Archief van Blog:

IFD/IFR: nieuwe kapitaaleisen voor beleggingsondernemingen

Foto: Mathieu Stern (Unsplash)

Op 26 juni 2021 treden de IFD/IFR in werking met daarin een nieuw regime voor kapitaaleisen. Dat is een goede reden om hiernaar te kijken als dit eerder nog niet gebeurde. Hieronder volgt een zestal redelijk simpele checks voor met name de kleinere beleggingsondernemingen.

Achtergrond

Op 27 november 2019 werden de Investment Firm Directive (IFD) en de Investment Firm Regulation (IFR) aangenomen. Met ingang van 26 juni 2021 treden de IFD en IFR in werking. De IFD moet nog wel moet worden omgezet in Nederlands recht. Het is de bedoeling dat ook dit uiterlijk op 26 juni 2021 gebeurt.

De IFD en IFR houden meer rekening met de specifieke risico’s en activiteiten van beleggingsondernemingen. Met name voor kleinere beleggingsondernemingen moet dit nieuwe regime eenvoudiger zijn. Het nieuwe regime is overigens niet van toepassing op grote, complexe beleggingsondernemingen want die blijven onderworpen aan het regime voor banken. Dat regime komt hieronder niet aan bod.

Nieuw: indeling in klassen

De eerste check is om na te gaan in welke klasse een beleggingsonderneming onder het nieuwe regime valt. Er wordt op basis van omvang en activiteiten namelijk onderscheid gemaakt tussen drie klassen beleggingsondernemingen: grote (klasse 1), middelgrote (klasse 2) en kleine (klasse 3). Voor de omvang gelden de volgende drempels:

Klein (klasse 3)Middelgroot (klasse 2)Groot (klasse 1)
Activa< €100 mio€100 mio – €5 mrd≥ €5 mrd
Omzet uit beleggingsdiensten< €30 mio≥ €30 mio
Beheerd vermogen< €1,2 mrd≥ €1,2 mrd
Transactievolume per dag< €100 mio≥ €100 mio

Hiernaast zijn de diensten en activiteiten van belang. Een beleggingsonderneming kwalificeert namelijk nooit als klein als er sprake is van handel voor eigen rekening of underwriting of als er activa van cliënten worden aangehouden (ook als dit door middel van een beleggersgiro gebeurt). Daartegenover geldt dat voor een grote beleggingsonderneming juist vereist is dat er sprake is van handel voor eigen rekening of underwriting. Dit laatste betekent overigens niet dat dergelijke activiteiten altijd leiden tot de kwalificatie groot. Als niet aan de omvangseis wordt voldaan, is er sprake van een middelgrote beleggingsonderneming.

Bij de omvangcriteria geldt dat deze in beginsel op geconsolideerde basis worden bekeken, dat beheerd vermogen ook ‘geadviseerd’ vermogen omvat en dat de drempel voor het transactievolume per dag in geval van derivaten €1 miljard bedraagt.

Het bovenstaande betekent dat vooral de kleinere vermogensbeheerders en beleggingsadviseurs tot klasse 3 zullen behoren, tenzij zij ook activa van cliënten aanhouden. Andere beleggingsondernemingen behoren waarschijnlijk tot klasse 2. Klasse 1 vormt normaal gesproken een uitzondering.

Gewijzigde kapitaaleisen

Onder het nieuwe regime geldt voor de kapitaaleisen een ‘hoogste van’-eis. Voor kleine beleggingsondernemingen is dit het hoogste van (i) het minimum eigen vermogen en (ii) de vaste kosteneis. Voor middelgrote beleggingsondernemingen is dit de hoogste van (i) het minimum eigen vermogen, (ii) de vaste kosteneis en (iii) de uitkomst van de nieuwe K-factoren.

Het minimum eigen vermogen wordt iets opgehoogd tot € 75.000 (nu € 50.000), € 150.000 (nu € 125.000) en € 750.000 (nu € 730.000), afhankelijk van de vergunning. Als de nieuwe kapitaaleisen overigens betekenen dat er meer dan twee keer zoveel kapitaal moet worden aangehouden, geldt een ingroeiregeling van vijf jaar tot 2026. Als dat niet het geval is, moet vanaf 26 juni 2021 het nieuwe bedrag aan eigen vermogen worden aangehouden. De tweede check is dus om na te gaan hoe hoog het minimum eigen vermogen onder de nieuwe regels is.

De vaste kosteneis wijzigt niet materieel en blijft 25% van de kosten over het voorgaande jaar. Er zijn inmiddels nieuwe uitvoeringsregels in concept voor de berekening van de vaste kosten die met name ingaan op de vraag wanneer kosten vast of variabel zijn. De derde check is dus om na te gaan hoe hoog de vaste kosten op basis van de nieuwe regels zijn. Als 25% hiervan meer is dan het minimum eigen vermogen, moet dit bedrag als kapitaal worden aangehouden.

Voor middelgrote beleggingsondernemingen worden de nieuwe K-factoren relevant. Dit zijn op risico gebaseerde factoren, afhankelijk van de activiteiten van de beleggingsonderneming onderverdeeld in drie categorieën: risk-to-client, risk-to-market en risk-to-firm. Zo wordt er gekeken naar beheerd vermogen als risk-to-client factor, verleende clearingmarge als risk-to-market factor en de dagelijkse transactiestroom als risk-to-firm factor. De toepasselijke K-factoren dienen als basis voor de berekening van het aan te houden kapitaal. Voor middelgrote beleggingsondernemingen betekent dit dus dat zij deze berekening moeten uitvoeren ter bepaling van het aan te houden kapitaal (er geldt immers een ‘hoogste van’-eis). Dit is dus de vierde check. Ook deze check moet deels nog worden gedaan op basis van concept-uitvoeringsregels.

Overigens zijn de K-factoren ook relevant voor kleine beleggingsondernemingen omdat de afwezigheid van bepaalde diensten en activiteiten wordt uitgedrukt in K-factoren van 0. Strikt genomen betekent dit dat ook kleine beleggingsondernemingen voor de bepaling van de klasse waarin zij vallen, de K-factoren zullen moeten berekenen.

Nieuwe liquiditeitseisen

Er komen nieuwe liquiditeitseisen. Kort gezegd moet één derde van de vaste kosten (lees: de kosten voor één maand) worden aangehouden in liquide activa zoals kasgelden, deposito’s bij een bank of bepaalde vorderingen. DNB heeft inmiddels aangegeven niet voornemens te zijn ontheffingen te verlenen van dit vereiste. Wel kan er in bijzondere omstandigheden gemotiveerd aan DNB worden verzocht om verlaging van de liquiditeitseis. De vijfde check is dus om na te gaan of er vanaf 26 juni 2021 voldoende liquiditeit in de juiste activa aanwezig is.

Niveau van toezicht

In verband met de betrokken risico’s is kapitaaltoezicht voor een belangrijk deel groepstoezicht. Dat betekent niet alleen dat diverse berekeningen (bijv. van de drempels voor de indeling in de klassen) maar ook het toezicht, grotendeels op groepsniveau plaatsvinden.

Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat het nieuwe regime de ‘beleggingsholding’ introduceert. Dit is de houdster van deelnemingen in één of meerdere beleggingsondernemingen. Een dergelijke beleggingsholding valt onder groepstoezicht van DNB. Dit betekent naast rapportage bijvoorbeeld dat het bestuur van een dergelijke beleggingsholding vooraf door DNB moet worden getoetst. DNB heeft inmiddels aangegeven verbaasd te zijn dat bij een eerste steekproef weinig beleggingsholdings zijn gemeld. DNB gaat daar verder onderzoek naar verrichten. De zesde check is dus om na te gaan of houdstermaatschappijen van beleggingsondernemingen als beleggingsholding kwalificeren. Gezien de definitie van ‘deelneming’ (lees: een belang van 20% of meer) hoeft het hierbij niet alleen om meerderheidsaandeelhouders te gaan.

Rapportage aan DNB

Omdat de nieuwe regels met ingang van 26 juni 2021 zullen gelden, wordt als eerste meetmoment het einde van Q3 2021 gekozen. Dat is voor beleggingsondernemingen dus het eerste moment waarop zij geconfronteerd kunnen worden met een rapportageplicht aan de hand van het nieuwe regime. Dat laat onverlet dat de nieuwe regels vanaf 26 juni 2021 gelden. Wachten met de bedoelde checks tot Q3 2021 is daarmee te laat.

Wat te doen?

Het bovenstaande maakt duidelijk dat er voor 26 juni 2021 diverse checks moeten worden gedaan om zeker te stellen dat vanaf dat moment aan het nieuwe regime wordt voldaan. Dit betreft (i) de klasse waarin de beleggingsonderneming valt, (ii) het minimum eigen vermogen, (iii) de (berekening van de) vaste kosten, (iv) de (berekening op basis van) eventueel toepasselijke K-factoren, (v) de aan te houden liquiditeit (en de vorm daarvan), en (vi) de mogelijke toepasselijkheid van de nieuwe regels op houdstermaatschappijen.

Onlangs maakte DNB bekend nader onderzoek te gaan doen naar de (soms gebrekkige) naleving van kapitaaleisen door beleggingsondernemingen. Zie daarvoor mijn blog van 20 april 2021. De naleving van kapitaaleisen heeft dus de onverminderde aandacht van DNB. Het ligt dan ook voor de hand dat DNB op een bepaald moment ook onderzoek zal doen naar naleving van de nieuwe kapitaaleisen. Mede daarom zijn de genoemde checks geen overbodige luxe.

DNB doet opnieuw onderzoek naar naleving kapitaaleisen door beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen

Op 19 april 2021 maakte DNB bekend dat DNB opnieuw onderzoek gaat doen naar de naleving van kapitaaleisen door beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen. Dit onderzoek is een vervolg op een eerder onderzoek uit 2019.

Onderzoek 2019

In 2019 deed DNB onderzoek naar de naleving van de kapitaaleisen door beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s. Uit dit onderzoek bleek dat niet alle onderzochte partijen de kapitaaleisen naleven. In bepaalde gevallen bleek namelijk dat niet al het kapitaal meetelt voor de berekening van het verplicht aan te houden (CET1) kapitaal. Ook benadrukte DNB naar aanleiding van dit eerdere onderzoek dat in bepaalde gevallen mededeling aan, of zelfs toestemming door, DNB is vereist en dat bepaalde statutaire bepalingen niet zijn toegestaan of juist ontbraken. Zie voor een nadere beschrijving van de uitkomsten van dit onderzoek mijn eerdere blog van 14 april 2020.

Aanvullend onderzoek 2021

Op 19 april 2021 maakte DNB bekend aanvullend onderzoek te gaan doen naar de naleving van de kapitaaleisen door kleine en middelgrote beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen. Ook dit onderzoek gaat met name over de kwaliteit van het CET1 kapitaal zoals voorgeschreven door artikel 28 CRR. Het aanvullende onderzoek richt zich op een 30-tal partijen. Concreet betekent dit dat deze partijen een enquête van DNB kunnen verwachten. Als een beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling niet tot de onderzoeksgroep van DNB behoort, betekent dit niet dat die partij geen aandacht aan de kapitaaleisen moet besteden. De kapitaaleisen gelden immers voor de hele markt, enquête of niet.

Wat te doen?

Het is aan te raden dat beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s nagaan in hoeverre de eerdere uitleg van de kapitaaleisen door DNB tot actie dwingt. Dit geldt overigens ook voor andere financiële ondernemingen die aan vergelijkbare kapitaaleisen zijn onderworpen want de door DNB gesignaleerde tekortkomingen zijn grotendeels algemeen van aard.

Te ondernemen actie valt uiteen in meerdere onderdelen. In de eerste plaats moet worden nagegaan welke kwantitatieve kapitaaleisen gelden. Anders gezegd: welk minimumbedrag aan eigen vermogen en solvabiliteit is vereist. Vervolgens moet worden bekeken in hoeverre het kapitaal uit de commerciële jaarrekening voldoet aan de kwalitatieve kapitaaleisen, om op basis daarvan te kunnen bepalen welk deel daarvan meetelt voor de berekening van de vereiste minima. Apart hiervan moeten de statuten worden aangepast als er sprake is van ongewenste of ontbrekende bepalingen. Tot slot dient kennis genomen te worden van de diverse mededelings- en toestemmingseisen.

Aangezien er nu sprake is van een aanvullend onderzoek, moeten marktpartijen er rekening mee houden dat DNB minder soepel zal zijn bij niet-naleving. Er komt immers een moment dat DNB het niet bij publicatie van onderzoeksresultaten zal laten en sancties zal opleggen. Dat moment lijkt nu naderbij te komen.

IFD en IFR

Vanaf 26 juni 2021 zal er voor de meeste beleggingsondernemingen een nieuw kapitaalregime in werking treden. Op dat moment treden namelijk de regels op grond van de nieuwe Investment Firm Directive (IFD) en Investment Firm Regulation (IFR) in werking. Hoewel dit regime diverse wijzigingen inhoudt, een verhoging van het vereiste minimumbedrag aan eigen vermogen bijvoorbeeld, sluit dit regime voor de kwalitatieve kapitaaleisen aan bij de bestaande regels uit de CRR. De bevindingen van DNB blijven dus ook na 26 juni 2021 relevant voor beleggingsondernemingen. Over de IFD en de IFR binnenkort meer.

Auteursrecht op fotografie nader uitgelegd: de verschillen tussen (wettelijke) uitzonderingen op het auteursrecht en smoesjes om maar niet te hoeven betalen

Legaltree-partner Marjolein Driessen schreef een gastblog voor de website www.reclamebeeld.nl van fotograaf Wilmar Dik, over de smoesjes die zo vaak gebruikt worden bij inbreuk op auteursrechten op foto’s. Lees het hier.

Een overeenkomst van opdracht of toch een arbeidsovereenkomst?

Een overeenkomst van opdracht of toch een arbeidsovereenkomst?

