het auteursrecht zijn tegen te houden. Ik acht de kans overigens (ook) klein dat dat via het merkenrecht anders zal zijn.

Gebruik van ‘JOE. JOE.’ door RUMAG op shirts en dergelijke, is een ander verhaal. JOEJOE is namelijk ingeschreven als Benelux-merk door Slam!-dj Bram Krikke. Het merk is ingeschreven voor onder andere kleding, is geen normale aanduiding (dus niet ‘beschrijvend’) en daardoor een sterk merk. Gebruik door RUMAG van dit fantasiemerk op haar shirts en andere items is bepaald niet zonder risico. Dat heeft RUMAG inmiddels ook aan den lijve ondervonden: RUMAG is aangesproken op inbreuk door Krikke, zo kopte onder andere het AD en was te zien bij RTL Boulevard. Het bedrijf heeft de JOE.JOE.-collectie offline gehaald. Als JOE JOE niet als merk was geregistreerd, was het voor Krikke een stuk lastiger geweest de collectie van RUMAG tegen te houden. Bijzonder kleine kans dat op deze twee woorden auteursrecht rust.

Tegen gebruik van alledaagse teksten zal de ‘rechtmatige eigenaar’ op basis van het auteursrecht aldus niet zoveel kunnen doen. Ánders wordt het als teksten langer en origineler zijn, waarbij er dus meer creatieve keuzes (kunnen) zijn gemaakt, en als ze minder in ons alledaagse taalgebruik passen. Dan wordt het oppassen geblazen, want dan kan het hergebruiken van een tekst, net als een foto, je wel eens duur komen te staan. Oók in deze crisistijd. Gelukkig heeft RUMAG aangegeven daar een potje voor te zullen maken.


In de praktische handboeken voor ondernemers ‘IE in Bedrijf’ lees je alles over auteursrecht en inbreuk, met tal van voorbeelden uit de praktijk. In de laatste twee delen (5 en 6), IE in Bedrijf – Online en IE in Bedrijf – Inbreuk op IE-rechten, wordt uitgebreid ingegaan op het inbreukmakend gebruik van foto’s en andere content, wat fotografen en rechthebbenden daaraan kunnen doen, maar ook hoe je je als aangesproken partij kunt verweren tegen claims. De serie is te koop bij de reguliere en online boekhandels (bijvoorbeeld: managementboek.nl) zowel in hard cover als eBook. Kijk voor een (gratis) te downloaden inkijkexemplaar op de website IE in Bedrijf.

Extra informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen

Over één jaar, op 10 maart 2021, treden extra regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen in werking. Deze regels zijn opgenomen in de Europese Verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector. Deze Verordening is een uitwerking van het klimaatakkoord van Parijs uit 2015. De nieuwe regels hebben tot gevolg dat bepaalde financiële ondernemingen meer informatie moeten verschaffen over duurzaamheid in verband met hun beleggingen. Deze regels gelden in aanvulling op al bestaande transparantieregels.

Op wie van toepassing?

Beleggingen

De Verordening focust op beleggingen. Hieronder vallen individuele beleggingsportefeuilles, beleggingsinstellingen, verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (beleggingsverzekeringen), pensioenproducten en pensioenfondsen. De Verordening is daarmee van toepassing op vermogensbeheerders, beheerders van beleggingsinstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen (door de Verordening financiëlemarktdeelnemers genoemd). Hieronder vallen ook partijen die deze activiteiten verrichten naast andere activiteiten, zoals banken die ook aan vermogensbeheer doen. De Verordening is daarnaast ook van toepassing op bepaalde intermediairs zoals verzekeringstussenpersonen en verstrekkers van beleggingsadvies (door de Verordening financieel adviseurs genoemd).

De Verordening is dus niet van toepassing op de hele financiële sector zoals de titel suggereert. Partijen waar de Verordening niet voor geldt zijn bijvoorbeeld betaaldienstverleners, kredietverleners en kredietbemiddelaars. Banken, verzekeraars en in mindere mate beleggingsondernemingen, vallen daarnaast voor een belangrijk deel van hun werkzaamheden ook niet onder de reikwijdte van de Verordening.

Onduidelijkheid voor bepaalde partijen

Soms is het onduidelijk of de Verordening van toepassing is. Dat komt door de definities die de Verordening gebruikt. In sommige definities wordt expliciet verwezen naar een vergunning. In dat geval is duidelijk dat alleen vergunninghouders onder de Verordening vallen. Sommige definities verwijzen simpelweg naar de ‘materiële’ definitie in de betreffende sectorale richtlijn. Dergelijke ‘materiële’ definities beschrijven slechts bepaalde activiteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor beheerders van een alternatieve beleggingsinstelling (AIFMs), beleggingsondernemingen, icbe-beheermaatschappijen en financieel adviseurs.

De vraag is of partijen die weliswaar onder de ‘materiële’ definitie vallen maar desondanks zijn uitgezonderd of vrijgesteld van (een deel van) hun sectorale regime, toch onder deze Verordening vallen. Dat lijkt vreemd en niet altijd de bedoeling. Twee voorbeelden:

  • Een AIFM is op grond van artikel 3(2) AIFMD uitgezonderd van het AIFMD-regime als de AIFM ‘klein’ is, de AIFM dit meldt aan de toezichthouder en de AIFM aan de toezichthouder periodiek informatie als bedoeld in artikel 24 AIFMD verschaft over de beleggingen (zie artikel 2:66a Wft). Een ‘kleine’ AIFM is strikt genomen wel een AIFM. Het lijkt onlogisch dat een dergelijke ‘kleine’ AIFM aan de vereisten uit de Verordening moet voldoen omdat een ‘kleine’ AIFM geen informatie aan beleggers hoeft te verschaffen op grond van de AIFMD. Extra informatie op basis van de Verordening lijkt dan vreemd.
  • MiFID II is op grond van artikel 2(1) niet van toepassing op diverse beleggingsondernemingen (zie artikel 1:18 Wft). Ook hier lijkt het onlogisch dat dergelijke beleggingsondernemingen (want dat zijn het wel) aan de vereisten uit de Verordening moeten voldoen nu het gehele MiFID II regime niet op hen van toepassing is.

Overigens, AIFMs van buiten de EU zonder vergunning vallen wel gewoon onder de Verordening als zij op grond van artikel 1:13b Wft in Nederland actief zijn. Zij moeten immers ook artikel 24 AIFMD (artikel 4:37l Wft) naleven en dan lijkt het logisch dat zij in het verlengde daarvan ook transparantie over duurzaamheid op grond van de Verordening verschaffen.

EU-breed

De regels uit de Verordening over duurzaamheid zijn in de hele EU hetzelfde. Belangrijk is daarnaast dat deze regels gelden in aanvulling op de diverse sectorale regels over informatieverschaffing. Die regels zullen er dus naast moeten worden gehouden om tot een totaalbeeld wat betreft transparantie te komen.

Wat is duurzaamheid?

