NOW-regeling bekend

Vanochtend heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging ten behoeve van behoud van Werkgelegenheid (NOW) bekendgemaakt.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

De belangrijkste bepalingen van de NOW zijn:

  1. De subsidieaanvraag kan vanaf 14 april 2020 (of een op www.uwv.nl eerder bekend te maken datum) elektronisch worden ingediend door middel van een door de minister beschikbaar gesteld formulier.
  2. De minister beslist uiterlijk binnen 13 weken na de aanvraag of de subsidie wordt verleend.
  3. De formule voor de berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is A x B x 3 x 1,3 x 0,9.

    A: het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;

    B: de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald met een maximum per werknemer van € 9.538 bruto.

    Het percentage van 90% van de totale loonsom is een maximumpercentage dat zal worden uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan zal de subsidie evenredig lager worden vastgesteld. Bij een omzetdaling van 50% bedraagt de subsidie 45% (= 50% van 90%) van de loonsom en bij een omzetdaling van 20% bedraagt de subsidie 18% (= 20% van 90%), etc.

  4. De minister verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot van 80% van het bedrag van de verlening, bedoeld onder punt 3. Het voorschot wordt betaald in ten hoogste drie termijnen.
  5. De loonsom (B) wordt verminderd met:
    • a. de uitkeringen die het UWV over het gehanteerde aangiftetijdvak door tussenkomst van de werkgever heeft uitbetaald, voor zover die uitkeringen in de loonsom zijn inbegrepen;
    • b. het loon dat een werknemer heeft ontvangen in het gehanteerde aangiftetijdvak, vermenigvuldigd met 1,5, indien de werkgever na 17 maart 2020, een verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen bij het UWV heeft ingediend en niet vóór 6 april 2020 weer heeft ingetrokken;
  6. De uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert.
  7. Omwille van de uitvoerbaarheid door UWV is gekozen voor een forfaitaire opslag van 30% voor werkgeverslasten in plaats van het in aanmerking nemen van de precieze werkgeverslasten in individuele situaties.
  8. De subsidie kan worden betaald aan een werkgever die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden (in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020) verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%.
  9. Onder omzet wordt in de NOW verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 2:377, zesde lid Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld.
  10. De subsidie wordt verleend per loonheffingennummer over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020. De loonsom wordt in beginsel gebaseerd op de loonsom van januari 2020 en bedraagt per maand maximaal 90% van die loonsom. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt de loonsom zoals gebruikt bij de bevoorschotting vergeleken met de loonsom van de driemaandsperiode maart 2020 tot en met mei 2020. De loonsom kan in de subsidieperiode lager uitvallen dan in de referentieperiode, omdat werknemers intussen niet meer in dienst zijn of niet meer zijn opgeroepen en daarom geen loondoorbetaling hebben. Bij verlies aan werkgelegenheid, blijkend uit het verlies aan loonsom, wordt de subsidie lager vastgesteld.
  11. Indien de werkgever onderdeel is van een groep of indien de werkgever meerdere loonheffingennummers heeft, wordt hetzelfde percentage alsook eenzelfde periode voor de verwachte omzetdaling voor alle rechtspersonen en vennootschappen binnen de groep respectievelijk de loonheffingennummers gehanteerd.
  12. Werkgevers kunnen zelf bij de aanvraag de startdatum voor de meetperiode van de omzetdaling bepalen: 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. Het moet daarbij altijd om een aaneensluitende periode van drie maanden gaan. Let op: bij de definitieve afrekening kan de meetperiode niet meer worden aangepast.
  13. De tegemoetkoming in de loonkosten blijft ongeacht de gekozen startdatum voor de omzetdaling meetperiode betrekking hebben op de loonkosten tussen maart en mei 2020.
  14. Werkgevers mogen gedurende de NOW-regeling geen ontslagaanvraag bij UWV indienen wegens bedrijfseconomische redenen1. Als sanctie geldt dat de loonsomberekening gecorrigeerd wordt met de loonsom van de werknemer plus een verhoging van 50% als boete (zie ook punt 5.b. hiervoor). Deze correctie wordt toegepast bij alle ontslagaanvragen die in de periode van 18 maart tot en met 31 mei 2020 zijn ingediend en die niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingetrokken.
  15. Andere verplichtingen van de werkgever dan het niet indienen van bedrijfseconomische ontslagaanvragen zijn:
    • a. de loonsom zoveel mogelijk gelijk houden;
    • b. de subsidie uitsluitend aanwenden voor de betaling van de loonkosten;
    • c. de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers informeren over de subsidieverlening;
    • d. een zodanig controleerbare administratie voeren dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan;
    • e. loonaangifte doen op de voorgeschreven momenten;
    • f. het overleggen na afloop van de periode waarover subsidie is verleend van een definitieve opgave van de omzetdaling met daarbij een accountantsverklaring van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep;
  16. De subsidieverlening wordt onder meer geweigerd indien:
    1. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste 20% zal zijn;
    2. het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens;
    3. de aanvraag anderszins niet voldoet aan de in de NOW-regeling gestelde eisen.