Deze vraag is een terugkerende vraag in onze praktijk en wellicht ook in uw onderneming. Vorige week heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat koeriers die voor de maaltijdbezorger Deliveroo werken, geen zelfstandigen zijn maar werknemers. Daarmee verliest Deliveroo de zaak die door FNV was aangespannen ook in hoger beroep. Het hof oordeelt na een uitvoerige motvering en afweging van omstandigheden dat er geen sprake is van serieus/zelfstandig ondernemerschap, (enkel) omdat de bezorgers een grote vrijheid hebben om te kiezen wanneer ze werken. Alle andere omstandigheden, zoals de betaling van het salaris en het uitgeoefende gezag, wijzen volgens het hof namelijk op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Over de gezagsverhouding (die er volgens Deliveroo niet was) merkt het hof onder verwijzing naar een eerder arrest van de Hoge Raad op dat bij eenvoudig werk dat overeenstemt met de ‘kernactiviteiten’ van de onderneming de gezagsverhouding volgt uit de inbedding in de organisatie. Volgens het Hof is er dus wel degelijk een gezagsverhouding tussen Deliveroo en de koeriers. Als gevolg van deze uitspraak kunnen de koeriers van Deliveroo aanspraak maken op een arbeidsovereenkomst en vallen de koeriers onder de toepasselijke cao Beroepsgoederenvervoer. Daardoor krijgen de koeriers onder meer recht op het cao-loon, doorbetaling bij ziekte en wordt ook hun wachttijd bij restaurants doorbetaald. FNV is tevreden met de beslissing omdat onder meer de hele maaltijdbezorgingssector volgens FNV onder druk staat als gevolg van het feit dat de Wet DBA die schijnzelfstandigheid aanpakt al vijf jaar niet wordt gehandhaafd door de Belastingdienst.

Geen handhaving op schijnzelfstandigheid

Het niet handhaven is het gevolg van het feit dat de wet DBA al direct na inwerkingtreding in mei 2016 onder vuur kwam te liggen. Tot 2016 was er de VAR-verklaring waarmee zelfstandigen konden bewijzen zelfstandige ondernemers te zijn. Deze werd in mei 2016 met de invoering van de wet DBA vervangen door modelovereenkomsten opgesteld door de Belastingdienst. De gedachte was, en dat is nog steeds zo, dat het opstellen van een overeenkomst van opdracht conform die modelovereenkomsten ertoe leidt dat de Belastingdienst niet kan/zal stellen dat sprake is van een zogenaamde fictieve dienstbetrekking in de zin van de Wet op de Loonbelasting. Zou de Belastingdienst wel handhaven en menen dat sprake is van een fictieve dienstbetrekking dan moet met terugwerkende kracht alsnog loonbelasting en sociale premies worden betaald, en eventueel ook een boete. Er ontstond door de wetswijziging in mei 2016 veel onzekerheid onder zowel zelfstandigen als opdrachtgevers en zzp’ers liepen door die onzekerheid bij opdrachtgevers vaker opdrachten mis.

Pilot met webmodule

Om meer zekerheid te bieden is op 11 januari 2021 gestart met een pilot van zes maanden met de zogenaamde webmodule. De webmodule is een online tool waarmee opdrachtgevers kunnen bepalen of ze voor een opdracht een zelfstandige kunnen inhuren. Het is de enige overgebleven maatregel van het in 2019 door minister Koolmees en staatssecretaris Hans Vijlbrief bedachte pakket aan maatregelen, waarmee de Wet DBA vervangen moest worden. In de zomer van 2021 wordt de webmodule geëvalueerd. Het kabinet bekijkt dan of de online tool behulpzaam genoeg is in de strijd tegen schijnzelfstandigheid. Of de webmodule uiteindelijk wordt ingevoerd, hangt ook af van de mogelijkheden voor handhaving, misbruikrisico’s en de gevolgen voor de uitvoeringsinstanties, aldus minister Koolmees. De minister schrijft dat de webmodule in de pilotfase bedoeld is als ‘voorlichtingsinstrument’. Met deze online tool kunnen opdrachtgevers en zzp’ers zich voorbereiden. De deelname is vrijwillig en de webmodule kan anoniem worden ingevuld, schrijft de minister.

De webmodule geeft drie mogelijke antwoorden:

  • De opdracht kan buiten dienstbetrekking worden verricht (bijvoorbeeld door een zzp‘er).
  • Indicatie dienstbetrekking: er zijn sterke aanwijzingen dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking.
  • Geen oordeel mogelijk: op grond van de gegeven antwoorden is niet duidelijk of er sprake is van werken buiten dienstbetrekking of van werken in dienstbetrekking.

De webmodule geeft volgens het kabinet waar mogelijk zekerheid, mits deze naar waarheid is ingevuld. Alleen bij het eerste antwoord zou een opdrachtgever met de zelfstandige op basis van een overeenkomst van opdracht kunnen contracteren, in de andere twee gevallen lijkt een arbeidsovereenkomst een verstandigere keuze.

Tijdens de pilot fase kan echter nog geen juridische status worden ontleend aan de uitkomst. Na de pilot met de webmodule beslist het kabinet wanneer de Belastingdienst gaat handhaven op schijnzelfstandigheid. Volgens de minister zal dat 1 oktober 2021 of later zijn.

In de tussentijd blijft de Belastingdienst advies geven aan ondernemers en zal de Belastingdienst niet handhaven op schijnzelfstandigheid, behalve bij ‘kwaadwillendheid’. In een aparte brief aan de Kamer meldt staatssecretaris Vijlbrief dat het afgelopen jaar geen kwaadwillend bedrijf is gevonden.

Gevolgen arrest Hoge Raad van 6 november 2020

Kort voor de start van de pilot met de webmodule verscheen een spraakmakend arrest van de Hoge Raad, waaraan wij al eerder in een nieuwsbrief aandacht hebben besteed. In dat arrest stond de vraag centraal hoe moet worden beoordeeld of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht zou moeten worden gekwalificeerd. Minister Koolmees heeft recent in een Kamerbrief gereageerd op het arrest van de Hoge Raad. In dat arrest heeft de Hoge Raad aangegeven dat de bedoeling van partijen niet van belang is bij de beoordeling of een arbeidsrelatie op basis van een arbeidsovereenkomst bestaat (de kwalificatie van de arbeidsrelatie). Beslissend volgens de Hoge Raad is of ’de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst zoals die in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. Als die rechten en verplichtingen voldoen aan de (wettelijke) beschrijving van de arbeidsovereenkomst, is per definitie sprake van een arbeidsovereenkomst, met bijbehorende rechten en plichten voor de werkgever en werknemer’.

Minister Koolmees geeft in de kamerbrief onder meer aan welke effecten dit arrest voor de webmodule en de modelovereenkomsten van de Belastingdienst heeft. Hij stelt dat het ook na dit arrest niet zo is dat de partijbedoeling in het geheel geen rol meer zou spelen in de rechtspraktijk. Er moet bij de beoordeling toch eerst worden gekeken naar welke rechten en verplichtingen partijen onderling zijn overeengekomen. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen worden meegenomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst bedoelden, maar moet ook worden gekeken naar de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en welke inhoud ze eraan hebben gegeven. Als er dan een verschil van mening is, is het aan de rechter om te beoordelen tot welke overeenkomst deze set aan rechten en verplichtingen leidt.