De Verordening spreekt over duurzaamheid in het algemeen en duurzaamheidsfactoren, duurzaamheidsrisico’s en duurzame beleggingen in het bijzonder. Deze begrippen gaan deels uit van een andere vorm van duurzaamheid. Dat maakt de regels uit de Verordening soms complex en is van belang bij de toepassing van de regels. ‘Duurzaamheidsfactoren’ hebben betrekking op ecologische en sociale aspecten, werkgelegenheid, eerbiediging van mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping. Dit begrip lijkt het meest ruim. ‘Duurzaamheidsrisico’s’ zijn gebeurtenissen op ecologisch, sociaal of governancegebied (ESG) die een (potentieel) negatief effect op de waarde van beleggingen kunnen veroorzaken. Een ‘duurzame belegging’ tot slot is een belegging die bijdraagt aan een milieudoelstelling of een sociale doelstelling. Hoewel de Verordening dus een uitwerking is van het klimaatakkoord van Parijs, heeft duurzaamheid in de zin van de Verordening dus niet alleen betrekking op global warming maar omvat het veel meer.

Extra verplichtingen

De Verordening kent – kort gezegd – vier hoofdverplichtingen:

  • (a) Financiële ondernemingen moeten hun beleid aanpassen. In het bedrijfsbeleid moeten zij vastleggen hoe duurzaamheidsrisico’s worden meegenomen bij beleggingsbeslissingen of beleggingsadvies. Ook moet bepaald bestaand beleid, waaronder beloningsbeleid, hieraan worden aangepast.
  • (b) Financiële ondernemingen moeten informatie over hun beleid en het meewegen van duurzaamheidsrisico’s op hun websites opnemen. Dit omvat mede uitleg hoe negatieve effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking worden genomen, of waarom dit niet gebeurt (comply or explain).
  • (c) Financiële ondernemingen moeten hun precontractuele informatie aanpassen. In precontractuele informatie moet worden aangegeven hoe bij beleggingsbeslissingen en beleggingsadvies rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s en hoe dit invloed heeft op het verwachte rendement en moet worden aangegeven hoe negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren in aanmerking worden genomen. In beide gevallen mag ook worden uitgelegd waarom dit niet wordt gedaan (comply or explain).
  • (d) In geval van duurzame beleggingen moeten financiële ondernemingen extra voorgeschreven informatie over de duurzaamheid van deze beleggingen verschaffen, zoals informatie over een gehanteerde index of benchmark (dit om te voorkomen dat dat allerlei beleggingen als ‘groen’ of ‘duurzaam’ worden aangeprezen (greenwashing) zonder dat daarvoor voldoende reden is).

Overigens geldt dat de regels uit de Verordening op bepaalde punten nader zullen worden uitgewerkt door een technische uitwerking door de Europese toezichthouders over (informatie over) duurzaamheid.

Wat te doen?

Financiële ondernemingen zijn nu aan zet. In grote lijnen moeten zij in ieder geval het volgende doen wanneer de Verordening op hen van toepassing is:

  • Hun beleggings(advies)beleid en hun beloningsbeleid aanpassen door duurzaamheidsrisico’s onderdeel te maken van dit beleid.
  • Het aangepaste beleid, of een beschrijving daarvan, publiceren op hun websites.
  • Precontractuele informatie voor beleggers aanpassen door op te nemen in hoeverre rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s bij beleggingsbeslissingen en hoe negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren worden meegenomen, of uit te leggen waarom dat niet wordt gedaan.
  • Bij aanbieding van duurzame beleggingen: zorgdragen dat de nader voorgeschreven informatie over de duurzaamheid wordt verschaft.

Het is hierbij van belang dat de Verordening dus niet alleen van toepassing is op duurzame beleggingen. Ook voor ‘gewone’ beleggingen gelden deze extra regels. Deze Verordening is dus geen ver-van-mijn-bed-show die alleen geldt voor aanbieders van groene beleggingen. Slechts de regels die betrekking hebben op duurzame beleggingen gelden alleen voor aanbieders daarvan.

Wanneer moet dit gereed zijn?

Zoals aangegeven is de Verordening van toepassing vanaf 10 maart 2021 en moeten financiële ondernemingen dus vanaf dat moment voldoen aan de nieuwe regels. Er zijn twee belangrijke uitzonderingen op deze uiterste datum van 10 maart 2021.

Allereerst geldt dat informatie over het al dan niet in aanmerking nemen van negatieve effecten op de duurzaamheidsfactoren pas uiterlijk 30 december 2022 op productniveau hoeft te worden vastgelegd in de precontractuele informatie. Vanaf 10 maart 2021 tot 30 december 2022 hoeft dit slechts te gebeuren als onderdeel van het beleid dat wordt gepubliceerd op de website.

Daarnaast geldt dat bepaalde informatie over duurzame beleggingen pas vanaf 1 januari 2022 behoeft te worden opgenomen in periodieke verslagen. Dit staat echter los van andere verplichte informatie over duurzame beleggingen.

Het overgrote deel van de verplichtingen treedt echter op 10 maart 2021 in werking en dat betekent dat financiële ondernemingen nog een jaar hebben om het nodige te doen.

Auteursrecht: automatische bescherming op creatieve werken

Van fashion, meubels en kunst tot teksten, foto’s en andere content

Auteursrecht (of copyright) is het exclusieve recht om een werk openbaar te maken en te verveelvoudigen. Auteursrecht ontstaat automatisch. Alle ‘werken’ die vallen onder de definitie in de Auteurswet zijn automatisch beschermd. Van meubels, kleding, teksten, muziek, logo’s en foto’s tot de inrichting van winkels, bouwwerken, spelconcepten en reclamecampagnes. Maar dat betekent niet dat je helemaal niets kunt of hoeft te doen om met succes bescherming op je werken te kunnen claimen. Dit zijn de do’s en dont’s voor het optimaal beschermen van je creaties.

Wat is een ‘werk’? Een creatie o.b.v. persoonlijke keuzes

Een werk in de zin van de Auteurswet, is een creatie met een eigen, oorspronkelijk karakter waarbij persoonlijke keuzes zijn gemaakt (zie hierna onder: ‘© origineel en persoonlijke keuzes’). Veel creaties zijn geïnspireerd op werk van een ander. Dat is zeker het geval in branches waarin veel wordt gekopieerd, zoals de meubel- en kledingbranche. Dan is het de vraag of jouw creatie voldoende origineel is. Maar ‘je laten inspireren’ is toegestaan en het betekent niet zonder meer dat er voor dergelijke creaties geen bescherming kan worden geclaimd. Dat is alleen het geval als er onvoldoende eigen, persoonlijke keuzes zijn toegevoegd.

Niet alle creaties zijn beschermd

Sommige creaties, zoals de meeste slogans, zijn te eenvoudig om te beschermen via het auteursrecht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de slogan ‘Zo. Nu eerst een Bavaria’. Het gaat er bij auteursrechtelijke bescherming niet om of het maken van een werk veel ‘bloed, zweet en tranen’ heeft gekost. Een simpele tune is al snel auteursrechtelijk beschermd, terwijl de (ietwat gewijzigde) reproductie van een schilderij als De Nachtwacht heel veel werk kost, maar toch geen auteursrecht oplevert.

Alles wat technisch bepaald is in een creatie, levert ook geen auteursrecht op. Dat geldt bijvoorbeeld voor Dyson-stofzuigers; allerlei elementen in die stofzuigers zijn bijzonder handig, maar uitgesloten van auteursrechtelijke bescherming.

