Conclusie AG inzake Azevedo/CED C-558/15: verdere uitbreiding reikwijdte bevoegdheden van de schaderegelaar bij internationale verkeersongevallen

Bij internationale verkeersongevallen in Europa kan het slachtoffer ervoor kiezen om bij terugkeer in eigen land de vertegenwoordiger van de buitenlandse verzekeraar van de aansprakelijke partij te verzoeken om de schade te regelen.

In het geval een procedure gestart moet worden, kan het slachtoffer ervoor kiezen om in eigen land een procedure te starten tegen de buitenlandse verzekeraar. De dagvaarding kan hij betekenen op het kantoor van de vertegenwoordiger. Zie hiervoor ook het arrest van het Europese Hof van Justitie van 10 oktober 2013 (Spedition Welter/Avanssur C-306/12).

Aangenomen werd dat het niet mogelijk is om de vertegenwoordiger zelf in rechte te betrekken. Hier zou binnenkort wel eens verandering in kunnen komen.

Op 19 oktober 2016 heeft de Advocaat-Generaal bij het Europese Hof van Justitie in de zaak Azevedo/CED Portugal Unipessoal Lda e.a. C-558/15 een conclusie genomen. Daarin geeft hij aan van mening te zijn dat artikel 4 lid 5 van richtlijn 2000/26 (de Vierde Richtlijn Motorrijtuigenverzekering, ook wel: ‘de WAM richtlijn’) aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘voldoende bevoegdheden’ waarover de schaderegelaar moet beschikken, inhoudt dat de schaderegelaar in hoedanigheid van verweerder in rechte kan worden betrokken.

De casus was als volgt. Op 17 oktober 2007 vond een verkeersongeval plaats in Spanje waarbij een Portugees om het leven kwam en een andere gewond raakte. De personenauto waarmee het ongeval was veroorzaakt, was door de eigenaar verzekerd bij Helvetia Seguros, gevestigd in Spanje. De door Helvetia Seguros aangewezen vertegenwoordiger in Portugal is C.E.D. Portugal Unipessoal (CED).

Het slachtoffer en de nabestaanden van het overleden slachtoffer startten een gerechtelijke procedure in Portugal tegen CED en het Fundu de Garantie Automovel (FGA). De rechter heeft de vordering afgewezen omdat CED niet over passieve legitimatie beschikt. Met andere woorden: zij hadden de Spaanse verzekeraar in rechte moeten betrekken.

In hoger beroep stelt de rechter zich de vraag welke betekenis het begrip ‘voldoende bevoegdheid’ heeft, waarover de schaderegelaar moet beschikken in de zin van artikel 4 lid 5 van de WAM richtlijn . Ook vraagt de rechter zich af of de uitleg van dit begrip ook afhangt van concrete bedingen in de vertegenwoordigingsovereenkomst tussen de verzekeraar en de vertegenwoordiger. De rechter heeft hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Net als in de zaak van Spedition Welter/Avanssur stelt de Advocaat-Generaal dat bij bepaling van de reikwijdte van een artikel in de WAM richtlijn rekening gehouden moet worden met de bewoording, de context en de doelstellingen.

Doelstelling van de WAM richtlijn is geweest dat slachtoffers van ongevallen gemakkelijker stappen kunnen ondernemen en in staat zijn hun schadeclaim in te dienen in eigen taal en eigen land. Uit de considerans van de WAM richtlijn (punt 37) blijkt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat de schaderegelaars over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming ten aanzien van slachtoffers te vertegenwoordigen, ook voor nationale instanties, waaronder de rechter, voor zover dit niet in strijd is met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter.

Zijn analyse is onder andere dat de vertegenwoordiger over voldoende bevoegdheid moet beschikken om verzoeken van benadeelden volledig af te handelen. Ook geeft hij aan dat het dagvaarden van de vertegenwoordiger geen strijd zal opleveren met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter noch het toepasselijk recht. Bovendien blijft er altijd de mogelijkheid bestaan om de veroorzaker van het ongeval en/of diens verzekeraar rechtstreeks aan te spreken.

De Advocaat-Generaal is dan ook van mening “dat artikel 4 lid 5 van richtlijn 2000/26 aldus moet worden uitgelegd dat tot voldoende bevoegdheden waarover de schaderegelaar moet beschikken, de bevoegdheid behoort om in hoedanigheid van verweerder in rechter te worden betrokken, in het kader van een door benadeelden van verkeersongevallen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van richtlijn 2000/26 ingestelde rechtsvordering in de bij laatstgenoemde richtlijn vastgestelde omstandigheden waarbij de bepalingen van de overeenkomst tussen de verzekeringsovereenkomst en de schaderegelaar de bevoegdheid tot verdediging in rechte van laatstgenoemde niet kunnen aantasten.”