De volledige NOW-regeling met toelichting vindt u hier.

[1] De toelichting gaat niet in op de vraag of het sluiten van vaststellingsovereenkomsten in deze periode wegens bedrijfseconomische redenen wel is toegestaan.

Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte. Bij vragen kunt u contact opnemen met ons Team Arbeidsrecht.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Arbeidsrechtelijke update naar aanleiding van de Corona-crisis

Een handig overzicht van de aanvullende maatregelen die de het kabinet heeft getroffen om de gevolgen van het coronavirus op te vangen. Daarnaast antwoorden op nadere vragen over de NOW en alternatieve kostenbesparende maatregelen op een rij.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

Wat zijn de andere maatregelen van 17 maart 2020 naast de aangekondigde NOW?

  1. De 30%-regel premiedifferentiatie geldt (tijdelijk) niet in bepaalde sectoren
    Het kabinet is op verzoek van de Stichting van de Arbeid bereid om de premiedifferentiatieregeling aan te passen. Daarin is opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling kan nu tot onbedoelde effecten leiden in sectoren waar door het coronavirus veel extra overwerk nodig is (bijvoorbeeld de zorg). Het kabinet werkt de aanpassing nu uit.
  2. Uitstel tot 1 juli van de administratie ‘schriftelijke arbeidsovereenkomst’ premiedifferentiatie
    In december 2019 heeft minister Koolmees werkgevers tot 1 april 2020 de tijd gegeven de schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd over te leggen voor werknemers in vaste dienst. Deze periode wordt verlengd tot 1 juli. Het coulanceregime, zoals beschreven in de brief van december en geldig voor werknemers die uiterlijk 31 december 2019 voor onbepaalde tijd in dienst waren, zal dus gelden tot en met 30 juni 2020.
  3. Extra ondersteuning zelfstandig ondernemers
    Zelfstandigen (ook zzp’ers) kunnen voor een periode van drie maanden, via een versnelde procedure, aanvullende inkomensondersteuning krijgen voor levensonderhoud. Deze vult het inkomen aan tot het sociaal minimum en hoeft niet worden terugbetaald. Er is in deze tijdelijke bijstandsregeling voor zelfstandig ondernemers geen sprake van een vermogens- of partnertoets.
  4. Uitstel belastingbetaling
    Getroffen ondernemers kunnen eenvoudiger uitstel van inkomsten-, vennootschaps-, loon- en omzetbelastingen (btw) aanvragen. De Belastingdienst stopt de invorderingen dan direct.
  5. Verruiming garantiefonds
    Ondernemingen die problemen ondervinden bij het verkrijgen van bankleningen en bankgaranties kunnen gebruik maken van de Garantie Ondernemersfinanciering-regeling (GO). Het kabinet stelt voor het garantieplafond van de GO te verhogen van 400 miljoen naar 1,5 miljard euro.
  6. Rentekorting kleine ondernemers op microkredieten Qredits / Borgstelling Land- en tuinbouw / toeristenbelasting en cultuursector / overleg over compensatie getroffen sectoren
    Diverse maatregelen alsook overleg (op EU-niveau) over compensatie van specifieke sectoren vindt plaats.

Lees alle maatregelen uitvoerig in de Kamerbrief Noodpakket banen en economie van 17 maart jl.

Nadere vragen over de noodmaatregel (NOW)