Zijn ideeën ook beschermd?

Ideeën zijn niet beschermd zo lang ze niet concreet zijn uitgewerkt. De reden daarvan is dat hetzelfde basisidee op tal van manieren kan worden uitgewerkt en daaraan dus een hele andere invulling kan worden gegeven. Dat levert hele verschillende creaties op die elk auteursrechtelijk beschermd kunnen zijn. Ideeën van een ander  mogen dan ook worden gebruikt zo lang je er maar een eigen draai aan geeft in de uitwerking. Hetzelfde geldt voor een concept of stijl: die zijn als zodanig niet te beschermen, alleen voor de concrete uitwerking kan bescherming worden geclaimd. Zo kon Red Arrow het TV-programma ‘Het Geheim van een Goed Huwelijk’ niet verbieden op basis van het afwijkende TV-format voor ‘Married at First Sight’. Het idee is hetzelfde, het uitgewerkte format is verschillend.

Wie is de rechthebbende?

De hoofdregel in het auteursrecht is: de maker is de rechthebbende. Dat is logisch, want de maker is degene die de creatieve keuzes maakt. Vaak wordt gedacht dat de opdrachtgever, die de rekening voor het maken van het werk betaalt, automatisch de rechthebbende is. Maar die vlieger gaat over het algemeen niet op. Wie voor een werk betaalt, bepaalt niet wie de rechthebbende is.

Op de hoofdregel ‘wie maakt, heeft de rechten’ bestaan diverse uitzonderingen:

  • Als een werk voor het eerst openbaar wordt gemaakt door een bedrijf zonder dat daarbij de naam van de feitelijke maker wordt vermeld, wordt dat bedrijf geacht de rechthebbende te zijn. Dat is alleen niet het geval als dat onrechtmatig zou zijn tegenover de maker, bijvoorbeeld omdat er afspraken zijn gemaakt dat de maker de rechthebbende blijft.
  • Soms is de ‘maker’ alleen degene die een werk daadwerkelijk maakt, zonder dat diegene het creatieve denkwerk heeft verricht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de drukker die het boek daadwerkelijk maakt, maar het niet geschreven heeft. De partij onder wiens leiding en toezicht een werk tot stand is gekomen, is in de rechthebbende.
  • Een werkgever wordt automatisch de auteursrechthebbende voor alle werken die werknemers maken in de uitoefening van hun functie. Dat is dus niet het geval voor een politieagent die een boek schrijft (in zijn vrije tijd). Dat hoort niet bij de functie als politieagent dus de werkgever kan in dat geval geen aanspraak maken op de auteursrechten op dat boek.
  • Als er meerdere makers zijn die ervoor gezorgd hebben dat een werk tot stand is gebracht, hebben die een gezamenlijk auteursrecht. Dat is een situatie die beter voorkomen kan worden, omdat de ene rechthebbende niets mag met het werk zonder medewerking van de andere(n). Die situatie leidt in de praktijk geregeld tot conflicten.
  • Partijen kunnen ook onderling iets anders afspreken: het auteursrecht kan worden overgedragen aan een andere partij. Als bijvoorbeeld een website wordt gemaakt, kan het bedrijf dat de website gaat gebruiken bedingen dat het de auteursrechten overgedragen krijgt. Let op: auteursrechten moeten schriftelijk worden overgedragen.

Het is hoe dan ook belangrijk dat vooraf goede (schriftelijke) afspraken worden gemaakt. De meeste conflicten ontstaan als dat niet is gebeurd en partijen elk van een ander uitgangspunt en andere verwachtingen uitgaan.

Wanneer is er sprake van inbreuk?

Bij de beoordeling of sprake is van inbreuk op het auteursrecht van een andere partij, wordt in de eerste plaats bekeken welke kenmerken van een werk auteursrechtelijk beschermd (kunnen) zijn, oftewel: welke kenmerken zijn origineel zijn en dragen het persoonlijk stempel van de maker? Vervolgens wordt gekeken of die kenmerken ook voorkomen in het mogelijk inbreukmakende werk. Als dat zo is, en de totaalindruk van beide werken komt overeen, dan is er sprake van inbreuk. Let op: ook als een werk bestaat uit kenmerken die al bestonden in andere werken, dan nog kan zo’n werk auteursrechtelijk beschermd zijn als de combinatie van die al bestaande kenmerken tot een origineel werk leidt.

© Origineel en persoonlijke keuzes

Hoe bewijs je nu dat een werk origineel is en dat je persoonlijke keuzes hebt gemaakt?

Originaliteit wordt bepaald door te kijken naar eerdere werken: in hoeverre bestond een werk al? Er moet bij die eerdere werken gekeken worden naar de auteursrechtelijk beschermde (lees: oorspronkelijke/eigen) trekken. In inbreukzaken doet degene die aangesproken wordt op het maken van inbreuk er goed aan zoveel mogelijk na te gaan welke oudere werken er al bestaan met min of meer dezelfde karakteristieke kernmerken als het werk waarvoor bescherming wordt geclaimd.

Zo zal een meubelbedrijf dat meubels maakt uit sloophout en dat wordt aangesproken door de bekende ‘sloophout-meubelontwerper’ Piet Hein Eek, op zoek moeten gaan naar oudere meubelontwerpen die gemaakt zijn van sloophout en die zoveel mogelijk op de ontwerpen van Piet Hein Eek lijken. Er zijn diverse meubelbedrijven waarbij dat niet gelukt is, zie bijvoorbeeld hier, hier en hier.

Of er persoonlijke keuzes zijn gemaakt in een ontwerp, is een beoordeling die de rechter uiteindelijk maakt, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van de ontwerper. Je moet dus kunnen onderbouwen waaruit de persoonlijke keuzes bestaan. Dat kan bijvoorbeeld zijn de stijl die een ontwerper gebruikt (al is de stijl zelf dus niet auteursrechtelijk beschermd), de wijze waarop een ontwerp tot stand komt, de kleuren en het materiaal dat gebruikt is et cetera.

Bij foto’s kunnen de persoonlijke keuzes bijvoorbeeld blijken uit het onderwerp van de foto, de sfeer die een foto uitstraalt, de uitsnede die gemaakt wordt, net als andere nabewerkingen zoals het contrast, de hoek van waaruit een foto genomen is, in hoeverre er is ingezoomd op een bepaald element van de foto, de belichting et cetera.

Wat kan je claimen als rechthebbende?

Als je de auteursrechthebbende bent op een bepaald werk, dan kan je andere partijen waarvan je vindt dat die inbreuk maken, daarop aanspreken en ze vriendelijk, maar dringend verzoeken om (onder andere):

  • Direct en definitief te stoppen met elk inbreukmakend gebruik (dat wil zeggen elke openbaarmaking en verveelvoudiging van het inbreukmakende werk);
  • Opgave van de inbreukmakende aantallen die zijn ingekocht, verkocht, in voorraad zijn etc., als het gaat om inbreukmakende producten;
  • Vernietiging of afgifte van de voorraad inbreukmakende producten;
  • Vergoeding van de geleden schade;
  • Vergoeding van de juridische kosten (inclusief advocaatkosten – die moeten in dit soort zaken in beginsel ook vergoed worden).