De verwachting is dat het Europese Hof van Justitie de conclusie van de Advocaat-Generaal zal volgen. In dat geval kan een slachtoffer bij een grensoverschrijdend verkeersongeval in Europa ervoor kiezen om ofwel de buitenlandse verzekeraar rechtstreeks aan te spreken dan wel de schaderegelaar in zijn eigen land. Bij een procedure kan hij er tevens voor kiezen om in eigen land te gaan procederen tegen de schaderegelaar of tegen de verzekeraar waarbij de dagvaarding op het kantoor van de schaderegelaar betekend kan worden.

Dit betekent dat de bevoegdheden van de vertegenwoordigers in dat geval nog verder worden uitgebreid.

Vertegenwoordigers van buitenlandse verzekeraars zullen hiermee rekening moeten houden en de overeenkomsten met de verzekeraars wellicht op punten moeten wijzigen zodat zij hun taak als partij in rechte goed kunnen uitoefenen.

Rome II en overlijdensschade. Uitleg van het begrip schade.

Bij grensoverschrijdende overlijdensschade kan het voorkomen dat nabestaanden in verschillende landen, anders dan het land waar het ongeval plaatsvond, schade lijden. De vraag doet zich in zo’n geval voor welk recht op de vordering van toepassing is. Moet deze schade als directe schade beschouwd worden of moet het worden aangemerkt als indirect gevolg van het ongeval, zelfs indien de schadevergoedingsvordering als een iure proprio (een eigen recht) wordt aangemerkt?

Deze vraag werd recentelijk voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU (verder: HvJEU) in de zaak Florin Lazar/Allianz SpA C-350/14.

De dochter van Florin Lazar, een Roemeens staatsburger, was overleden als gevolg van een verkeersongeval in Italië met een niet geïdentificeerd voertuig.  Zij woonde ten tijde van het ongeval in Italië evenals haar moeder en grootmoeder.

Vader Florin Lazer dagvaardt verzekeringsmaatschappij Allianz SpA in haar hoedanigheid van door het garantiefonds voor verkeersslachtoffers aangewezen vennootschap. Moeder en grootmoeder interveniëren in het geding en vorderen eveneens vergoeding van de door hen geleden materiële en immateriële schade. Op de vordering van moeder en grootmoeder is Italiaans recht van toepassing. De vraag die aan het HvJEU wordt voorgelegd is of op de vordering van Florin Lazar Roemeens recht van toepassing is.

Uit overwegingen 16 en 17 van de Rome II verordening volgt dat bij bepaling van het toepasselijk recht aanknoping gezocht wordt met het land van de plaats waar de directe schade zich heeft gedaan. (de ‘lex loci damni’). Het toepasselijk recht moet worden bepaald volgens de plaats waar de schade zich voordoet, ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Bij letsel- en materieel schade moet het land waar die schade is opgelopen gelden als het land waar de schade zich voordoet.

De uitzondering op de regels zijn gegeven in artikel 4 lid 2 en 3. Ingeval degene wiens aansprakelijkheid in het geding is en degene die de schade lijdt beiden hun gewone verblijfplaats hebben in hetzelfde land op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing. Verder kan het recht van een ander land van toepassing zijn indien hiermee een kennelijk nauwere band bestaat.

Artikel 15 onder c en f bepalen dat het recht dat van toepassing is het bestaan, de aard en de begroting van de schade regelt alsook bepaalt wie er recht heeft op vergoeding van persoonlijk geleden schade.

Het HvJEU overweegt dat uit overweging 17 van Rome II volgt dat wanneer het intreden van directe schade kan worden vastgesteld, de plaats waar deze directe schade zich heeft voorgedaan het relevante aanknopingspunt zal zijn voor het bepalen welk recht van toepassing is. Dit ongeacht de indirecte gevolgen van het ongeval.

In dit geval bestaat de directe schade uit het letsel van de dochter als gevolg waarvan zij is overleden. Deze schade heeft zich in Italië voorgedaan. De schade die vervolgens door de familieleden is geleden moet worden beschouwd als indirect gevolg van het ongeval. Dit betekent dat hierop derhalve dus ook ten aanzien van Florin Lazar Italiaans recht van toepassing is.

Het HvJEU overweegt dat deze uitleg ook strookt met artikel 15 onder f. Hierin wordt immers bepaald dat het toepasselijk recht bepaalt wie schade kunnen vorderen. Het draagt voorts bij tot het verwezenlijken van de doelstelling om te zorgen voor voorspelbaarheid en uniformiteit. Het HvJEU overweegt daarbij dat hiermee ook voorkomen wordt dat de onrechtmatige daad wordt ontleed in verschillende delen die aan verschillend recht onderworpen zijn naargelang de plaats waar andere personen dan het directe slachtoffer schade lijden.

Het HvJEU verklaart dan ook voor recht: dat voor het bepalen van het recht dat van toepassing is op een niet-contractuele verbintenis voortvloeiend uit een verkeersongeval, artikel 4 lid 1 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat schade in verband met overlijden van een persoon bij een verkeersongeval dat zich in de forumstaat heeft voorgedaan, die wordt geleden door de in een andere lidstaat wonende familieleden van die persoon als “indirecte gevolgen” van dat ongeval in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt.