  • Wanneer wordt de tegemoetkoming betaald?
    Na de aanvraag zal het UWV aan de werkgever een voorschot verstrekken van in elk geval 80% van de gevraagde tegemoetkoming. Achteraf wordt vastgesteld wat het daadwerkelijke verlies in omzet is geweest. Bij de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming kan worden vastgesteld of het voorschot te ruim of te beperkt is geweest. Op basis van de definitieve vaststelling vindt een correctie plaats met een eventuele nabetaling of terugvordering.
  • Wat is de impact op de medewerker: krijgt de werknemer gewoon salaris en is dat geheel of gedeeltelijk?
    De werknemer ontvangt het volledige salaris en het kost de werknemer geen WW-rechten. Het is een subsidie die, anders dan de ingetrokken regeling voor werktijdverkorting, niet gerelateerd is aan welke werknemers minder werken, maar aan het omzetverlies van de onderneming waarvoor de tegemoetkoming is aangevraagd.
  • Hoe wordt de omzetdaling in de NOW berekend, over welke periode en wat telt mee voor de loonsom?
    • Omzetdaling: Je kijkt naar de omzet over een afgelopen representatieve periode (doorgaans drie maanden) en vergelijkt dat met de omzet die vanaf 1 maart 2020 gemaakt wordt. De daling moet minstens 20% zijn.
    • Loonsom: het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers en dat bestaat uit het periodieke, direct aan werknemers betaalde loon (inclusief zaken als gratificatie, overwerk, provisie, loon in natura, vakantiegeld, reiskostenvergoeding) plus de sociale premies ten laste van werkgevers. Doorgaans is dit ongeveer 130% van de betaalde bruto lonen.
  • Wat is er nodig om de aanvraag te doen?
    De regeling NOW wordt op dit moment verder uitgewerkt door het kabinet en op korte termijn gepubliceerd. De aanvraag (die door werkgever wordt gedaan) kan nog niet worden ingediend. De periode waarover de werkgever tegemoetkoming kan krijgen, hangt niet af van de datum van de aanvraag. Omzetverlies vanaf 1 maart 2020 komt in aanmerking voor tegemoetkoming. Een reeds ingediende aanvraag werktijdverkorting wordt behandeld als een aanvraag NOW op het moment dat deze NOW in werking treedt. Zodra de nieuwe regeling van start gaat, ontvangt een werkgever die al een aanvraag werktijdverkorting indiende als zodanig bericht en zal gevraagd worden om nadere informatie aan te leveren.
  • Overige factoren die van belang zijn bij de NOW?
    1. Denk goed na over de rol van de Ondernemingsraad (OR), als die er is. Wijzigingen van regelingen ten aanzien van arbeidstijden en arbeidsomstandigheden zijn bijvoorbeeld instemmingsplichtig en hoe dan ook geldt dat de OR het recht heeft op informatie en betrokken te worden bij bijvoorbeeld de te nemen maatregelen ter voorkoming en beperking van risico’s. We adviseren tijdig met de OR in overleg te treden over de aanpak.
    2. Communicatie aan werknemers is ‘key’, ook om hun begrip en commitment te krijgen voor de te nemen maatregelen en hun bijdrage daaraan.