Dit is een selectie van de claims die je kunt indienen, waarbij het stoppen met het inbreukmakende gebruik natuurlijk het eerste vereiste is. In sommige gevallen kan ook van belang zijn dat er een rectificatie wordt geplaatst door de veronderstelde inbreukmaker of dat er informatie wordt gegeven over de bij de inbreuk betrokken partijen (zoals de leverancier).

Maar pas wel op als je een sommatiebrief verstuurt: het moet wel aannemelijk zijn dat je inderdaad auteursrechten kunt claimen op een werk. Als overduidelijk is dat dat niet zo is, kan je dat duur komen te staan en kan de aangesproken partij betogen dat je onrechtmatig handelt. Alle daardoor geleden schade zal je in zo’n geval moeten vergoeden.

In de praktische handboeken voor ondernemers ‘IE in Bedrijf’ lees je alles over auteursrecht en inbreuk, met tal van voorbeelden uit de praktijk. Ze zijn te koop bij de reguliere en online boekhandels (bijvoorbeeld: Bol.com en managementboek.nl) en als eBook te downloaden via de online aanbieders. Kijk voor een (gratis) te downloaden inkijkexemplaar op de website www.ie-inbedrijf.nl.

Brexit: it is finally there (but it is still unclear)

At 00:00 hrs on 1 February 2020, Brexit is finally a reality and the United Kingdom is no longer part of the European Union. However, now that the UK Parliament and the EU Parliament ratified the Withdrawal Agreement on 23 and 29 January 2020, there will be no hard (or no deal) Brexit, at least not for the moment.

Transition period

The Withdrawal Agreement provides for a transition period that will end on 31 December 2020. On the basis of the Withdrawal Agreement, basically all EU law will continue to apply to and in the UK during the transition period. This means that until 31 December 2020, little will change in comparison with the period prior to Brexit. One may say that, as long as no permanent deal on transition has been reached, a soft Brexit applies. During 2020 UK financial institutions will continue to have access to the EU as before. The same goes for EU financial institutions and access to the UK.

As a result, the statutory arrangements made by EU and national legislators and regulators with a view to a hard Brexit, do not need to be enacted in 2020. These arrangements may however still be necessary if no agreement is reached between the UK and the EU on their future relationship. In other words, a hard Brexit is still possible, in which case the statutory arrangements may be enacted after all. Whether this will be the case will become clear in the course of 2020 or even thereafter, should the transition period be extended.

Dutch statutory arrangements for investment firms and AIFMs

As indicated in previous Brexit updates, arrangements have already been made in the Netherlands, or are already in place, to accommodate investment firms and AIFMs from the UK when dealing with professional clients or qualified investors within the Netherlands. This is primarily done with a view to protecting Dutch institutional investors, enabling them to continue to deal with UK investment firms and AIFMs. As a result of the transition period, the new Dutch exemption for UK investment firms that was announced earlier will not be enacted for the moment due to the lack of a hard Brexit.

Action required?

Even though the existing EU regime will continue to apply to and in the UK in 2020, the most important conclusion to be drawn is that for the moment a soft Brexit is now truly a fact, but for the moment only for 2020. This means that parties that have postponed their mitigating actions must still take action to address the consequences of Brexit. While the negotiations between the UK and the EU may still result in an agreement on continued access by UK financial institutions to the EU, success should not be taken for granted. Should such negotiatons fail and in the end result in a hard Brexit, measures will have to be taken to secure continued access to (clients in) the EU.

AFM report on deficiences in MiFID II compliance

AFM report on deficiences in MiFID II compliance by investment firms that provide investment services to professionals

On 10 December 2019 the AFM published a report with its findings following from an investigation into MiFID II compliance by ten investment firms that provide investment services to professional clients and eligible counterparties in the Netherlands. The report focuses on three main areas: (i) cost transparency, (ii) product governance and (iii) inducements. For a copy of the report (available in Dutch only) see AFM report on MiFID II compliance.

The AFM report provides important information on non-compliance and also on misunderstanding by investment firms on (the scope of) the requirements investigated. It may be expected that this investigation will be followed-up by AFM action and that is why investment firms, that provide investment services to professional clients and eligible counterparties, should pay attention to the AFM findings and take action to the extent necessary. This also goes for foreign investment firms active on the basis of a European passport and investment firms from the U.S., Switzerland and Australia acting on the basis of exemption, as the requirements addressed by the AFM largely also apply to these investment firms.

Some key findings

Without aiming to be complete, the following findings may be highlighted:

Cost transparancy

  • Ex ante information on costs by phone only is insufficient as it must be in writing, also in case time is of the essence.
  • In line with ESMA Q&A and contrary to what some investment firms suggest, for the purpose of annual ex-post cost transparency the mere holding of a trading account for execution only transactions suffices for the existence of an ongoing relationship and transactions do not need to be related for that purpose.
  • Cost transparency requirements cannot be applied on a proportional basis. In a limited number of circumstances it is however allowed to explicitly agree with the client that certain information will not be provided. This is not possible in case of portfolio management or investment advice to professional clients or in case derivatives are involved. Implicit consent or a clause on consent in general terms is not sufficiently explicit.
  • Reporting obligations in respect of portfolio management do not replace or make it unnecessary to provide annual ex-post transparency. Both periodic reports need to be provided to the client (but may be provided together).

Product governance

  • Reception and transmission of orders, execution of orders, portfolio management and even investment advice are all included in the concept of a ‘distributor’ and consequently, investment firms that provide any of these investment services to professional clients must meet the respective product governance requirements for distributors.
  • The suitability test does not replace or make it unnncessary to comply with the product governance requirements for distributors including the five target market categories that follow from the ESMA Guidelines on MiFID II product governance requirements (type of client, knowledge and experience, financial situation, risk tolerance and client’s objectives and needs).
  • The target market has to be identified at the level of the financial instrument and not at the level of the client portfolio, even with portfolio management and investment advice. Identifying a target market may take place on the basis of a cluster of financial instruments provided that the financial instruments have sufficient similar aspects. Clusters like hedge funds or derivatives are normally not acceptable as they may include different types of strategies or products.

Inducements

  • Minor non-monetary benefits are limited to those set out in the Commission Delegated Directive 2017/593. This is a limitative list and investment firms are not at liberty to independently determine what qualifies as a minor non-monetary benefit, thereby expanding this list. As a result, anything outside the scope of this limitative list (e.g. promotional gifts) qualifies as a prohibited inducement. The old de minimis threshold of €100 no longer applies.
  • In case an investment firm is not able to pinpoint the inducement to a specific investment service, the most stringent inducement regime applicable to the investment services and clients of the investment firm applies. This is for example the case if more than one investment service is provided and it is impossbile to determine to which investment service an inducement relates.
  • The concept of investment research has to be interpreted broadly also if a more narrow definition is used in policies and procedures of investment firms.

For all AFM findings and explantions please see the report.

What next?

The AFM report shows that steps have to be taken by the investment firms investigated to comply in full with the requirements discussed. The AFM concludes the report by stating that it expects all investment firms providing investment services to professional clients and eligible counterparties to make the necessary changes. The AFM also notes that this is not limited to the areas investigated, but it also relates to all MiFID II requirements. For an overview of the relevant changes focused at investor protection the AFM refers to AFM overview of MiFID II changes on investor protection.