Alhoewel het HvJEU verwijst naar verkeersongevallen zal, gezien de uniformiteit die wordt nagestreefd, dit ook van toepassing zijn op andere overlijdensschade zaken waarop artikel 4 Rome II van toepassing is en waarbij de directe schade kan worden vastgesteld. Bovendien zal deze uitleg van het begrip schade in verband met overlijden ook van toepassing zijn bij vaststelling van de bevoegde rechter op grond van artikel 7 lid 2 Herschikking EEX-Verordening.   

Voor de Nederlandse praktijk is de uitspraak voor wat betreft bepaling van het toepasselijk recht bij grensoverschrijdende verkeersongevallen minder relevant wanneer het Haags Verkeersongevallenverdrag van toepassing is. In die zaken wordt immers aan de hand van de regels van het Haags Verkeersongevallenverdrag bepaald welk recht van toepassing is. Voor andere grensoverschrijdende overlijdensschade waarop artikel 4 Rome II van toepassing is, is dat echter wel het geval.   

MH17-ramp: een aantal relevante juridische vragen beantwoord

Antoinette Collignon heeft voor de LSA, de Vereniging voor LetselschadeAdvocaten een aantal veel gestelde juridische vragen over de vliegtuigramp met vlucht MH17 van Malaysia Airlines beantwoord. Onderstaande tekst is tevens te vinden op: http://www.lsa.nl/.

Een vliegtuigramp als die van Malaysia Airlines MH17 van 17 juli 2014 brengt onbeschrijflijk leed met zich mee voor iedereen die daarbij betrokken is. Tot dusver zijn er geen aanwijzingen dat het toestel technische problemen had. Het ziet er naar uit dat het toestel neergehaald is door pro-Russische rebellen, met hulp van door Rusland geleverd materiaal. Het onderzoek naar deze ramp, de berging en repatriatie van de slachtoffers is een uitermate complexe en gevoelige zaak. Dit geldt ook voor de afwikkeling van de door de nabestaanden geleden en nog te lijden schade.

In het onderstaande is een negental juridische vragen die kunnen rijzen door deskundigen beantwoord. Daarbij is uitgegaan van de informatie die tot op heden – 22 juli – bekend is.

1. Kan Malaysia Airlines aansprakelijk worden gesteld?

Op grond van het Verdrag van Montreal, waarin een risico aansprakelijkheid bij burgerluchtvaart is opgenomen, is Malaysia Airlines verplicht om een schadevergoeding te betalen van maximaal 113.100 SDR (rond de 114.000 euro) per passagier. Het doet daarbij niet terzake of Malaysia Airlines schuld heeft aan het ongeluk of niet. De schade moeten de nabestaande aantonen. Boven dit bedrag is Malaysia Airlines aansprakelijk indien het ongeval te wijten is aan haar schuld. Of hiervan sprake is kan op dit moment nog niet worden beoordeeld. Hiervoor is van belang dat zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek plaatsvindt.
De vordering dient binnen twee jaar na het ongeval worden ingediend op straffe van verval.

2. Welk recht is van toepassing?

In het verdrag van Montreal zijn geen regels opgenomen over het toepasselijke recht op de overeenkomst en de verbintenis tot schadevergoeding. Een Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uitovereenkomst (Rome I) toepassen.
Artikel 5 lid 2 bepaalt dat in geval de partijen bij een vervoerovereenkomst geen rechtskeuze hebben gedaan, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de passagier zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van vertrek of aankomst in dat land is gelegen.
Voor de meeste Nederlandse slachtoffers geldt dus dat op de vervoersovereenkomst waarschijnlijk Nederlands recht van toepassing is.
Voor buitenlandse slachtoffers moet per geval nagegaan worden welk recht van toepassing is.

3. Waaruit bestaat de schadeclaim van de nabestaanden?

De schadeclaims bestaan, indien Nederlands recht van toepassing is, uit zogenaamde overlijdensschade (kosten repatriatie, begrafenis etc.) en de schade wegens gederfde inkomsten (als bijvoorbeeld één kostwinner of één van de kostwinners is overleden). De berekening van de schade is complex omdat rekening moet worden gehouden met onder andere variabele en vaste lasten.

Ook is het in bepaalde gevallen mogelijk om smartengeld te vorderen indien door het ongeval psychisch letsel is ontstaan bij nabestaanden door de confrontatie met het ongeval.

Affectieschade (de schade door het verdriet als gevolg van het verlies van familieleden) kan (nog) niet worden geclaimd. Een wetsvoorstel hiertoe is in 2010 door de Eerste Kamer verworpen. Op dit moment heeft het kabinet een nieuw wetsvoorstel voor vergoeding van affectieschade in voorbereiding.