Andere maatregelen dan aanvragen van de NOW bij werkvermindering

  • Verplichten van werknemers om vakantiedagen op te nemen?
    Een maatregel die veel bedrijven op dit moment overwegen. Juridisch gezien kan je een werknemer in beginsel niet dwingen om vakantie op te nemen als er geen werk is door een reden die voor risico van werkgever dient te komen. Door het coronavirus bestaat wel echt een uitzonderlijke situatie en ligt het voor de hand met de OR te bespreken als er maatregelen genomen moeten worden om verderstrekkende maatregelen, zoals ontslag, te voorkomen en zo de OR te vragen om instemming met het feit dat werknemers (gedeeltelijk) vakantiedagen zullen opnemen over perioden dat er geen werk is. Het helpt om een redelijk voorstel te doen en wat men bijvoorbeeld ziet is dat bedrijven ‘het leed verdelen’ door het bieden van een dag verlof (op kosten werkgever) voor elke dag dat de werknemer een vakantiedag opneemt. De instemming van de OR bindt de werknemers niet, maar legt gewicht in de schaal en kan werknemers overtuigen om in te stemmen. Voorgaande ligt overigens anders als er wel werk is, maar de werknemer bijvoorbeeld door gebrek aan opvang maar gedeeltelijk kan werken (zoals in onze eerdere nieuwsflash behandeld, dan mag er meer van werknemer gevergd worden, zoals het opnemen van vakantiedagen)
  • Hoe ga je als werkgever om met geplande vakanties? Ben ik verplicht om de vakantie in te trekken op verzoek van de werknemer of kan ik mij op het standpunt stellen dat de vakantieplanning blijft staan zoals die is?
    Uitgangspunt is dat de werkgever de vakantiedagen vaststelt conform de wens van de werknemer. Ook als de werknemer de vakantiedagen op een ander tijdstip wil genieten dan in eerste instantie afgesproken, brengt ‘goed werkgeverschap’ in beginsel mee dat de werkgever daarmee in zal moeten stemmen. Alleen als aan de kant van de werkgever sprake is van gewichtige redenen, kan de werkgever weigeren in te stemmen met het verzoek van de werknemer om de vakantiedagen op een ander tijdstip te plannen. Gewichtige redenen kunnen bijvoorbeeld
    zijn gelegen in het feit dat het niet mogelijk is om de vakanties van alle werknemers in dezelfde periode (aan het einde van het jaar) te laten plaatsvinden. Het is dus afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval (het aantal werknemers dat de geplande vakantie wil intrekken, de mogelijkheden om de vakanties later in het jaar te laten plaatsvinden) of al dan niet sprake is van gewichtige redenen. Let op: de werkgever mag alleen niet genoten bovenwettelijke vakantiedagen aan het einde van het jaar uitbetalen en hoeft dus niet te vrezen dat alle niet genoten vakantiedagen moeten worden uitbetaald.
  • Tijdelijke werktijdverkorting of beperking overwerk?
    Uitgangspunt is dat de werkgever niet eenzijdig arbeidsuren aan kan passen. Maar ook hier geldt weer dat de werkgever (bij voorkeur met behulp van de OR) een (tijdelijk) beroep op de werknemers kan proberen te doen
  • Vrijwillig ontslag?
    Het is mogelijk om met de werknemer overeenstemming te bereiken over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst. De vraag is in hoeverre werknemers hiertoe bereid zullen zijn in deze tijden, dus dat lijkt niet reëel en zal geld (hoge vertrekvergoeding) kosten. De werknemer kan met een vaststellingsovereenkomst na ommekomst van de opzegtermijn aanspraak maken op WW.
  • Onvrijwillig ontslag?
    Indien sprake is van een structureel (dus niet tijdelijk!) verval van de functie, de selectie van de werknemer die voorgedragen wordt voor ontslag op juiste wijze is gemaakt en er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, dan kan er grond zijn voor ontslag op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Dit lijkt nu enkel voor de hand te liggen als NOW geen oplossing biedt en is ook niet mogelijk als er NOW is aangevraagd.
  • Collectief salarisverlaging?
    Hier geldt weer wat ook gezegd wordt bij bovenstaande punten. Het kan niet eenzijdig, maar vereist instemming van de werknemer. Lijkt niet reëel, tenzij zeer uitzonderlijke omstandigheden.
  • Stopzetten betaling reis- en onkostenvergoeding?
    Het stopzetten van reis- en onkosten is uitsluitend valide als het te betalen bedrag een vergoeding van daadwerkelijke kosten bedraagt (geen verkapt loon) en deze kosten niet meer gemaakt worden.
  • Beperking inhuur uitzendkrachten, ZZP’ers en andere opdrachtnemers?
    De mogelijkheid om contracten met opdrachtnemers te beëindigen hangt af van de contractuele afspraken, maar is veelal op korte termijn mogelijk als er geen werk meer is door overmacht. De overheid heeft inmiddels maatregelen genomen om de gevolgen voor ZZP’ers op te vangen. Uitzendkrachten kunnen zonder opzegtermijn naar huis worden gestuurd. Zij zijn in dienst van het uitzendbureau dat het risico draagt.
  • Contracten voor bepaalde tijd laten aflopen en beroep op ontbindende voorwaarde?
    Contracten voor bepaalde tijd kun je van rechtswege laten aflopen, let op tijdig aanzeggen (minimaal een maand voor de einddatum). Beroep op ontbindende voorwaarde is onder omstandigheden mogelijk.
  • Kunnen toezeggingen om tijdelijke arbeidsovereenkomsten te verlengen of om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden ingetrokken?
    Uitgangspunt is dat een toezegging om een tijdelijke arbeidsovereenkomst te verlengen of om te zetten in een vast contract moet worden nagekomen. Die gebondenheid kan wellicht worden doorbroken met een beroep op onvoorziene omstandigheden. Onder onvoorziene omstandigheden wordt verstaan: omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan en die partijen niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend) in een overeenkomst hebben verdisconteerd. Dit betekent dat de werkgever op het moment van de toezegging nog niet kon voorzien dat het coronavirus tot aanzienlijke werkvermindering zou leiden. Het moment van de toezegging aan de werknemer is dus van belang. De omstandigheden moeten bovendien van dien aard zijn dat de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Hieraan zal niet spoedig zijn voldaan en afwijking is dus hoge uitzondering. De kredietcrisis was in de rechtspraak in ieder geval geen reden om arbeidsovereenkomsten open te breken.
  • Kan de werkgever de werknemer vragen andere dan de eigen werkzaamheden te verrichten (bijvoorbeeld als de eigen werkzaamheden er niet meer zijn)?
    Een werkgever mag de werknemer ‘binnen redelijke grenzen’ vragen om andere werkzaamheden te verrichten. In dit kader zijn de begrippen ‘goed werknemerschap’ en ‘goed werkgeverschap van belang. Als de werknemer een redelijk verzoek van de werkgever weigert, zou de werkgever zelfs een sanctie kunnen opleggen zoals het inhouden van loon of in de laatste plaats ontslag.

Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte. Bij vragen kunt u contact opnemen met ons Team Arbeidsrecht.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Tijdelijke maatregel Noodfonds Overbrugging Werkgelegenheid

Het kabinet heeft op 17 maart 2020 de regeling Werktijdverkorting ingetrokken. In plaats daarvan komt de tijdelijke maatregel Noodfonds Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Deze maatregel is geldig van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (met mogelijkheid van verlenging) en komt in het kort neer op het volgende.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

  • Werkgevers kunnen bij het UWV een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen als er sprake is van een omzetverlies van tenminste 20% voor een periode van drie maanden.
  • De tegemoetkoming is ten hoogste 90% van de loonsom, gerelateerd aan het omzetverlies. Meer informatie over onder meer de hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten en concrete voorbeelden van de relatie tussen omzetdaling en de hoogte van de tegemoetkoming vindt u via deze link. Hierin staan ook de te verwachten vragen met antwoord opgenomen.
  • De tegemoetkoming voorziet in de loonkosten van vaste werknemers en werknemers met een flexibel contract (waaronder bijvoorbeeld ook oproepcontracten) voor zover zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode.
  • Het is geen voorwaarde voor de tegemoetkomingsregeling dat werknemers stoppen met werken. Werknemers maken met de werkgever afspraken of de werknemer (thuis) werk verricht voor
    de werkgever.
  • De periode van de regeling kan één keer met drie maanden worden verlengd (wellicht onder andere voorwaarden).
  • Werkgevers mogen in deze periode geen ontslag op grond van bedrijfseconomische redenen aanvragen.
  • Werkgevers betalen het loon aan de betrokken werknemers volledig door. Het UWV verstrekt aan de werkgever een voorschot van ten hoogste 80% van de verwachte tegemoetkoming.
  • De werknemer verbruikt geen WW-rechten als de werknemer onder de regeling komt te vallen.
  • De regeling zal op korte termijn worden gepubliceerd en ziet op omzetdalingen vanaf 1 maart 2020.
  • De aanvraag kan nu nog niet worden ingediend. Hier wordt aan gewerkt: indiening zal op korte termijn mogelijk zijn.
  • Een al ingediende aanvraag voor werktijdverkorting wordt behandeld als een aanvraag voor een tegemoetkoming in de loonkosten en zal ook volgens de nieuwe regeling worden berekend. Zodra de nieuwe regeling van start gaat, ontvangt de werkgever die al een aanvraag indiende bericht over de aan te leveren aanvullende gegevens. Een al verkregen vergunning voor werktijdverkorting wordt volgens de oude regeling afgehandeld. Verlenging van deze vergunning is echter niet meer mogelijk. U kunt dan een aanvraag indienen op basis van de nieuwe regeling.

Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte. Bij vragen kunt u contact opnemen met ons Team Arbeidsrecht.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Wat betekenen de maatregelen vanwege het Coronavirus voor de werkvloer?

Het Coronavirus leidt onder werkgevers tot veel vragen over wat zij mogen en moeten in verband met Covid-19 en de maatregelen die door het kabinet zijn afgekondigd. In deze nieuwsflash geven wij antwoord op de tien meest gestelde vragen.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

1. Kan ik werktijdverkorting aanvragen?

Indien u als gevolg van het Covid-19 virus, oftewel Coronavirus, uw werknemers substantieel minder kunt inzetten, dan kunt u werktijdverkorting en een WW-uitkering voor de werknemers aanvragen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • U verwacht voor een periode van minimaal twee tot maximaal 24 kalenderweken tenminste 20% minder werk.
  • De werkvermindering moet het directe gevolg zijn van buitengewone omstandigheden, zoals het Coronavirus.

Werktijdverkorting kan alleen worden aangevraagd voor werknemers voor wie u een loondoorbetalingsplicht heeft, dus niet voor zzp’ers, uitzendkrachten of oproepkrachten met een nul-urencontract.

De Ondernemingsraad heeft geen wettelijk instemmingsrecht of adviesrecht ten aanzien van een besluit tot aanvraag van werktijdverkorting. Dat neemt niet weg dat een werkgever de Ondernemingsraad bij de besluitvorming kan betrekken. 

U kunt bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via deze link een vergunning voor werktijdverkorting aanvragen. De vergunning wordt voor maximaal zes weken verleend, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag voor werktijdverkorting wordt ingediend. Is na die zes weken geen verbetering zichtbaar, dan kan een verlenging worden gevraagd, steeds voor een periode van zes weken, tot maximaal 24 weken.

Direct na ontvangst van de vergunning moet u deze melden bij het UWV, met behulp van het formulier dat u via deze link kunt vinden. Binnen een week na afloop van de vergunningsperiode kunt u bij het UWV een WW-uitkering aanvragen voor het aantal uren dat de werknemers voor wie een vergunning is verleend wel loon hebben ontvangen, maar niet hebben gewerkt. Alleen aan werknemers die voldoen aan de eisen van de Werkloosheidswet, wordt een WW-uitkering toegekend. Werknemers met onvoldoende arbeidsverleden hebben dus geen recht op een WW-uitkering. Aan werknemers die ziek waren voordat de vergunning werd aangevraagd wordt geen WW-uitkering toegekend. Voor deze werknemers moet u het loon doorbetalen, conform de regels die normaal gesproken ook gelden. 

De WW-uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan 75% van het loon over de uren die de werknemer minder gaat werken en daarna gelijk aan 70% van dat loon, maar wordt afgetopt tot het maximum dagloon, als dat minder is dan het daadwerkelijke loon. Veel cao’s bepalen dat de werkgever bij werktijdverkorting de WW-uitkering moet aanvullen tot 100% van het laatstverdiende salaris. Check dus een eventueel de toepasselijke cao.