As a result, it is advisable to revisit your policies and procedures as well as your client materials in order to assess whether the respective requirements are met, notably the ones investigated by the AFM but preferably also those other changes that follow from MiFID II.

Brexit update

With the postponed Brexit date of 31 October 2019 rapidly approaching, this is a short update of relevant Dutch rules and regulations for the financial services industry to mitigate the negative consequences of a hard Brexit. This update does not cover EU-wide arrangements such as those on clearing and trading at regulated markets.

Coming to the Netherlands

In September the Netherlands Instute of International Relations “Clingendael” has published a database of companies that have moved or are in the process of moving, (part of) their business to the Netherlands with a view to a Brexit. Where the Netherlands Foreign Investment Agency mentioned earlier that in August 2019 some 98 companies had opted for the Netherlands, the “Clingendael” institute now counts 56 companies moving 32 of which are financial sector companies. This group consists of trading venues, boutique trading firms and more traditional financials. No doubt depending on further Brexit developments more financials may follow. If they do, they may however benefit from the following regulations and may avoid moving for the purpose of market access.

UK investment firms

Investment firms domiciled in the UK providing services to professional clients in the Netherlands or dealing on own account in the Netherlands, may benefit from a new exemption from the Dutch licensing requirements for investment firms under MiFID II. Similar to the existing exemption for investment firms domiciled in the U.S., Switzerland and Australia, also UK investment firms may benefit from this exemption but only in case of a hard Brexit. In case of a deal on Brexit, this exemption will not enter into force. This exemption may be of a temporary nature only.

To benefit from this exemption the investment firm involved may only provide investment services to professional clients (such as Dutch institutional investors), must be subject to supervision by a competent supervisor (the FCA), and must register itself with the Netherlands Authority for the Financial Markets (AFM). This registration is of an administrative nature and can already be made prior to and conditional upon a hard Brexit. A registration fee of € 4,400 will be charged by the AFM in case registration will actually take place upon a hard Brexit.

A limited number of ongoing requirements applicable to Dutch licensed investment firms will apply upon registration. These requirements should not be burdensome for UK investment firms nowadays meeting the MiFID II requirements.

UK AIFMs

AIFMs domiciled in the UK may benefit from the existing Dutch private placement regime under AIFMD in case of a hard Brexit. In order to do so, marketing must be limited to qualified investors (such as Dutch institutional investors), the competent regulator (the FCA) has to confirm that it will be able to meet the obligations under the cooperation agreement with the AFM as recently agreed upon, and registration with the AFM has to take place by the AIFM. This registration is of an administrative nature and is free of charge.

Further to AIFMD, a limited number of ongoing requirements applicable to AIFMs will apply upon registration. These requirements should not be burdensome for UK AIFMs nowadays meeting the AIFMD requirements.

Other financial services sectors

Other than the EU-wide arrangements to mitigate the negative effects of a hard Brexit, there are no particular Dutch mitigation measures for other financial services sectors. As a result, other types of UK financial institutions will still have to take into account what part of their business in the Netherlands may be impacted by a hard Brexit. As a positive note it can be mentioned that in the meantime the Dutch regulators DNB and AFM have ample experience in handling authorization requests by UK financial institutions to set up a regulated Dutch business. As a result, while authorization remains to be a timeconsuming and expensive process, the benefit of an application at this stage is a smoother process than the initial applicants have gone through.

Deel 3: Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

deel 3

De Spoedwet KEI[1] introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland golden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In een serie blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit deel (deel 3) sta ik stil bij de mogelijkheid van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. 

Zie ook:

Inleiding: de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling

Met het nieuwe procesrecht in de Spoedwet KEI wordt beoogd de mogelijkheden van de mondelinge behandeling te verruimen. De bepalingen die hierop betrekking hebben zijn rechtstreeks overgenomen uit KEI Rv[2], zoals dat voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gold. In onderstaande infographic zijn deze verruimingsmogelijkheden van de mondelinge behandeling samengevat weergegeven (zie voor een verdere toelichting Deel 1).

Eén van de verruimingsmaatregelen betreft de mogelijkheid om getuigen en partijdeskundigen tijdens de mondelinge behandeling te horen. Zie artikel 87 lid 3 Rv:

  1. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. (…)

In dit blog bespreek ik de implicaties van het horen van getuigen (en partijdeskundigen) tijdens de mondelinge behandeling.[3]

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

De wetgever ziet louter (efficiency) voordelen in het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. Er is geen afzonderlijke zitting nodig om getuigen te horen; de getuige kan ter plekke een aanvulling geven op hetgeen een van partijen stelt, of vragen van de rechter beantwoorden.[4] Op die manier kan efficiënter worden omgegaan met de tijd van partijen, hun advocaten en de rechter, aldus de wetgever.[5]

Kanttekeningen

Op papier is er slechts één drempel voor het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling: partijen hebben voorafgaande toestemming van de rechter nodig. De praktijk lijkt evenwel weerbarstiger. Samen met diverse auteurs meen ik dat er kritische kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij deze verruimingsmogelijkheid.

Voorafgaande toestemming

Het verzoek om getuigen tijdens de mondelinge behandeling te mogen horen dient gemotiveerd te zijn en de rechter beslist daar zo spoedig mogelijk op na de reactie van de wederpartij, aldus de strekking van artikel 4.10 van het nieuwe Procesreglement[6]. Over de gronden waarop de rechter de toestemming kan weigeren, vermeldt het Procesreglement niets. Ook elders zijn de weigeringsgronden niet vastgelegd. Volgens de wetgever is de voorafgaande toestemming bedoeld om te voorkomen dat de mondelinge behandeling wordt verstoord doordat partijen grote aantallen getuigen meenemen.[7] Niet uitgesloten lijkt mij echter dat de rechter ook op andere gronden, bijvoorbeeld wegens de complexiteit van de zaak, toestemming kan weigeren. De weigeringsronden zijn dus niet uitgekristalliseerd. Dit heeft ook tot gevolg dat het voor partijen onduidelijk is of en zo ja, op welke wijze zij invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van de rechter om het horen van getuigen wel of niet toe te stemmen.[8]

Beslissing over horen getuigen ter zitting

Als een partij toestemming heeft gekregen om getuigen te doen horen tijdens de mondelinge behandeling, dan is dat geen garantie dat de getuigen ook daadwerkelijk zullen worden gehoord. Het staat de rechter vrij om het van de mondelinge behandeling te laten afhangen of hij de getuigen ook daadwerkelijk wil horen.[9] De rechter beslist daarover pas tijdens de mondelinge behandeling.

Als de rechter, om welke reden dan ook, afziet van het horen van getuigen die naar de mondelinge behandeling zijn meegenomen, dan brengt dat voor partijen teleurstelling en onnodige kosten met zich. Om aan te sluiten bij de woorden van Hofhuis: het draagt niet bepaald bij aan de klantvriendelijkheid.[10]

 Geen bewijsopdracht

Volgens de wetgever is een bewijsopdracht voorafgaand aan het getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling niet nodig. [11] Een dergelijke praktische insteek van de wetgever is begrijpelijk. Een bewijsopdracht voorafgaand aan de mondelinge behandeling zou in de praktijk niet werkbaar zijn.  Toch kan het ontbreken van een bewijsopdracht onwenselijke implicaties hebben.