Indien niet Nederlands recht maar het recht van een ander land van toepassing is is het mogelijk dat niet alleen overlijdensschade maar ook vergoeding van smartengeld voor het verlies van een familielid gevorderd kan worden.

4. Kunnen de separatisten die het vliegtuig hebben neergehaald, aansprakelijk worden gesteld?

Als blijkt dat separatisten het toestel hebben neergeschoten, is het naar Nederlands recht mogelijk om de persoon (of personen) civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het doet niet terzake dat zij niet de bedoeling hebben gehad om een burgervliegtuig neer te halen. De schade dient in dat geval volledig vergoed te worden.

Mogelijk kunnen de betreffende personen ook strafrechtelijk vervolgd worden. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kan een internationaal arrestatiebevel uitvaardigen. Een probleem is natuurlijk dat de Volksrepubliek Donetsk (de door pro-Russische separatisten uitgeroepen staat) niet zal meewerken aan het arrestatie bevel. Ook het Oekraïense centrale gezag heeft te weinig gezag over dit gebied om te kunnen helpen.

Theoretisch is het dus mogelijk om separatisten aansprakelijk te stellen, maar of dit met succes kan is de vraag. Het zal lastig zijn om de aansprakelijke partij te vinden, laat staan tot betaling te dwingen.

Voor het uitkeren van schade is het makkelijker om een land verantwoordelijk te houden dan een groep rebellen. Zo heeft de VS in 1996 schadevergoeding betaald aan de nabestaanden van de slachtoffers van het Iraanse burgervliegtuig dat in 1988 per ongeluk door een Amerikaans oorlogsschip is neergehaald.

5. Kan Rusland aansprakelijk worden gesteld?

Deze vraag is op dit moment nog niet goed te beantwoorden. Als blijkt dat de Russische politieke of militaire leiding directe command and control had om het vliegtuig neer te halen, dan zou Rusland mogelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Ook kan Rusland wellicht (deels) aansprakelijk worden gesteld omdat zij de wapens heeft geleverd waarmee het vliegtuig is neergeschoten. Indien een SA-11 luchtafweergeschut is gebruikt door separatisten, is dit mogelijk door Rusland geleverd. SA-11 grizzly – zogenaamde double digit surface to air missile (BUK) – is luchtafweergeschut van Russische makelij. Dit wapensysteem kan vliegtuigen die op grote hoogte vliegen uit de lucht halen. In de berichtgeving wordt melding gemaakt van het leveren van het materiaal inclusief de personen die het bedienen door Rusland.

Aangetoond moet wel worden dat er een causaal verband is tussen het leveren van de wapens en dit ongeval. Ook moet schuld aan deze gebeurtenis worden vastgesteld. Juridisch is dit lastig maar niet onmogelijk. Verder is het de vraag of op basis van het recht dat van toepassing is op dit ongeval een overheid aansprakelijk gesteld kan worden.

Met andere woorden: als blijkt dat Rusland de wapens hebben geleverd waarmee het vliegtuig is neergehaald dan is Rusland mogelijkerwijs aansprakelijk.

6. Kan Oekraïne aansprakelijk gesteld worden?

Dit hangt van de feiten en omstandigheden af. Indien uit het onderzoek blijkt dat militairen in Oekraïne het vliegtuig neergehaald hebben dan zou Oekraïne aansprakelijk gesteld kunnen worden. Uit de berichtgeving tot op heden lijkt hiervan geen sprake te zijn.

De Oekraïnse luchtvaartautoriteiten zijn mogelijk ook aansprakelijk indien zij toestemming hebben gegeven om over het gebied te vliegen, op een hoogte waarvan zij konden weten dat de raketten het vliegtuig konden neerhalen. Ook hiervoor is nader onderzoek nodig.

7. Kunnen nabestaanden naar de rechter stappen om schadevergoeding te vorderen van een van de genoemde staten?

Er zijn mogelijkheden voor de (Nederlandse) nabestaanden om in Nederland naar de rechter stappen voor vergoeding van hun schade door een van de genoemde staten voor zover deze niet door Malaysian Airlines wordt vergoed. Het is nu echter nog te vroeg om hier een volledig en goed antwoord op te geven.

8. Welk recht is van toepassing op een vordering tegen een van de staten/separatisten?

Dit dient beantwoord te worden aan de hand van het internationale privaatrecht. De Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 865/2007 (Rome II) toepassen. De hoofdregel is de lex loci damni, ofwel de plaats waar de schade is geleden.

Betoogd zou kunnen worden dat de Nederlandse rechter Maleisisch recht moet toepassen omdat de slachtoffer zich op het moment dat zij schade leden aan boord van een Maleisisch vliegtuig bevonden en in het vliegtuig Maleisisch recht van toepassing is. Ook kan betoogd worden dat de schade is geleden buiten het vliegtuig in het Oekraïense luchtruim, in welk geval Oekraïens recht van toepassing is.