2. Welke gevolgen heeft werktijdverkorting voor werknemers?

Op de website van de Rijksoverheid is te lezen dat werknemers over het algemeen weinig merken van de werktijdverkorting, omdat hun salaris gewoon wordt doorbetaald. Deze informatie vinden wij verwarrend en wij menen zelfs dat deze onjuist is. Sinds 1 januari 2020 geldt namelijk de Regeling onwerkbaar weer. Op grond van die regeling is de werkgever vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht, indien de werkgever een vergunning heeft gekregen voor werktijdverkorting. De werkgever mag dan dus volstaan met betaling van slechts het loon voor de uren dat de werknemer nog wel werkt (mits een eventueel toepasselijke cao niet een afwijkende regeling bevat).

Kiest de werkgever voor uitbetaling van slechts het salaris voor de uren dat nog gewerkt wordt, dan ontvangt de werknemer gedurende de periode van de werktijdverkorting een lager salaris. Na afloop van die periode betaalt het UWV de WW-uitkering uit (mits de werknemer daarvoor in aanmerking komt), maar dat is slechts 75 tot 70 procent van het salaris, of van het maximum dagloon als het salaris hoger is dan dat. Verder gaat de periode waarin aanspraak wordt gemaakt op WW ten koste van de door de werknemer opgebouwde WW-rechten. Werktijdverkorting kan dus wel degelijk ingrijpende gevolgen voor de werknemer hebben.

3. De school van het kind van mijn werknemer is gesloten vanwege het Corona virus. Mijn werknemer kan geen opvang regelen en ook niet vanuit huis werken. Heeft mijn werknemer recht op (kortdurend) zorgverlof en/of calamiteitenverlof en zo ja, moet ik het loon doorbetalen?

Calamiteitenverlof is bedoeld voor werknemers die met een plotseling probleem te maken krijgen, zoals een gesprongen waterleiding. Het verlof duurt zolang als de werknemer nodig heeft om het probleem op te lossen. Dat kan enkele uren en hooguit enkele dagen zijn. Gedurende het calamiteitenverlof heeft de werknemer recht op 100% van het salaris.

Als de werknemer niet kan werken omdat hij of zij voor een ziek familielid moet zorgen, kan de werknemer kortdurend zorgverlof opnemen, voor een periode van maximaal twee weken per jaar. De werknemer heeft gedurende de periode van het kortdurend zorgverlof recht op 70% van het salaris.

Kan een werknemer niet werken omdat hij geen kinderopvang kan regelen, dan moet hij volgens de wettelijke regeling vakantiedagen opnemen. Echter, in de huidige situatie waarin de scholen drie weken sluiten, is het de vraag of het redelijk is om dit risico geheel af te wentelen op werknemers die geen opvang kunnen regelen. Wij menen dat het een gedeeld risico betreft, dat door werkgever en werknemer samen gedragen moet worden, maar over dit onderwerp bestaat nog geen rechtspraak. Wij adviseren om naar creatieve oplossingen te zoeken en daarbij ook de Ondernemingsraad en de Arbodienst te betrekken. Denk aan mogelijkheden om thuiswerken gemakkelijker (en veiliger) te maken, kinderopvang door de werkgever, aangepaste werkroosters/tijden en het verlenen van deels betaald en deels onbetaald verlof. Een werknemer kan niet verplicht worden om vakantiedagen op te nemen, maar in goed onderling overleg kunnen werkgever en werknemer afspraken maken over het opnemen van vakantiedagen.

4. Wat zijn de regels voor werknemers met cruciale en vitale functies?

Werknemers die werkzaam zijn in een “cruciale” of “vitale” beroepsgroep, kunnen de komende periode op hun eigen school of opvang gebruik maken van de kinderopvangmogelijkheden, die worden geboden door onderwijspersoneel dat niet ziek is. Aan deze opvang zijn geen extra kosten verbonden. Dit is de link naar de lijst van vitale functies.

5. Moet ik het loon doorbetalen als een werknemer in quarantaine of isolatie moet blijven, ook als nog niet vaststaat dat de werknemer ziek is?

Wij gaan ervan uit dat u in deze situatie verplicht bent tot doorbetaling van loon, hoewel er nog geen rechtspraak is over dit onderwerp. Waar mogelijk kunt u afspraken maken over thuiswerken. Uiteraard moet u het loon in ieder geval doorbetalen als de werknemer ziek blijkt te zijn.

6. Kan ik mijn werknemers de toegang tot de werklocatie/het kantoor weigeren?

Als werkgever bent u verantwoordelijk voor het bieden van een gezonde en veilige werkomgeving. Afhankelijk van de situatie kan daarbij horen dat u een werknemer de toegang weigert tot de werkplek, bijvoorbeeld als de werknemer last heeft van neusverkoudheid, hoesten, keelpijn en/of koorts.