De belangrijkste daarvan is mijns inziens dat de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord van tevoren niet afgebakend zijn. Dit werkt langere en mogelijk onnodige getuigenverhoren in de hand. Achteraf kan immers blijken dat de tijdens de getuigenverhoren besproken onderwerpen irrelevant zijn, omdat zij niet dragend zijn voor de beslissing.[12] Daarmee wordt de door de wetgever beoogde efficiëntie ondermijnd.

Contra-enquête

Omdat de wederpartij niet altijd zal kunnen inschatten welke getuigen over welke onderwerpen zullen worden gehoord, bemoeilijkt dit de voorbereiding. De wederpartij heeft recht op een contra-enquête. Maar het anticiperen op die contra-enquête en wie waarover als getuige in contra-enquête zou moeten worden gehoord, zal bij het ontbreken van een afgebakende bewijsopdracht in veel gevallen  bijzonder lastig zijn. Het praktische gevolg zal dan zijn dat er alsnog een extra zitting moet worden gepland voor de contra-enquête. Een contra-enquête die bovendien achteraf eveneens onnodig kan blijken te zijn geweest. Dubbele inefficiëntie aldus.

 Schriftelijke verklaringen

In de huidige praktijk komt het regelmatig voor dat partijen schriftelijke verklaringen van getuigen overleggen. Mijn ervaring is dat de rechter een schriftelijke verklaring veelal meeweegt in zijn beoordeling. Het is eerder uitzondering dan regel dat de rechter naar aanleiding van een schriftelijke verklaring een nader getuigenverhoor noodzakelijk acht. Sterker, mijn indruk is dat in veel gevallen schriftelijke getuigenverklaringen een getuigenverhoor kunnen voorkomen.

De schriftelijke verklaring heeft zijn praktische nut als efficiënt bewijsmiddel inmiddels wel bewezen. Het is evenwel de vraag of de rechter nu anders tegen schriftelijke verklaringen gaat aankijken. De gedachte zou kunnen zijn dat met de – in ieder geval op het eerste gezicht – laagdrempelige mogelijkheid om getuigen mee te nemen naar de zitting een partij niet meer kan volstaan met (alleen) schriftelijke verklaringen. De rechter zou het een partij kunnen tegenwerpen als een schriftelijke verklaring niet wordt gestaafd met een mondelinge getuigenverklaring tijdens de mondelinge behandeling (althans een verzoek daartoe). Een getuigenverhoor, hoewel tijdrovend en daarmee inefficiënt, heeft immers als voordeel dat de rechter en partijen vragen aan de getuige kunnen stellen en zich mogelijk een beter oordeel kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de getuige.

Ik pleit ervoor om de schriftelijke verklaring niet in de ban te doen, maar voor maatwerk te kiezen. Daarbij kan de rechter van geval tot geval beoordelen of een (nader) getuigenverhoor de voorkeur verdient (naast of) boven een schriftelijke verklaring.

Conclusie: beperkte toegevoegde waarde

Heeft een getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling toegevoegde waarde? Naar mijn mening slechts in beperkte mate. Natuurlijk zullen er zaken zijn waar het nuttig kan zijn om alvast tijdens de mondelinge behandeling getuigen te horen. Ik denk dan aan relatief eenvoudige zaken met een overzichtelijk feitencomplex, waarin de onderwerpen waarover de getuigen kunnen verklaren overzichtelijk en afgebakend zijn. Immers, alleen als de getuigenverhoren zowel in aantal als in tijd kunnen worden beperkt zal het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling praktisch uitvoerbaar en efficiënt zijn. Ik teken daarbij wel aan dat dit doorgaans ook zaken betreft waarin een schriftelijke verklaring afdoende kan zijn, zodat zelfs in die zaken vraagtekens kunnen worden gezet bij de toegevoegde waarde van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. In alle andere gevallen stuit het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling mijns inziens hoe dan ook tegen te veel praktische en inhoudelijke bezwaren.

[1] Stb. 2019, 241. Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht.

[2] Hiermee wordt bedoeld het procesrecht zoals dat tot 1 oktober 2019 in de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland gold.

[3] In dit blog zal ik verder over “getuigen” spreken, maar daarvoor in de plaats (of daarnaast) kan ook steeds “partijdeskundigen” worden gelezen.

[4] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 23.

[5] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[6] Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken, versie 1 oktober 2019.

[7] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[8] Zie ook: Advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht, pag. 13.

[9] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[10] H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13.

[11] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[12] Vgl. ook: H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13 en K. Teuben & K.J.O.  Jansen, “Het Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht: kanttekeningen vanuit de procespraktijk”, TCR 2015/02,  p. 8

Nu ook nieuwe interpretatie van DNB over abonnementen

Eerder dit jaar maakte DNB bekend dat men een nieuwe interpretatie hanteert voor verlengde garanties bij koopovereenkomsten. Deze nieuwe interpretatie leek een minder strenge interpretatie van de wet door DNB te bevatten aangezien in meer gevallen dan voorheen een verlengde garantie toch niet als een verzekering in de zin van de wet kwalificeert. Op 28 augustus 2019 heeft DNB ook de definitieve Q&A over abonnementen gepubliceerd. Deze Q&A volgt dezelfde lijn.

Achtergrond

Voor de achtergrond wordt verwezen naar de blog van 31 januari 2019 over verlengde garanties. Daarin werd ook de concept-Q&A voor abonnementen al kort aangestipt. Na consultatie daarvan heeft DNB nu ook de definitieve Q&A voor abonnementen vastgesteld zodat het (nieuwe) beleid van DNB definitief is.

Nieuwe Q&A

De nieuwe Q&A begint met herhaling van de al langer gehanteerde criteria van een verzekering (zie de eerdere blog). Vervolgens benadrukt DNB dat als aan deze criteria wordt voldaan, er nog sprake hoeft te zijn van een verzekering. DNB benadrukt ook dat als een abonnement geen onzekere voorvallen of omstandigheden dekt, er geen sprake is van een schadeverzekering.

Als eerste voorbeeld behandelt DNB onderhouds- en reparatieabonnementen. Volgens DNB zijn dergelijke abonnementen geen schadeverzekering als aan de volgende drie criteria wordt voldaan. Ten eerste dient het abonnement een ondergeschikt onderdeel te zijn van de koopovereenkomst van het product. Ten tweede dient het abonnement te zien op reparatie van gebreken die betrekking hebben op de aard van het product en dus niet op gebreken vanwege externe oorzaken. Ten derde dient de duur van het abonnement niet evident langer te zijn dan de levensduur die redelijkerwijs van het product verwacht mag worden.