Tot slot kan betoogd worden dat Nederlands recht van toepassing is. Stel dat een kostwinner is omgekomen in het vliegtuig. Dan heeft zijn of haar gezin in Nederland, die voor levensonderhoud afhankelijk is van de arbeid van de overledene, inkomstenderving. De schade wordt dan dus in Nederland geleden, ook al ligt de oorzaak bij gebeurtenissen in Oekraïne.

9. Zijn er nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk zijn?

Op grond van het onderzoek dat gedaan wordt naar de ramp zou kunnen blijken dat er mogelijk nog andere partijen zijn die aansprakelijk zijn. Te denken valt aan bedrijven die de vluchtplannen maken of goedkeuren of autoriteiten die de mogelijkheid hebben om bepaalde vliegroutes te verbieden. Ook zou het ongeval (mede) een gevolg kunnen zijn van een technisch mankement waardoor de fabrikant mogelijk aansprakelijk is. Zoals eerder aangegeven lijkt hiervan op het eerste gezicht geen sprake te zijn. Het is nu echter nog te vroeg om hier iets over te zeggen.

Conclusie

Nabestaanden kunnen Malaysia Airlines aanspreken tot vergoeding van de door hen geleden schade met een maximum van ongeveer 114.000 Euro. Boven dit bedrag kan Malaysia Airlines alleen aangesproken worden indien sprake is van schuld. Dat staat op dit moment nog niet vast.

Er zijn ook nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Onderzoek moet uitwijzen welke partijen dit zijn en of met succes een vordering kan worden ingesteld. Van belang is dat per geval bekeken dient te worden welke rechter bevoegd is en welk recht toegepast moet worden. Gezien het feit dat er zoveel slachtoffers uit verschillende landen zijn en er ook meerdere mogelijke aansprakelijke partijen zijn is dit een complexe puzzel.

Het zal nog wel even duren voordat het onderzoek is afgerond en deze puzzel opgelost zal kunnen worden. Het is te hopen dat alle partijen die betrokken zijn de grootst mogelijke zorgvuldigheid en voortvarendheid betrachten om niet nog meer leed te veroorzaken voor de velen die getroffen zijn.

Auteur: Antoinette Collignon
LSA contactpersoon: Mr O.L. Nunes. Tel. 030 – 2122871.
E-mail: ol.nunes@kbsadvocaten.nl
Deze notitie is gebaseerd op de thans bekende informatie en daaraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Collectieve afwikkeling van massaschade en renteswaps

In Nederland is nog niet heel veel ervaring opgedaan met het op een efficiënte wijze afwikkelen van massale schadegevallen. Wij kunnen in dat opzicht leren van de praktijk in de Verenigde Staten. 

Met de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade, afgekort WCAM, die op 16 juli 2005 in Nederland van kracht is geworden, wordt – enigszins in navolging van de praktijk in de Verenigde Staten – aan collectieven van gedupeerden de mogelijkheid geboden om overeenkomsten over schadevergoeding algemeen verbindend te laten verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de getroffen overeenkomst ook geldig wordt voor de partijen die niet bij de onderhandelingen waren betrokken. Het is dus opletten geblazen. Verzoeken om overeenkomsten algemeen verbindend te verklaren moeten worden ingediend bij het Amsterdamse Gerechtshof. Een dergelijke procedure bij het Amsterdamse Gerechtshof is in het belang van alle betrokken partijen, mits het allemaal goed en evenwichtig in elkaar is gestoken en uitgevoerd. En daarin ligt een uitdaging voor gedupeerden en de partijen die hen vertegenwoordigen. Bij het goed en evenwichtig in elkaar steken van de overeenkomst en het verzoek komt heel wat kijken. Gebeurt dat niet goed, dan kunnen de gedupeerden nog eens gedupeerd raken.

Voorbeelden van massale schadegevallen in Nederland zijn het seksueel misbruik in de Katholieke kerk, de PIP-borstimplantaten, de zogenaamde asbestkwestie, schade als gevolg van het DES-hormoon en verschillende massale schadegevallen als gevolg van het aan de man brengen van financiële producten door partijen die daarbij niet of onvoldoende hun zorgplicht in acht nemen. Bij een zorgplicht in geval van de verkoop van financiële producten valt te denken aan de bancaire zorgplicht, die in rechtspraak is ingekleurd. 

Bij massale schadegevallen gaat het in de regel om een situatie met aan de ene kant een in bepaald(e) opzicht(en) machtige partij, bijvoorbeeld een bank, tegenover een grote groep aanzienlijk minder machtige partijen. De schade doet zich voor aan de zijde van de grote groep minder machtige partijen. Bij massale schadegevallen doen de gedupeerden er goed aan zich te verzamelen. Eendracht maakt macht. Op die wijze kan een evenwichtige onderhandelingssituatie ontstaan. Een evenwichtige onderhandelingssituatie is een noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van een goed schikkingsresultaat dat kan dienen als basis voor een verzoek op grond van de WCAM bij het Amsterdamse Gerechtshof. 