In de webmodule speelt de partijbedoeling al geen rol bij het bepalen of sprake is van een arbeidsrelatie. Op dit punt zijn dus geen veranderingen nodig. De modelovereenkomsten moet de Belastingdienst wel nog aanpassen aan het arrest. Door de Belastingdienst al goedgekeurde modelovereenkomsten verliezen echter niet hun werking en hoeven niet te worden aangepast.

Kortom, het blijft nog even een onzekere periode, maar ondernemingen lijken zich in ieder geval tot 1 oktober 2021 niet veel zorgen te hoeven te maken dat de Belastingdienst handhaaft, zeker niet nu er in het afgelopen jaar geen kwaadwillende ondernemingen zijn gevonden. Wel zullen ondernemingen er verstandig aan doen om overeenkomsten van opdracht op te stellen conform de door de Belastingdienst aan te passen modelovereenkomsten. Wij zullen u informeren zodra die aanpassingen zijn doorgevoerd.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Auteursrecht: mag je al die mooie schaatsfoto’s en oudhollandse winterplaatjes zomaar gebruiken en delen?

In hoeverre mag je foto’s hergebruiken?

Foto: Marjolein Driessen / vrij te gebruiken

Afgelopen week (7 – 14 februari 2021) veranderde Nederland in een fantastisch winterlandschap. Er werd volop gesleed en na een aantal dagen en nachten strenge vorst, ook volop geschaatst. Het leverde ontelbare mooie plaatjes op. Van winterse landschappen, schaatsen op natuurijs, molens op de achtergrond tot vogels in de sneeuw, peuters voor het eerst op het ijs en mooie zonsopkomsten.

De gemaakte foto’s worden door Jan en alleman gedeeld en gebruikt. Het retweeten op Twitter van een foto of het delen op andere sociale mediakanalen is natuurlijk zonder probleem, op voorwaarde dat de maker/rechthebbende die foto daar heeft geplaatst of toestemming heeft gegeven om dat te doen (en daarmee volgens de algemene voorwaarde van bijvoorbeeld Twitter dus automatisch toestemming geeft de foto op dat specifieke medium verder te verspreiden). Maar wat wel een probleem is, is dat zo’n foto op internet vaak een geheel eigen leven gaat leiden. Te pas en te onpas wordt zo’n foto gebruikt en steeds meer zonder überhaupt nog te vermelden wie de maker is. Dat valt (gelukkig) menigeen op, zie bijvoorbeeld deze reactie op Twitter:

Dat dat bij ‘onwetend Nederland’ gebeurt, is zeker ook niet okay, maar nog tot daar aan toe. Wat een groter probleem is, is dat ook bedrijven en bijvoorbeeld nieuwszenders nog (te) vaak de fout begaan om dit soort foto’s gewoon maar te gebruiken op hun eigen materiaal/websites en in nieuwsitems.

Zoals ik in een eerder blog al schreef, lijkt niemand zich meer echt af te vragen of het knippen en plakken van zo’n foto wel is toegestaan. Het is immers een fluitje van een cent. Aan auteursrecht wordt vaak niet gedacht – of er worden verkeerde aannames gedaan, zie hieronder – laat staan aan het risico dat daarvoor op enig moment betaald moet gaan worden. Maar het overgrote deel van de foto’s is beschermd door het auteursrecht en die kun je vaak dus niet zonder toestemming gebruiken (lees: kopiëren en/of publiceren). Voor een uitgebreidere uitleg over het auteursrecht verwijs ik onder andere naar dit eerdere blog. Ik leg hieronder uit hoe het specifiek zit met auteursrecht op foto’s.

Mag je foto’s van anderen zomaar gebruiken?

Foto’s worden in verreweg de meeste gevallen als creatief, oorspronkelijk werk gezien waarbij de fotograaf persoonlijke keuzes heeft gemaakt. Bijvoorbeeld voor wat betreft het onderwerp van de foto, welke sfeer een foto uit moet stralen, de compositie, de hoek van waaruit de foto wordt gemaakt, de belichting, het diafragma en de sluitertijd. Daarnaast maakt een fotograaf vaak in de nabewerking allerlei creatieve keuzes. Dat maakt dat foto’s in verreweg de meeste gevallen beschermd zijn door het auteursrecht en dat de rechthebbende, vaak de fotograaf, anderen kan beletten zijn of haar foto’s zonder toestemming te gebruiken. Wordt zo’n foto toch zonder toestemming gebruikt, dan zal daar een vergoeding tegenover moeten staan. Géén boete – zoals vaak gedacht wordt – maar de reële geleden schade moet vergoed worden. Die bestaat bij professionele fotografen vaak uit een licentievergoeding die de fotograaf zou hebben gekregen als wel netjes om toestemming is gevraagd. En daarnaast een extra vergoeding als de naam van de fotograaf/bron niet vermeld is of als de foto bewerkt is door de inbreukmaker. In dat soort gevallen zijn namelijk (ook) de persoonlijkheidsrechten van de fotograaf geschonden. Als er geen reguliere licentietarieven zijn voor de desbetreffende foto waarmee de schade kan worden bepaald, wordt vaak aangesloten bij de tarieven van Stichting FotoAnoniem.

Niet elke foto levert een auteursrechtelijk beschermd werk op

Niet elke foto is een creatief werk. De rechtbank Amsterdam oordeelde eerder over een serie vrij alledaagse, banale foto’s dat die niet auteursrechtelijk beschermd zijn (die uitspraak leidde overigens wel tot behoorlijk wat kritiek). Zo heb je ook tal van banale foto’s van bepaalde gebouwen of plekken op de wereld die al zo vaak op dezelfde wijze gefotografeerd zijn dat er van een oorspronkelijke foto geen sprake meer is. Dat geldt bijvoorbeeld voor de meeste foto’s van de Eiffeltoren. Maar let op: ook van zo’n bekend bouwwerk kunnen nog steeds foto’s worden gemaakt waarin wél creatieve keuzes zijn gemaakt en die dus beschermd zijn.

Ook foto’s die een volledig natuurgetrouwe weergave zijn van het gefotografeerde onderwerp, zullen vaak niet auteursrechtelijk beschermd zijn. Van een creatief werk is dan geen sprake meer. Daarmee bedoel ik niet de foto’s die worden gemaakt van een natuurlandschap of bijvoorbeeld een molen; daarbij zullen namelijk vaak juist hele creatieve keuzes worden gemaakt. Maar dit is vaak anders bij productfotografie. Voor een voorbeeld, zie hier. Het product moet zo duidelijk mogelijk, op een technisch perfecte wijze worden gepresenteerd, veelal tegen een volstrekt neutrale (witte) achtergrond zodat de consument zo’n product op zo goed mogelijke wijze kan bekijken. Het maken van zo’n foto kost wellicht een hoop tijd en energie (en dus ook geld), maar van creatieve keuzes is geen sprake. Van een auteursrechtelijk beschermde foto dus ook niet.