In de toelichting verheldert DNB een aantal punten die eerder nog onduidelijk waren. Zo geeft DNB nu expliciet aan dat een abonnement ook door een ander dan de verkoper van het product mag worden aangeboden. Voorwaarde is wel dat die andere partij een rechtsverhouding met de verkoper van het product heeft, zoals bijvoorbeeld een groepsmaatschappij. De reden daarvoor is volgens DNB dat er in dat geval materieel sprake is van één aanbiedende partij en dat daarmee aan het eerste criterium (een ondergeschikt onderdeel van de koopovereenkomst) wordt voldaan. DNB hanteert in deze Q&A niet meer het begrip economische levensduur maar spreekt in het derde criterium gewoon over levensduur. Uit de toelichting blijkt echter dat DNB nog steeds de economische levensduur bedoelt en dat die langer kan zijn dan de fabrieksgarantie of de periode waarin een beroep op conformiteit kan worden gedaan.

Als tweede voorbeeld behandelt DNB abonnementen voor juridische dienstverlening en de daaruit voortvloeiende vraag of deze als rechtsbijstandverzekering zijn te beschouwen. Hier stipt DNB twee aspecten aan. In de eerste plaats wijst DNB op het risico van bemiddelen in de zin van de wet als er activiteiten als tussenpersoon worden verricht. Daarnaast geeft DNB aan dat abonnementen voor juridische dienstverlening alleen bij zogeheten eerstelijns dienstverlening niet als rechtsbijstandsverzekering kwalificeren.

Betekenis voor de praktijk

De betekenis voor de praktijk betreft met name de abonnementen voor onderhoud en reparatie. Bij de beoordeling van dergelijke abonnementen dient vanaf heden dus rekening gehouden te worden met deze nieuwe interpretatie van DNB. Partijen moeten dus mogelijk hun eerdere conclusies en adviezen op dit punt herzien.

Voor partijen die zelfstandig abonnementen voor onderhoud of reparatie aanbieden blijft de vraag of dergelijke abonnementen een verzekering zijn omdat zij niet voldoen aan het eerste criterium. Voor die partijen lijkt het dan ook verstandig om te zorgen dat dergelijk abonnementen geen onzekere schades dekken maar betrekking hebben op vooraf zo goed mogelijk omschreven diensten.

Sommige onduidelijkheden die de nieuwe interpretatie van DNB over verlengde garanties ook al kende, blijven ook hier bestaan. Zo zal niet altijd duidelijk zijn wanneer een abonnement een “ondergeschikt onderdeel” is van de koopovereenkomst. Ook voor andersoortige abonnementen dan genoemd blijft er onduidelijkheid bestaan.

ESMA Practical Guide on notifications under the Transparency Directive: handle with care

On 31 July 2019 ESMA published a new version of its Practical Guide on national rules of notification of major holdings under the Transparency Directive in the jurisdictions of the European Economic Area (excluding Liechtenstein). This is a slightly revised version of the orginal version dating back to 2017. For a copy of the latest version see ESMA Practical Guide.

The Practical Guide sets out some important aspects on notification of major holdings per jurisdiction including national notification thresholds, manner of filing, trigger events and relevant deadlines. While this Practical Guide provides helpful support in getting into the details of the notification requirements throughout the EEA, it cannot be relied on as it does not provide for a comprehensive overview of all relevant rules and may even be incorrect at some points.

Missing information

Apart from the scope of the disclosure rules and exemptions that may apply, subjects that may not be easily caught by the Practical Guide, its conciseness should not be relied on when holding potentially notifiable holdings in Dutch listed companies or companies listed in the Netherlands. Three reasons why this is the case:

Firstly, the Practical Guide only covers long disclosures. Even though this is understandable considering the scope of the Transparency Directive, shareholders should take into account that apart from the rules from the EU Short Selling Regulation (236/2012) of 14 March 2012 on net short positions, the Dutch disclosure regime referred to in the Practical Guide also applies to gross short positions. Consequently, the thresholds mentioned trigger a similar obligation to notify in case of gross short positions.

Secondly, the Practical Guide does not include any information on calculation and attribution of holdings in case other instruments than simple shares are involved or in case third parties (also) hold instruments or votes. In our experience this is often the element that is particularly discussed when questioning whether an obligation to notify exists and if so, who shall be required to notify. Examples include direct versus indirect holdings, real versus potential holdings and holdings of third parties such as subsidiairies, contractual funds, parties acting in concert and proxyholders that may have to be considered when notifying.

Thirdly, the Practical Guide indicates that intraday netting is permitted but does not discuss other common techniques or transactions such as securities lending, repos and total return equity swaps. All of these may trigger an obligation to notify.

Incorrect information

Apart from the above, certain information included in the Practical Guide is even incorrect. This is particularly true in respect of the deadline for notifying major holdings. According to the Practical Guide this has to take place “without delay”, which is correct. However, the explanation of the meaning of “without delay” in the Practical Guide is incorrect as it sets out that this shall be no later than six (6) trading days following the trigger event. This is not in line with the explanation given by the Dutch regulator (the AFM) in its Guideline for Shareholders (see AFM Guideline). The AFM explains hat the time between the trigger event and the notification shall be as short as possible. In addition, the AFM expects a shareholder that holds a critical holding (a holding that may trigger notification because of further transactions) to closely monitor the holding. Even though there is no formal legal deadline other than the “without delay” requirement and the actual deadline may depend on the circumstances of the matter, we generally advise clients that notification shall be made within two (2) trading days following the trigger event.

Apart from the above, the AFM indicates that passive crossings must be notified within four (4) business days following amendment of the details of the issued capital and outstanding votes of the company in the register kept by the AFM.

As a result, a deadline of six trading days following the trigger event as suggested by the Practical Guide may be too long for both active and passive crossings and may put a shareholder obliged to notify, at risk of being fined by the AFM for late notification.

PAS – Stappenplan projecten met stikstofdepositie

Stappenplan Stikstofdepositie sinds PAS-uitspraken

Ter toelichting:

In de kern komen de zogenaamde PAS-uitspraken van 29 mei 2019 er op neer dat niet meer gewerkt mag worden met Programma Aanpak Stikstof (PAS) en het onderliggende rekenprogramma AERIUS om individuele projecten te vergunnen of te melden. Het PAS bestond enerzijds uit een pakket aan maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen, zodat anderzijds (en gelijktijdig) nieuwe ontwikkelingen mogelijk konden worden gemaakt. Het rekenprogramma AERIUS werd gebruikt om te berekenen wat de reductiemaatregelen in bepaalde gebieden aan ontwikkelingsruimte zouden creëren, zodat nieuwe ontwikkelingen ingepast konden worden. De meldingen en vergunningen die de ontwikkelruimte invulden werden in het AERIUS-register opgenomen, zodat van de  vergunde activiteiten van de totale ontwikkelruimte een actueel beeld ontstond. Zowel de mogelijkheid om via AERIUS meldingen te doen als het AERIUS-register zijn inmiddels gesloten. De vraag rijst hoe nu om te gaan met projecten die stikstofdepositie generen.

Ad 1. Stikstofdepositie

Of een project of activiteit stikstofdepositie oplevert die effect kan hebben op een Natura 2000-gebied kan worden vastgesteld in een ecologisch onderzoek, opgesteld door een (natuur) deskundige.

Drempelwaarden

Eén van de gevolgen van de PAS-uitspraken is dat de zogenaamde drempelwaarden niet meer mogen worden toegepast. Voor activiteiten die een stikstofdepositie hadden kleiner of gelijk aan de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar gold geen meldingsplicht of vergunningplicht. Die activiteiten mochten zonder meer plaatsvinden. Voor activiteiten met een stikstofdepositie van kleiner of gelijk aan 1 mol/ha/jaar gold de mogelijkheid om op basis van de AERIUS calculator een melding te doen.