7. Moet ik mijn werknemers thuis laten werken?

Het advies van de overheid is om werknemers tot en met 6 april 2020 zo veel mogelijk thuis te laten werken en de werktijden zoveel mogelijk te spreiden. Dit advies geldt ook voor werknemers die geen klachten hebben.

8. Kan ik werknemers verplichten om naar het werk te komen?

In beginsel mag de werkgever alleen werknemers die werkzaam zijn in een cruciale of vitale functie verplichten naar het werk te komen. Wij menen dat een werkgever een werknemer die niet een cruciale of vitale functie vervult alleen mag verplichten naar het werk te komen als thuiswerken echt geen optie is en de risico’s op besmetting tijdens het werk minimaal zijn. Aangezien in de meeste functies contact met anderen onvermijdelijk is, zal het om uitzonderingsgevallen gaan.

9. Wat moet ik doen als mijn bedrijfsarts vermoedt of vaststelt dat een werknemer het Coronavirus heeft?

Indien een in Nederland werkzame (bedrijfs)arts het Coronavirus vermoedt of vaststelt, moet dit onmiddellijk gemeld worden bij de GGD. Daarnaast geldt uiteraard dat u de werknemer naar huis moet sturen en in samenspraak met de bedrijfsarts maatregelen zal moeten nemen om de werkplek voor de andere werknemers zo veilig mogelijk te houden.

10. Wat is er geregeld voor ZZP’ers?

De overheid heeft een versnelde openstelling van het Besluit Borgstelling MKB Kredieten beloofd. De BMKB-regeling is bedoeld om de kredietverlening aan het midden- en klein bedrijf te stimuleren. Als een MKB onderneming onvoldoende zekerheden heeft voor een krediet bij de bank, dan kan de Nederlandse Staat voor de onderneming garant staan. De Nederlandse staat zal vanwege het Coronavirus vanaf eind maart eerder garant staan voor ondernemers. Deze regeling is bedoeld voor bedrijven met maximaal 250 werknemers en voor zelfstandigen die een vrij beroep uitoefenen. Starters en innovatieve ondernemers kunnen gebruik maken van nog ruimere faciliteiten. De BMKB wordt in omvang verhoogd van 50% naar 75%. Daardoor kunnen banken makkelijker en sneller krediet verruimen en hebben bedrijven de mogelijkheid om eerder en meer geld te lenen. Bovendien zal de regeling ook toepasbaar zijn op overbruggingskredieten en rekening-courantkredieten met een looptijd tot twee jaar.

Verder kunnen ZZP’ers mogelijk een beroep kunnen doen op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Door het Bbz kan een zzp’er tijdelijk een uitkering ontvangen totdat deze weer in zijn eigen levensbehoeften kan voorzien. Een zzp’er kan in aanmerking komen voor een uitkering als hij tijdelijk in financiële problemen verkeert. De belangrijkste eis om in aanmerking te komen voor een Bbz-uitkering is dat het bedrijf van de zzp’er rendabel is. De gemeente waarin de zzp’er is gevestigd, bepaalt of deze in aanmerking komt voor een Bbz-uitkering. Op dit moment is nog niet duidelijk of de regels verruimd worden, maar naar verwachting wordt daar deze week meer bekend over gemaakt.

Ook kunnen ondernemers uitstel van betaling voor inkomsten-, vennootschaps- en omzetbelasting aanvragen bij de Belastingdienst.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Het arbeidsrecht weer op de schop?

De Commissie Borstlap komt met vergaande adviezen om de arbeidsmarkt te hervormen

De inkt van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) is nog amper droog en er ligt al een nieuw plan om de arbeidsmarkt te hervormen. Door tal van ontwikkelingen op het terrein van technologie, economie en samenleving is het de vraag of de bestaande regels op het gebied van het arbeidsrecht nog wel alle door de regering beoogde doelen bereiken. Om dit te onderzoeken, stelde het kabinet een onafhankelijke commissie in onder leiding van oud-topambtenaar Hans Borstlap: ‘Commissie Regulering van werk’ oftewel ‘Commissie Borstlap’. Op 23 januari jl. presenteerde de Commissie haar eindrapport.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

De kern

In de kern concludeert de Commissie dat Nederland alleen met een grondige hervorming van de arbeidsmarkt de groeiende kloof tussen vast werk en flexwerk kan dichten. Alle werkenden zouden dezelfde rechten en plichten moeten krijgen. De Commissie stelt een reeks van maatregelen voor die ingrijpen in het arbeidsrecht, sociale zekerheidsrecht en het fiscaal recht. De maatregelen moeten in samenhang worden uitgevoerd om effectief te kunnen zijn.