Een massaschade die in de afgelopen periode veel in het nieuws is geweest, betreft de kwestie rondom de zogenaamde renteswaps, ook wel genoemd rentederivaten, die banken wereldwijd hebben verkocht aan ondernemers. Deze renteswaps werden vanaf circa 2006 aan ondernemers verkocht. Renteswaps, ook wel rentederivaten genoemd, zeggen aan ondernemers zekerheid te geven over een in verband met een lening te betalen rente. Maar wat gezegd wordt, is vaak niet het hele verhaal. Het prijskaartje dat aan die verkochte zekerheid hangt, was in veel gevallen niet makkelijk zichtbaar of leek op het eerste gezicht veel gunstiger dan in werkelijkheid het geval was. Dat komt omdat bij de verkoop van die producten vooral wordt gewezen op de voordelen en (te) weinig op de risico’s. Die nadelen blijven daarom verholen tot het risico zich verwezenlijkt en dan vallen de schellen van de ogen. In dit verband verwijs ik ter illustratie naar de website van Cadension Financial Surgery: http://www.cadension.com/financiele-update/ en een artikel in de Volkskrant: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3475218/2013/07/13/Duizenden-ondernemers-bezitten-giftige-derivaten.dhtml. In het buitenland hebben de renteswaps ook al tot de nodige commotie geleid, zie bijvoorbeeld: http://bully-banks.co.uk/site/.

Onze nationale financiële waakhond, de AFM, deed onderzoek naar de renteswaps en publiceerde daarover in september 2013 een interessant rapport, zie: http://www.afm.nl/~/media/files/rapport/2013/dienstverlening-rentederivaten.ashx

De AFM heeft geconstateerd dat banken hun MKB-cliënten veelal onvoldoende hebben geïnformeerd over de risico’s van de renteswaps. Uit het onderzoek is ook gebleken dat de dossiervorming door banken te wensen overlaat. De banken zullen hier kennis van hebben genomen en – als het goed is – hun werkwijze hebben aangepast. De vele gedupeerde MKB-ondernemers hebben in de afgelopen jaren voor een klein deel en individueel al verschillende pogingen ondernomen om bij een civiele rechter recht te halen en hun schade vergoed te krijgen. Bij de individuele gevallen gaat het vaak al om veel geld. Meest recent is een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:1415) – zie: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2014:1415. Daarin kreeg een individuele MKB-ondernemer een schade van € 169.319,52 plus wettelijke rente toegewezen. Op macroniveau gaat het om een zeer aanzienlijke schade van – mogelijk – vele miljoenen euro’s. Uit onderzoek zou blijken dat de alle renteswaps gezamenlijk een negatieve waarde van ruim EUR 4 miljard hebben. Dat gegeven, gecombineerd met het feit dat de renteswaps belichaamd zijn in standaardcontracten, maakt de kwestie mogelijk geschikt voor een collectieve afwikkeling.

Sandra Frommelt heeft in onderzoek of in de kwestie over de renteswaps een goed model voor een schikking op macroniveau is te formuleren. Een dergelijke schikking zal recht moeten doen aan alle belangen en zal ook verdeelsleutels moeten bevatten waarin individuele omstandigheden worden meegewogen. In de Verenigde Staten is al veel ervaring opgedaan met de logistiek en techniek die komt kijken bij het tot stand brengen van een schikking op macroniveau en de daarin op te nemen verdeelsleutels. Uit die ervaring zal worden geput. 

Sandra Frommelt, die zich als advocaat graag bezighoudt met complexe civiele procedures, heeft zich grondig verdiept in de afwikkeling van complexe schadegevallen en heeft ook een boek in de maak over de schadestaatprocedure.

Gedupeerde MKB-ondernemers, partijen die renteswaps hebben verkocht, financieel experts, en een ieder die zich geroepen voelt, worden hierbij uitgenodigd om hun verhaal te doen en ervaringen of expertise te delen. Daartoe kan contact worden opgenomen met sandra.frommelt@legaltree.nl of telefonisch met 035-5330055.

Reikwijdte van de bevoegdheden van de schaderegelaar bij internationale verkeersongevallen

Stel u raakt buiten uw schuld betrokken bij een verkeersongeval in het buitenland en loopt daarbij schade op. U wilt deze schade verhalen op de aansprakelijke partij. Op grond van Richtlijn 2009/103 (ook wel de vijfde WAM Richtlijn) kan via het groene kaart systeem de schade claim ingediend worden bij de vertegenwoordiger van de buitenlandse aansprakelijkheidsverzekeraar in Nederland (schaderegelaar). Deze wikkelt de schade aan de hand van het toepasselijke recht met u af.