Regelmatig krijg ik vragen van makers van dergelijke foto’s die erachter komen dat een ander bedrijf die ook gebruikt. De vraag is dan of ze er iets tegen kunnen doen. Het voelt onrechtvaardig, maar meestal is het antwoord: nee.

Gebruik zonder toestemming maker/rechthebbende mag niet…

Het uitgangspunt is: de maker/rechthebbende van een auteursrechtelijk beschermd werk, zoals een foto, heeft een exclusief recht. Hij/zij mag bepalen of een ander zo’n foto mag gebruiken (‘verveelvoudigen/publiceren’) en zo ja, onder welke voorwaarden. Maar gebruik zonder toestemming leidt niet altijd, automatisch tot inbreuk op het auteursrecht. Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel.

…tenzij…

Niet al het gebruik van andermans foto levert een inbreuk op. Er zijn uitzonderingen die wettelijk zijn vastgelegd. En dan heb ik het niet over veelgehoorde smoesjes als:

  • ‘Ik wist niet dat het niet mocht’
  • ‘De foto staat gewoon op internet en kan zo worden gebruikt’
  • ‘Iedereen gebruikt die foto’
  • ‘Dan had er maar een watermerk in moeten staan’.

Dit – en nog tal van andere – zijn allemaal excuses die niet relevant zijn. Voor gebruik van het werk van een ander dat auteursrechtelijk beschermd is, heb je in de regel toestemming nodig. Het maakt niet uit of je ‘te goeder trouw’ bent of dat je de foto niet zou hebben gebruikt als je ervoor had moeten betalen. Ook maakt het niet uit of je de foto maar even hebt gebruikt of maar heel weinig of zelfs geen geld verdient met, bijvoorbeeld, je website. Geen toestemming betekent in principe inbreuk en dat betekent dat je de geleden schade moet vergoeden. De belangrijkste uitzonderingen op die vereiste toestemming zijn:

1. Uitzondering auteursrecht: gebruik via sociale media

Als de fotograaf een foto op sociale media plaatst, gaat hij/zij er mee akkoord dat anderen die foto delen, let wel: op datzelfde medium. Dit is uitdrukkelijk géén vrijbrief om de foto elders te plaatsen. Zo kwam ik afgelopen weekend schaats-/winterfoto’s die op Twitter waren gedeeld tegen op LinkedIn en vice versa (en voor zover ik kon nagaan, betrof het foto’s die maar op een van die mediums waren gedeeld).

2. Uitzondering auteursrecht: gebruik van foto’s als citaat

Soms wordt een foto gebruikt als citaat. Dat kan, als er bijvoorbeeld een artikel wordt geschreven waarbij een foto wordt geplaatst die onderwerp van het artikel is of die dient ter verduidelijking van de tekst. Er mag uitdrukkelijk géén sprake zijn van versiering. En dat is vaak wel het geval waar het gaat om gebruik van beeldmateriaal zoals foto’s. Voor een geldig citaat is bovendien vereist dat de bron/naam van de fotograaf vermeld wordt, waar dat mogelijk is. Ook dat wordt vaak ‘vergeten’ zodat van een geldig citaat geen sprake is, en er toch moet worden betaald.

3. Uitzondering auteursrecht: privékopie

Als je een foto kopieert en gebruikt – bijvoorbeeld aan de muur in je woonkamer hangt – heb je geen toestemming nodig van de fotograaf en hoef je ook geen vergoeding te betalen. Maar: alléén als het voor eigen/privégebruik is. Plaatsen op een website, sociale media e.d. of downloaden en sturen naar de buurvrouw mag dus niet zonder toestemming.

4. Uitzondering auteursrecht: hyperlinken en embedden

Er is niets mis met het delen van een foto door het aanbrengen van een hyperlink of embedded link. Daar heb je geen toestemming voor nodig. In beginsel. Als je namelijk weet of zou moeten weten dat een foto niet eerder openbaar is gemaakt met toestemming van de rechthebbende of als de foto wel openbaar is gemaakt maar voor een beperkte groep (zoals abonnees) en je voor het elders publiceren dus bepaalde beperkingsmaatregelen moet omzeilen, gaat die vlieger niet op. Dan levert het plaatsen van zo’n link in beginsel inbreuk op het auteursrecht op. Is het vreemd dat het embedden van een foto in principe mag? Juridisch/technisch gezien misschien niet, maar naar mijn mening blijft het een gekunstelde constructie. Zie dit eerdere blog.

Er is nog een andere vermeldenswaardige uitzondering op de hoofdregel ‘geen toestemming = inbreuk’. Namelijk onder voorwaarden, als er sprake is van een overname van materiaal door de pers, uit de pers (de zogeheten ‘persexceptie’). Maar: dat geldt niet voor foto’s en ander beeldmateriaal (tenzij het gaat om een televisieprogramma). De uitzondering ‘overname door de pers in de pers’ geldt dus alleen maar voor tekst.

Conclusie

De conclusie is dus: kijk uit met het zomaar kopiëren en hergebruiken van foto’s van anderen, ook als er geen watermerk in de foto staat en ‘iedereen’ het doet. Je ontneemt fotografen hun broodwinning. En nee, fotografen hoeven het knippen en plakken van hun foto’s ook niet te zien als een mooi compliment, zoals ook vaak wordt gedacht (door copycats). Er zijn veel betere manieren om een fotograaf credits te geven. Vrij hergebruiken bestaat eigenlijk niet (tenzij een van de beschreven uitzonderingen zich voordoet). Een fiets die niet op slot staat, mag je toch ook niet zomaar meenemen?

 


In de praktische handboeken voor ondernemers ‘IE in Bedrijf’ lees je alles over merken en inbreuk, met tal van voorbeelden uit de praktijk. In de laatste twee delen (5 en 6), IE in Bedrijf – Online en IE in Bedrijf – Inbreuk op IE-rechten, wordt uitgebreid ingegaan op het inbreukmakend gebruik van foto’s en andere content, wat fotografen en rechthebbenden daaraan kunnen doen, maar ook hoe je je als aangesproken partij kunt verweren tegen claims. De serie is te koop bij de reguliere en online boekhandels (bijvoorbeeld: managementboek.nl) zowel in hard cover als eBook. Kijk voor een (gratis) te downloaden inkijkexemplaar op de website IE in Bedrijf.

 

SFDR-eisen over duurzaamheid – nog één maand te gaan en nieuwe RTS

Foto: Michelle Henderson (Unsplash)

Deze blogserie besteedt aandacht aan de nieuwe regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen. Deze regels zijn opgenomen in de SFDR en gaan gelden vanaf 10 maart 2021. De SFDR wordt onder andere van toepassing op beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders, levensverzekeraars, pensioenfondsen en bepaalde financiële adviseurs. Hierbij een laatste update voor inwerkingtreding met nieuwe informatie over de RTS.

Stand van zaken

De SFDR wordt van toepassing op 10 maart 2021 ondanks de bezwaren uit de financiële sector. Er zal geen sprake zijn van uitstel. De hoofdregels uit de SFDR zullen over een maand gewoon gaan gelden en moeten vanaf dat moment worden nageleefd door de financiële ondernemingen die onder de SFDR vallen.