Nu de drempelwaarden zijn vervallen is dus elke (minieme) depositietoename van stikstof reden om te bezien of er een vergunningplicht geldt op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Dat geldt ook voor activiteiten die de afgelopen jaren op basis van deze drempelwaarden zijn gestart. Voor die gevallen moet alsnog toestemming worden verkregen; de melding geldt niet meer!

Rekenprogramma

Algemeen wordt aangenomen dat het rekenprogramma AERIUS, dat verplicht was onder de PAS, in de nabije toekomst weer zal kunnen worden gebruikt. Er is aangekondigd dat er vóór september een aangepaste versie van AERIUS komt en dat tot die tijd Rijk en Provincies geen toestemmingen zullen verlenen voor activiteiten met een stikstofdepositie. Voor de bepaling van depositie op korte afstand heeft de Raad van State al expliciet bepaald dat de (oude versie) niet geschikt is. Alternatieven die voor 2015 werden gebruikt zijn Aagro Stacks (stallen) en KEMA stacks (industrie) en zijn door de Raad van State eerder goedgekeurd.

Ad 2. Salderen

Intern salderen zijn aanpassingen die binnen een project of inrichting worden doorgevoerd, zodanig dat de nieuwe activiteit geen stikstofdepositie toevoegt of (door de aanpassingen) de stikstofdepositie zelfs wordt of vermindert. Het is raadzaam de saldering te verantwoorden door een onafhankelijk deskundige en vast te leggen. Hoe? Dat wordt gelijktijdig met voornoemde aangepaste versie van AERIUS op korte termijn door middel van een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen duidelijk gemaakt.

Bij extern salderen staat de bestaande stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden centraal. De nieuwe activiteit mag dan per saldo niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Om dat aan te tonen moet de nieuwe situatie worden vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie  is de laagst vergunde situatie vanaf de datum waarop artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betreffende Natura 2000-gebied. Dat is vaak 10 juni 1994 en/of 24 maart 2000 (afhankelijk van de aanwijzing van het gebied).

Er zijn een aantal voorwaarden die gelden voor extern salderen. De belangrijkste is dat er een directe samenhang moet worden aangetoond tussen de nieuwe activiteit en de oude activiteit die stopt door aan te tonen dat de milieutoestemming (veelal de omgevingsvergunning milieu) is of wordt  ingetrokken. Als de vergunning van het stoppende bedrijf niet gelijktijdig met verlening voor de nieuwe activiteit wordt ingetrokken, moet een overeenkomst tussen beide bedrijven aantonen dat de bedrijfsvoering van het ene bedrijf tijdig wordt gestopt voordat de nieuwe activiteit feitelijk van start gaat. Van belang is dat het stoppende bedrijf niet al en verwerkt was in de PAS, aangezien anders sprake zou zijn van een dubbele saldering. Het moet dus gaan om een bedrijf dat stopt of is gestopt na 1 juli 2018 én betrekking hebben op stikstofdepositie voor hetzelfde Natura 2000-gebied.

Mitigerende maatregelen

De maatregelen die genomen moeten worden om te kunnen salderen vallen onder zogenaamde mitigerende maatregelen. Mitigerende, of beschermingsmaatregelen, zijn projectspecifieke maatregelen die erop gericht zijn om ervoor te zorgen dat het project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. De Raad van State heeft vastgesteld dat mitigerende of beschermingsmaatregelen onderdeel mogen zijn van een passende beoordeling (zie hieronder), mits de verwachte voordelen (wetenschappelijk) vaststaan.

Ad 3 ADC-toets

Een ADC-toets is alleen aan de orde als in- en externe saldering nog restdepositie laat zien. Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

A. Er zijn geen Alternatieven voor de activiteiten;
D. Een Dwingende reden van groot openbaar belang moet worden aangetoond; en
C. Compenserende maatregelen moeten worden getroffen.

Algemeen wordt aangenomen dat met name de D-hobbel van Dwingende reden van groot openbaar belang moeilijk kan worden genomen.

Zeer recent heeft de Raad van State de verbreding van de Kempenbaan-West in Veldhoven goedgekeurd, waarin de ADC-toets succesvol werd toegepast. De verbreding is cruciaal geacht voor de bereikbaarheid van Veldhoven-Zuid en bedrijventerrein De Run, die op hun beurt van belang zijn voor de economie en werkgelegenheid die samenhangt met de Brainportregio Eindhoven. Van belang is verder dat deze belangen in dit geval zwaarder mochten wegen dan de aantasting van het betreffende Natura 2000-gebied, omdat de overschrijding van de  kritische depositiewaarden meer (zeer) beperkt waren.

Nog voorafgaand aan de PAS-uitspraken is de ADC-toets ook succesvol toegepast voor de Blankenburgverbinding, om te voorkomen dat een uitspraak over de PAS moest worden afgewacht. De verbinding had als doel om de gebiedsveiligheid van het Haven Industrieel Complex (HIC) nabij Rotterdam te bewerkstelligen. Omdat het HIC een uitzonderlijk hoge concentratie aan industriële inrichtingen huisvest, waarin gevaarlijke stoffen liggen opgeslagen en de incidentengevoelige A15 aantoonbaar ontoereikend was als ontsluiting, was ook hier aan  het vereiste van Dwingende reden van groot openbaar belang voldaan. Externe veiligheid mocht in dit geval zwaarder wegen  om de (extra) aantasting relatief beperkt is en wordt gecompenseerd.

Ad 4 Wnb vergunning of vvgb

Als op grond van de Passende beoordeling moet worden geconcludeerd dat de activiteit significant negatieve effecten kan veroorzaken op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura 2000-gebied, dan is een natuurvergunning vereist.

Als alternatief voor een ‘losse’ natuurvergunning geldt de zogenaamde mogelijkheid om door middel van een verklaring van geen bedenkingen van Gedeputeerde Staten ‘aan te haken’ bij een omgevingsvergunning (bouw) van Burgemeester en wethouders. In het geval er wordt ‘aangehaakt’ staat er voor tegenstanders maar één rechtsbeschermingstraject open (namelijk die tegen de omgevingsvergunning. Wordt er ‘losgekoppeld’, dan doorlopen de omgevingsvergunning en de natuurvergunning een eigen traject.

Passende beoordeling 

Een zogenaamde passende beoordeling is in feite een uitgebreid deskundigenrapport van een ecoloog waarin de effecten van de activiteit, alsmede de mitigerende maatregelen worden omschreven die tot in- en/of externe saldering leiden. Op basis van de passende beoordeling, in combinatie met de omgevingsvergunning (of bestemmingsplan) waarin de passende beoordeling wordt geborgd, moet kunnen worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied kunnen zullen optreden. Lukt dat niet, dan moet in aanvulling daarop de ADC-toets wordt doorlopen, vastgelegd in een Wnb vergunning of vvgb. Of er sprake is van een significant negatieve effecten hangt (vooral) af van de kritische depositiewaarden, die in de zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden zijn beschreven en die niet overschreden mogen worden.