In veel gevallen wordt de zaak naar tevredenheid opgelost. Maar wat nu als aansprakelijkheid niet wordt erkend of u niet tot een oplossing van de zaak komt en u een procedure wilt starten tegen de WAM verzekeraar. In dat geval is er een aantal opties. U kunt er, afhankelijk van de omstandigheden, voor kiezen te dagvaarden in het land waar de aansprakelijke partij woonachtig is, waar de verzekeraar is gevestigd, in het land waar het ongeval plaatsvond of u kunt er voor kiezen om in eigen land te dagvaarden.

In dat laatste geval wordt de dagvaarding tot nu toe via de bevoegde autoriteiten betekend op het kantoor van de in het buitenland gevestigde verzekeraar. Betekening in het buitenland kost tijd en geld. Betekening op het kantoor van de schaderegelaar die de zaak tot dan toe behandelde is niet mogelijk, omdat deze veelal niet gemachtigd is om betekeningen en kennisgevingen in ontvangst te nemen. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam 23 september 2009, JA 2010,12.

Hierin is recentelijk verandering gekomen door een arrest van het Europese Hof van Justitie van 10 oktober 2013 (C-306/12 Spedition Welter/Avanssur ). In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat het wel degelijk mogelijk is om de dagvaarding te doen betekenen op kantoor van de vertegenwoordiger van de verzekeraar. 

De casus was als volgt. Op 24 juni 2011 vond een verkeersongeval plaats waarbij een vrachtwagen van Spedition Welter, gevestigd in Duitsland, in de buurt van Parijs beschadigd raakte. Het Franse voertuig dat het ongeval veroorzaakt had was verzekerd bij de in Frankrijk gevestigde WAM-verzekeraar Avanssur. Spedition Welter vorderde in rechte vergoeding van de schade. De dagvaarding werd echter niet aan Avanssur in Frankrijk betekend maar aan de door Avanssur aangewezen vertegenwoordiger in Duitsland, AXA Versicherungs AG (verder AXA).

De rechter in eerste aanleg verklaarde eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk op grond dat deze niet rechtsgeldig aan AXA was betekend aangezien deze niet gemachtigd was om betekeningen en kennisgevingen in ontvangst te nemen.

Spedition Welter stelde hoger beroep in bij het Landgericht Saarbrucken. Volgens het Landgericht hing de ontvankelijkheid af van de uitleg van artikel 21 lid 5 WAM richtlijn. Om die reden heeft zij de zaak voorgelegd aan het Europese Hof.

In dit artikel staat, kort gezegd, dat de schaderegelaar over voldoende bevoegdheid moet beschikken om de buitenlandse verzekeraar te vertegenwoordigen en verzoeken volledig af te handelen. Niet blijkt hoe ver die bevoegdheden exact reiken.

Het Europese Hof stelt voorop dat bij bepaling van de reikwijdte van een artikel rekening gehouden moet worden met de bewoording, de context en de doelstellingen. Doelstelling van de WAM richtlijn is geweest dat slachtoffers van ongevallen makkelijker stappen kunnen ondernemen en in staat zijn hun schadeclaim in te dienen in eigen taal en eigen land. Uit de considerans van de richtlijn (punt 37) blijkt dat lidstaten er voor moeten zorgen dat de schaderegelaars over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming ten aanzien van slachtoffers te vertegenwoordigen, ook voor nationale instanties, waaronder de rechter, voor zover dit niet in strijd is met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter.

Het Europese Hof komt dan ook tot de conclusie dat artikel 21 lid 5 van richtlijn 2009/103 zo moet worden uitgelegd dat tot de bevoegdheden van de schaderegelaar ook behoort het in ontvangst nemen van gerechtelijke akten die zijn vereist om bij de bevoegde rechter een vordering in te dienen.

Dit betekent dat bij internationale verkeersongevallen waarop het groene kaart systeem van toepassing is, Nederlandse slachtoffers die er voor kiezen in Nederland te procederen voortaan kunnen volstaan met betekening van de dagvaarding tegen de buitenlandse verzekeraar op het kantoor van de schaderegelaar. Voor de Nederlandse vertegenwoordigers betekent dit een uitbreiding van hun bevoegdheid.

Corporate liability for human rights: the UN Guiding Principles on Business and Human Rights

If a corporation abuses employees, is accused of labour trafficking, complicit in gross human rights abuses by local governments, complicit in human rights violations while installing pipelines through villages or complicit in pollution, it should be held responsible. The question is whether human rights laws also apply to these companies.

Some argue that international law only applies between states, or that human rights obligations apply only to states, and that the UN Principles cannot create legal obligations for companies. However, this view can no longer be credibly maintained. There is a growing acceptance that international human rights treaties create obligations – at least indirectly – on companies and that the UN Guiding Principles on Business and Human Rights can be used as a standard.

The UN Guiding Principles on Business and Human Rights are the work of John Ruggie, former UN Secretary-General’s Special Representative for Business and Human Rights. The principles are non-legally binding, but aim to establish a global standard for addressing the adverse human rights impact of corporate activity. Ruggie has built a frame-work of three pillars: ‘ Protect, Respect and Remedy’. These are:

  1. The state’s duty to protect human rights;
  2. the corporate responsibility to respect human rights;
  3. the need for greater access to remedy – both judicial and non-judicial – for victims of business-related abuse.