De ESA’s (EBA, ESMA en EIOPA) hebben de Commissie vorige maand om uitleg gevraagd vanwege onduidelijkheid op een aantal punten (de priority issues). Dit betrof de toepasselijkheid van de SFDR op kleine (geregistreerde) beheerders van beleggingsinstellingen en niet-EU beheerders, de wijze van berekening van de 500-werknemergrens in verband met de principle adverse impact statement, de vraag wanneer sprake is van ‘promoten’ van artikel 8-producten en de uitwerking van de regels bij artikel 9-producten en vermogensbeheerportfolio’s. Het is te hopen dat de Commissie voor 10 maart 2021 antwoord geeft. Zelf denk ik overigens dat de SFDR niet van toepassing zou moeten zijn op kleine beheerders, maar wel op niet-EU beheerders.

RTS

Vorige week hebben de ESA’s daarnaast nieuwe concept-uitvoeringsregels of regulatory technical standards (RTS) aan de Commissie gezonden. Deze nieuwe concept-RTS zijn opgesteld na een uitgebreide consultatie vorig jaar, dus het valt te verwachten dat de Commissie de definitieve RTS in deze vorm vaststelt.

Ter herinnering, de RTS bevatten gedetailleerde voorschriften ter uitwerking van de SFDR op een aantal punten zoals het do not significantly harm-principe, de principle adverse impact statement en de informatievereisten voor artikel 8-producten en artikel 9-producten.

In vergelijking met de vorige concept-RTS valt onder andere het volgende op:

  • Het aantal artikelen is uitgebreid ook al zijn sommige artikelen geschrapt. Dit komt met name doordat de eisen voor artikel 8-producten en artikel 9-producten over meer artikelen zijn verspreid.
  • De verplichtingen zijn grotendeels hetzelfde gebleven.
  • Sommige onderdelen zijn geschrapt, zoals de eis om in de principle adverse impact statement op te nemen welke herstelacties worden genomen en de eis om in de precontractuele informatie het gebruik van derivaten toe te lichten.
  • De annexen bij de RTS zijn nu volledig ingevuld.
  • De lijst met verplichte indicatoren voor de principle adverse impact statement is teruggebracht van 32 tot 14. De lijsten met additionele indicatoren zijn daarentegen uitgebreid van 11 naar 16 (klimaat; E) en van 7 naar 17 (sociaal en governance; E en G).
  • De termijn voor historische vergelijkingen van informatie is verkort van tien naar vijf jaar.
  • De templates voor precontractuele en periodieke informatie voor artikel 8-producten en artikel 9-producten blijven generiek van aard en zullen dus niet productspecifiek worden gemaakt (ook al erkennen de ESA’s dat dit niet ideaal is).

De ESA’s herhalen dat een aantal gewenste wijzigingen niet mogelijk is omdat dit in strijd zou zijn met de SFDR. Dit betreft onder andere verdere duidelijkheid in de RTS over artikel 8-producten en artikel 9-producten (vandaar ook de gevraagde uitleg over de priority issues) en een andere behandeling van transparantie over producten met slechts één klant (zoals vermogensbeheermandaten). Dergelijke verzoeken zijn dus niet ingewilligd.

De ESA’s suggereren dat de RTS op 1 januari 2022 van toepassing worden. Ten opzichte van de oorspronkelijke inwerking tegelijk met de SFDR, betekent dit een uitstel van tien maanden.

Resumerend

De SFDR is vanaf 10 maart 2021 van toepassing. Vanaf dat moment moeten financiële ondernemingen in beginsel hun beleggings(advies)beleid, hun beloningsbeleid en eventueel hun due diligencebeleid aanpassen en daarover verklaringen op hun websites opnemen. Ook moeten zij de precontractuele informatie van beleggingsproducten nalopen. In geval van duurzame producten moeten financiële ondernemingen de duurzaamheid van deze producten nader onderbouwen, bij gebreke waarvan deze producten vanaf 10 maart 2021 niet meer als duurzaam mogen worden verkocht. Dit alles geldt ook al voordat de RTS van toepassing zijn. De concept-RTS kunnen overigens worden gebruikt om alvast nadere invulling te geven aan bepaalde informatie die financiële ondernemingen op grond van de SFDR vanaf 10 maart 2021 moeten verstrekken. Het lijkt er tot slot op dat financiële ondernemingen vanaf 1 januari 2022 ook aan de gedetailleerde voorschriften uit de RTS moeten voldoen, dus heel veel extra tijd is er op dat punt niet.

Brexit: wat gebeurt er nu met EU-contracten, EU-merken en EU-modellen? – deel II

Lees hier drie van de belangrijkste gevolgen van Brexit voor EU-contracten en EU-merken/-modellen.

Foto: Rocco Dipoppa via Unsplash

Een EU-merk en een EU-model geven de houder daarvan rechten voor alle landen van de Europese Unie. Met zo’n merk of model kun je anderen verbieden een vergelijkbaar merk of model te gebruiken, in álle landen van de EU. Zelfs als je als houder dat merk of model niet eens gebruikt in een bepaald EU-land. Bestaande EU-merk- en modelregistraties breiden zich automatisch uit tot nieuw toetredende landen. Niet eerder hebben we de situatie gehad dat een land uit de EU stapt.

Toen ruim 4 jaar geleden bekend werd dat het Verenigd Koninkrijk (‘UK’) de EU zou verlaten, leek dat voor de meesten nog een ‘ver van je bed show’, maar wel een met tal van onzekerheden en onduidelijkheden. Zie hierover het eerdere blog over de gevolgen van Brexit voor EU-merken en -modellen en de belangrijkste vragen. De onderhandelingen over een handelsakkoord zijn nog steeds gaande, maar de deadline van 1 januari 2021 – het einde van de transitieperiode: tot dat moment zijn de Britten nog gebonden aan de EU-regels – komt snel dichterbij. Of er nu een harde, no-deal Brexit volgt of niet, er zal hoe dan ook op allerlei vlakken veel gaan veranderen, óók op het gebied van het (EU-)merken- en modellenrecht.

Wat zijn de gevolgen van Brexit voor EU-contracten en EU-merken en -modellen? Ik bespreek hieronder de allerbelangrijkste:

  1. EU-merk/EU-model → automatische splitsing
    EU-merken en EU-modellen die vóór 1 januari 2021 zijn geregistreerd, worden automatisch gesplitst in een EU-merk/-model en een UK-merk/-model. Merk- en modelhouders hoeven dus geen nieuwe merk- of modelregistratie aan te vragen voor het UK als ze daar bescherming willen. Maar: als de registratie nog niet definitief is, gaat deze splitsing niet automatisch. In dat geval moet worden verzocht om het merk ook te registreren in het UK. Dat kan tot 1 september 2021 en daarvoor zijn extra kosten van toepassing. Bent u houder van een EU-merk of een EU-model? Bepaal dan (tijdig) of uw rechten zich uit (blijven) strekken tot het UK en neem de nodige maatregelen. Bij licenties die zijn ingeschreven in het EU-register geldt overigens dat die niet automatisch worden omgezet in een EU-licentie en een UK-licentie. De registratie voor het UK zal dus opnieuw moeten worden aangevraagd bij het Intellectual Property Office in het UK. Dat geldt ook voor andere (zekerheids)rechten zoals pandrechten.
  2. Contracten voor de EU → checken en wijzigen
    Voor veel bedrijven is van groot belang dat contracten met Engelse contractspartners en/of waarin bepalingen staan die zich uitstrekken tot de hele EU en/of die gaan over een EU-merk of EU-model, worden gecheckt en zo nodig worden heronderhandeld en aangepast. Bij licentiecontracten bijvoorbeeld, waarbij een licentie is gegeven voor het gebruik van een EU-merk, moet worden nagegaan en eventueel heronderhandeld wat de situatie is na 1 januari 2021: geldt die licentie dan nog steeds ook voor het UK of valt het UK daarbuiten?
  3. Is een gerechtelijk EU-verbod geldig in het UK?
    EU-merkhouders en EU-modelhouders die vóór 1 januari 2021 een procedure zijn gestart bij een EU-rechter die – voor die datum – een beslissing heeft genomen, dan blijft die beslissing in stand, ook voor het UK. Procedures die voor 1 januari 2021 zijn gestart, maar waarbij nog géén beslissing is genomen, zullen niet meer in het UK ten uitvoer kunnen worden gelegd. In het verlengde hiervan geldt dat UK-rechters géén beslissing meer kunnen nemen in zaken waarin een EU-merk of EU-model onderwerp van geschil is. Beslissingen van UK-rechters die zijn genomen vóór 1 januari 2021 kunnen nog steeds ten uitvoer worden gelegd in de EU.

Belangrijke consequenties dus voor alle houders van EU-merken en EU-modellen en in het algemeen voor alle bedrijven die te maken hebben met contracten die zich uitstrekken tot ‘de EU’: vanaf 1 januari 2021 is de reikwijdte mogelijk anders/beperkter (lees ook deze informatie van het EUIPO). Check die contracten dus goed.

Vragen hierover?

Bel of mail ons gerust.

Aanpassing NOW 3.0

Deze week kondigde Minister Koolmees van SZW aan dat de subsidie onder NOW 3.0 in het eerste kwartaal van 2021 niet wordt afgebouwd. Dit houdt onder meer in dat de werkgever maximaal 80% van de loonsom vergoed kan krijgen in plaats van 70%. Daarnaast blijft de loonsomvrijstelling gelijk aan 10% (in plaats van 15%). Als de loonsom daalt tot maximaal 10%, heeft dit dus ook in het tweede tijdvak geen gevolgen voor de hoogte van het subsidiebedrag. Tot slot wordt het minimale omzetverlies om voor de NOW in aanmerking te komen in het tweede tijdvak niet verhoogd naar 30%. Dit blijft 20%. We zullen moeten afwachten of de eerder door de Minister genoemde percentages voor het derde tijdvak van NOW 3.0 niettemin ongewijzigd blijven.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

SFDR-eisen over duurzaamheid voor de pensioenindustrie

Foto: Michelle Henderson (Unsplash)

Zoals al eerder aangekondigd in deze serie, gelden als gevolg van de SFDR vanaf 10 maart 2021 extra regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen. Die regels gelden ook voor de pensioenindustrie.

Wanneer vallen pensioenfondsen en pensioenproducten eronder?

De Europese SFDR Verordening (2019/2088) is van toepassing op pensioenfondsen, ontwikkelaars van pensioenproducten en aanbieders van zogeheten pan-Europese persoonlijke pensioenproducten (hierna: pensioenaanbieders). Pensioenaanbieders worden voor het doel van de SFDR in feite gelijkgesteld met aanbieders van beleggingsproducten. Eerder in deze serie kwam al aan bod dat de SFDR ook van toepassing is op verzekeraars die verzekeringen met een beleggingscomponent aanbieden. Hiermee kan worden gesteld dat de meeste tweedepijler en derdepijler pensioenproducten onder de SFDR vallen.

Andere belangrijke spelers zoals vermogensbeheerders en beleggingsfondsen, vallen zelf ook onder de SFDR. Pensioenaanbieders kunnen voor de beoogde transparantie daarmee deels vertrouwen op de informatie die zij van hun toeleveranciers krijgen.

Belangrijk is tot slot dat, in tegenstelling tot verzekeringsadviseurs, pensioenadviseurs niet onder de SFDR vallen.

Wat is er nieuw?

De SFDR verplicht tot nadere transparantie over duurzaamheid. De regels gelden voor partijen in het algemeen en voor individuele financiële producten in het bijzonder. In het kort:

  1. Beleid: pensioenaanbieders moeten hun beleggingsbeleid, hun beloningsbeleid en eventueel hun due diligencebeleid herzien.
  2. Precontractuele informatie: pensioenaanbieders moeten hun precontractuele informatie herzien.
  3. Duurzame producten: pensioenaanbieders die duurzame pensioenen aanbieden, moeten nadere precontractuele en periodieke informatie verstrekken.

Deze regels gelden ongeacht bestaande regels en zelfregulering, zoals het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen. Dat betekent dat hoewel een pensioenaanbieder op dit moment aan alle regels voldoet, er mogelijk toch wijzigingen vereist zijn, met name vanwege het verstrekkende karakter van de SFDR.

Wat te doen?

Beleggingsbeleid

Het beleggingsbeleid van pensioenaanbieders moet rekening houden met duurzaamheidsrisico’s, dat wil zeggen gebeurtenissen op ESG-gebied die een materieel negatief resultaat op de waarde van de pensioenbeleggingen kunnen hebben. Deze risico’s, zoals het risico van waardeverlies door temperatuurstijging op aarde, moeten in beginsel meewegen in het beleggingsbeleid. Een herziening van dit beleid is daarmee mogelijk vereist, ook al hebben de meeste pensioenaanbieders deze duurzaamheidsrisico’s vermoedelijk al lang in hun beleggingsbeleid verdiscontreerd. Het aangepaste beleid, of een beschrijving daarvan, moet worden gepubliceerd op de website van de pensioenaanbieder.

Due diligencebeleid

Als een pensioenaanbieder ook de belangrijke (niet-financiële) negatieve effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking neemt, moet de pensioenaanbieder een verklaring over het due diligencebeleid op zijn website publiceren. Dit gaat verder dan aanpassing van het beleggingsbeleid omdat in dit geval ook rekening moet worden gehouden met niet-financiële gevolgen van beleggingsbeslissingen, zoals bijvoorbeeld de gevolgen van bepaalde beleggingen voor het milieu. Op zich hebben kleine en middelgrote partijen op grond van de SFDR de mogelijkheid om deze transparantie niet te verschaffen. Aangezien nagenoeg alle pensioenaanbieders al een ESG- of MVB-beleid hebben, lijkt het echter onaannemelijk dat pensioenaanbieders gebruik kunnen maken van deze mogelijkheid. Dat zou namelijk betekenen dat een pensioenaanbieder deze negatieve effecten in het geheel niet (meer) verdisconteert en dat zal niet snel het geval zijn. Belangrijk bij deze verplichting is dat er alleen sprake kan zijn van volledige naleving of in het geheel geen naleving; een middenweg is er niet. Op dit punt zullen op termijn overigens ook nadere gedetailleerde regels gaan gelden, maar die zijn nog niet definitief.

Beloningsbeleid

Het beloningsbeleid van pensioenaanbieders moet eveneens rekening houden met duurzaamheidsrisico’s. Dit betekent dat de (variabele) beloning van het personeel van pensioenaanbieders mede wordt gebaseerd op prestaties op het gebied van duurzaamheid. Op de website van pensioenaanbieders moet worden uitgelegd hoe het beloningsbeleid duurzaamheidsrisico’s integreert. Een verklarende beschrijving lijkt ook hier voldoende. Interessante vraag in dit verband is overigens of een pensioenfonds de aangepaste beginselen van het beloningsbeleid op grond van de uitbestedingsregels dan ook van toepassing moet verklaren op haar (materiële) dienstverleners.

Precontractuele informatie over pensioenen

Een pensioenaanbieder moet mogelijk ook de precontractuele informatie over de pensioenen aanpassen. Daarin moet namelijk worden beschreven op welke manier bij het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s en wat dit voor gevolgen heeft voor het rendement. Ook hier geldt dat de SFDR de mogelijkheid biedt om uit te leggen dat duurzaamheidsrisico’s niet relevant worden geacht, maar het is de vraag of pensioenaanbieders met een bestaand ESG- of MVB-beleid die keuze kunnen maken. Met name op dit punt past een Nederlands pensioenproduct minder goed in de opzet van de SFDR. De gedachte achter deze precontractuele informatie is immers dat een belegger vooraf kan lezen hoe er wordt omgegaan met duurzaamheidsrisico’s en zijn keuze daar mede op kan baseren. Behoudens bij individuele pensioenproducten waarbij de afnemer de beleggingen kan beïnvloeden, heeft inzage vooraf voor de gemiddelde deelnemer echter geen nut omdat de deelnemer de pensioenbeleggingen niet kan beïnvloeden.

Duurzame pensioenen?

In het uitzonderlijke geval dat een pensioenproduct zou kwalificeren als duurzaam omdat het pensioenproduct ESG-factoren promoot of een duurzaam doel heeft, moeten nadere regels over duurzaamheid worden nageleefd. In dat geval moet de pensioenaanbieder nadere informatie over het duurzame kernmerk of doel van het pensioenproduct in de precontractuele en periodieke informatie opnemen. De pensioenaanbieder moet dan onderbouwen hoe het pensioenproduct voldoet aan de diverse eisen voor duurzame producten. Deze informatie moet ook op de website van de pensioenaanbieder worden opgenomen. De kans dat een pensioenproduct als duurzaam of groen kwalificeert lijkt niet al te groot omdat pensioenen normaal gesproken niet als groen of duurzaam in de markt worden gezet. Van belang is dan ook met name dat pensioenaanbieders nagaan dat pensioenproducten niet ten onrechte een groen of duurzaam label voeren. Dat mag vanaf 10 maart 2021 namelijk niet meer als niet aan de eisen uit de SFDR kan worden voldaan.

Wanneer moet dit gereed zijn?

De SFDR is vanaf 10 maart 2021 van toepassing. Vanaf die datum moeten pensioenfondsen voldoen aan nagenoeg alle nieuwe regels uit de SFDR. Er is de afgelopen tijd discussie geweest over deze datum. Dat heeft ertoe geleid dat de nadere regels ter uitvoering van de SFDR pas later in werking zullen treden. De meeste regels uit de SFDR zelf zijn echter met ingang van 10 maart 2021 onverkort van toepassing. De pensioenindustrie heeft dus nog drie maanden de tijd om na te gaan of er nog wijzigingen moeten worden doorgevoerd. Mocht dat niet op tijd zijn gebeurd, dan moet rekening worden gehouden met eventueel door de AFM op te leggen sancties, zoals boetes en dwangsommen. De AFM zal namelijk als bevoegde autoriteit worden aangewezen.

Corona(tucht)klachten?

Terwijl gezondheidsrechtelijk Nederland de adem inhoudt in afwachting van mogelijke schadeclaims en/of tuchtklachten verband houdende met langere wachttijden en gesloten afdelingen vanwege het Covid-19-virus, heeft het Centraal Medisch Tuchtcollege (Centraal Tuchtcollege) op 4 december 2020 een eerste uitspraak gedaan die haar oorsprong vindt in de coronacrisis.

Het Regionaal Tuchtcollege

De aangeklaagde zorgverlener was internist. Hij was en is werkzaam als directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM en tevens voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT). Zoals wij de afgelopen maanden hebben geleerd, stelt het OMT adviezen op aan de overheid over de risico’s en de te nemen maatregelen ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus.

De klager was een individuele klager. Hij gaf aan de klacht “namens alle slachtoffers van Nederland qua gezondheid, levensverwachting en financiële schade” te hebben ingediend. De klacht hield in dat de aangeklaagde internist de Nederlandse regering niet heeft geadviseerd de lockdown op te heffen. Volgens klager had hij dit moeten doen toen duidelijk werd dat daardoor meer levensjaren verloren zouden gaan dan er gewonnen zouden worden. Klager stelde dat de lockdown een negatieve invloed heeft gehad op de kwaliteit van het leven van 17 miljoen Nederlanders die twee maanden opgesloten hebben gezeten.

De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in zijn klacht niet-ontvankelijk geacht omdat klager niet behoort tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in art. 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De voorzitter oordeelde dat het feit dat klager het klaarblijkelijk niet eens was met de advisering van het RIVM niet kon worden gezien als een bijzonder eigen belang in het kader van de individuele gezondheidszorg. Klager was dus geen rechtstreeks belanghebbende.

Het Centraal Tuchtcollege

Klager is tegen deze beslissing in beroep gegaan. In beroep heeft hij betoogd dat de klacht inhoudelijk dient te worden beoordeeld en alsnog gegrond moet worden verklaard.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat tussen de klager en de internist geen sprake was van een individuele arts-patiëntrelatie omdat de klacht betrof het handelen van de internist in zijn hoedanigheid van voorzitter van het OMT. Dit brengt met zich dat de eerste tuchtnorm zoals neergelegd in art. 47 lid 1 van de Wet BIG niet van toepassing is.

Vervolgens beoordeelde het Centraal Tuchtcollege de vraag of hier sprake is geweest van handelen in strijd met art. 47 lid 2 BW van de Wet BIG. Het criterium luidt dat sprake moet zijn van enig ander handelen of nalaten in de hoedanigheid van zorgverlener die in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Klager viste ook bij het Centraal Tuchtcollege achter het net.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat de door het OMT uitgebrachte adviezen niet zozeer betrekking hebben op de individuele gezondheidszorg als wel op de publieke gezondheidszorg. Immers zien de adviezen van het OMT op gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit. Van individuele maatregelen is geen sprake geweest zodat het handelen van de aangeklaagde internist niet valt onder de reikwijdte van het tuchtrecht. Klager is door het Regionaal Tuchtcollege terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus het Centraal Tuchtcollege.

Beide colleges komen aldus via een andere route tot hetzelfde oordeel.