The UN principles were endorsed by the UN Human Rights Council in June 2011. See also unglobalcompact.org and the American Bar Association in February 2012. They have also been incorporated into the OECD Guidelines for Multinational Enterprises, the International Organisation for Standardisation (ISO) 26000 guidance on social responsibility for companies, the sustainability policy of the International Finance Corporations and the European Commission’s new corporate social responsibility strategy.     

The UN Principles are applicable to all governments and to all businesses in all situations. It sets forth basic, minimal business obligations regarding human rights. They reaffirm that states still bear the primary responsibility for promoting and protecting human rights, but recognize that transnational corporations and other businesses, as organs of society (and collections of individuals), carry responsibilities as well. It is understood that the human rights are – at a minimum – those expressed in the International Bill of Human Rights and the principles concerning fundamental rights set out in the International Labour Organisation’s Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work.

The responsibility to respect human rights requires that business enterprises:

  • Avoid causing or contributing to adverse human rights impact through their own activities, and address such impact when it occurs.

  • Seek to prevent or mitigate adverse human rights violations that are directly linked to their operations, products or services by their business relationships, even if they have not contributed to those violations.

  • In order to meet their responsibility to respect human rights, business enterprises should have in place policies and processes appropriate to their size and circumstances.

Nieuwe EEX-Verordening bevoegdheid en tenuitvoerlegging in grensoverschrijdende civiele zaken

Bij grensoverschrijdende burgerlijke- en handelszaken wordt sinds 2002 binnen de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, de EEX-Verordening (Brussel 1) toegepast.
In dit verdrag zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter en erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. Zie hier
In december 2012 werd door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie een gewijzigde EEX-verordening aangenomen, Verordening nr. 1215/2012, PbEU 2012 L351/1. Zie hier
Deze gewijzigde verordening is van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.
De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de oude verordening zijn:
– afschaffing exequatur procedure
– nieuwe litispendentie regeling bij exclusieve forumkeuze
-⇥verruiming bevoegdheidsregels bij arbeidsovereenkomsten met werkgevers

Afschaffing exequatur procedure
Met de gewijzigde verordening komt de exequatur regeling te vervallen. Dit betekent dat buitenlandse vonnissen waarop de nieuwe verordening van toepassing is rechtstreeks en zonder verklaring van uitvoerbaarheid in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd kunnen worden. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd heeft wel de mogelijkheid om weigering van erkenning of tenuitvoerlegging van een vonnis te verzoeken als hij meent dat er een grond voor weigering van erkenning aanwezig is.
Tenuitvoerlegging wordt door de nieuwe regeling een stuk eenvoudiger. Voor de partij tegen wie een beslissing ten uitvoer gelegd wordt betekent dit echter dat deze zelf actie moet ondernemen om tenuitvoerlegging te voorkomen.

Nieuwe litispendentie regeling
Litispendentie is de situatie waarin gelijktijdig over dezelfde zaak/zaken een procedure wordt gevoerd in verschillende landen. In de huidige regeling moet de rechter waar een zaak als eerste aanhangig is gemaakt zich eerst uitlaten over zijn bevoegdheid voordat de rechter in het andere land hierover een beslissing mag nemen.
In zaken waarin door partijen bij overeenkomst een expliciete forumkeuze is gemaakt kan het voorkomen dat één van de partijen de zaak aanbrengt bij een rechter in een andere lidstaat dan is overeengekomen voordat de andere partij kans heeft gezien bij de rechter van keuze te dagvaarden. Dit wordt ook wel een torpedo procedure genoemd omdat het met regelmaat voorkomt dat partijen proberen om hiermee het proces te vertragen. De procedure bij de tussen partijen expliciet gekozen rechter kan immers pas aanvangen op het moment dat de andere rechter zich onbevoegd heeft verklaard. Dat kan soms jaren duren. Met de gewijzigde regeling zal de rechter van de andere lidstaat de zaak moeten aanhouden, ongeacht welke zaak het eerst is aangebracht, tot het gerecht van de exclusieve forumkeuze zich onbevoegd heeft verklaard.

Ruimere bevoegdheidsregels bij arbeidsovereenkomsten
In de huidige regeling geldt in algemene zin voor vorderingen tegen verweerders die geen woonplaats hebben in een lidstaat dat de verordening niet van toepassing is. In de nieuwe regeling geldt voor de werkgever die geen woonplaats heeft in een lidstaat dat hij toch kan worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat. Dat kan bij de rechter van de staat waar de werknemer gewoonlijk werkt of waar vanuit hij werkt. Wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen. De mogelijkheden voor werknemers om een werkgever die gevestigd is buiten de EU binnen de EU te dagvaarden is hiermee vergroot.