De belangrijkste maatregelen in het kort

Vast minder vast

  • De relatie tussen werkgever en werknemer moet losser worden. Werkgevers mogen functie, arbeidsplaats en werktijd van werknemers aanpassen wegens bedrijfseconomische omstandigheden.
  • Een werkgever moet ook (na goedkeuring van het UWV) deeltijdontslag kunnen opleggen.
  • Een rechter moet een ontslagaanvraag wegens disfunctioneren altijd toekennen en als er geen redelijke grond is, kan de rechter bepalen dat er een hogere vergoeding moet worden toegekend. Deze moet aanzienlijk hoger zijn om misbruik te voorkomen.

Contractvormen

  • Er zijn nu teveel contractvormen. De Commissie pleit voor drie soorten werkenden: werknemers met een arbeidsovereenkomst voor (on)bepaalde tijd, zelfstandigen en uitzendkrachten.
  • Iemand die voor een bedrijf werkt, is werknemer tenzij door de opdrachtgever wordt aangetoond dat de werkende echt zelfstandig is. Daarbij wordt de bewijslast omgedraaid in vergelijking met nu.
  • Een werkgever mag maximaal gedurende twee jaar tijdelijke contracten aanbieden. Sinds de invoering van de WAB is dat recent overigens juist van twee jaar naar drie jaar opgerekt.
  • Flexwerkers krijgen een hoger minimumloon.
  • Oproepkrachten krijgen per kwartaal een minimum aantal werkuren gegarandeerd.
  • Uitzendkrachten moeten zijn geworven door een uitzendbureau en doen alleen werk dat echt tijdelijk is of qua duur en omvang lastig in te schatten is en krijgen de arbeidsvoorwaarden van het inlenende bedrijf. Uitzendwerk duurt maximaal 26 weken en ‘vluchtroutes’ worden bestreden.
  • De Commissie is kritisch op het door het Kabinet voorgestelde minimumtarief van € 16,- per uur voor zelfstandigen. In theorie een goed idee, maar het is slecht te handhaven en leidt tot grote administratieve lasten.

Ziekte

  • De werkgever betaalt bij ziekte een jaar salaris door (nu twee jaar).
  • Er komt een publieke basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid op het bestaansminimum voor alle werkenden (dus ook zelfstandigen) die een jaar niet hebben kunnen werken. Werknemers behouden in aanvulling hierop hun riantere arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van de WIA.

Leer- en ontwikkelbudget

  • Iedereen krijgt van de overheid bij de geboorte een leer- en ontwikkelbudget bedoeld voor het opdoen van noodzakelijke kennis en vaardigheden gedurende de loopbaan. De werkgever stort
    een maandelijks bedrag.
  • Bij ontslag wordt de transitievergoeding in het ontwikkelbudget gestort.

Belastingen

  • Voor alle werkenden geldt dezelfde inkomstenbelasting.
  • Belastingvoordelen voor zelfstandigen worden afgebouwd. Belastingvoordeel is er alleen nog voor wie echt onderneemt en dus investeert in ‘kapitaal’.
  • Werkgevers gaan voor flexwerkers hogere premies betalen.

WW

  • De WW wordt hoger maar ook korter van duur (nog niet duidelijk hoe kort).
  • Iedereen wordt verplicht tot periodieke om- of bijscholing via de ‘loopbaanwinkel’, betaald uit het leer- en ontwikkelbudget.

Pensioen

  • De Commissie overweegt een gelijk speelveld voor alle werkenden wat betreft aanvullend pensioen boven op de AOW en meent dat een aanvullende pensioenvoorziening voor alle werkenden voor de hand ligt. Dit is nog niet uitgewerkt.

De kosten

De kosten van de door de Commissie bepleite hervorming lopen in de miljarden euro’s, waarvan de Commissie inschat dat deze investeringen zich dubbel en dwars zullen terugverdienen.

De reacties

Minister Koolmees stelt dat de analyse van de Commissie helder is en dat het in zijn ogen een juiste analyse is. Hij stelt dat de richting van beleidsaanbevelingen in het rapport in veel gevallen in lijn is met het kabinetsbeleid: het verkleinen van de verschillen tussen vast en flex. De zzp-wetgeving staat in de steigers en ook het kabinet beoogt het aantrekkelijk te maken om mensen in dienst te nemen, bijvoorbeeld door maatregelen in de WAB.

Maar er is ook kritiek. Zo vindt FNV dat de Commissie te ver gaat met het terugschroeven van de ontslagbescherming van werknemers en te weinig aandacht heeft voor de kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt, zoals arbeidsgehandicapten. Werkgeversorganisaties zijn het er mee eens dat er maatregelen moeten worden genomen tegen ‘doorgeslagen flex’ maar vinden over het algemeen dat het belasten van tijdelijk werk en ondernemerschap niet de juiste route is. Zelfstandigen Bouw meent dat het beschouwen van iedere werkende als werknemer, tenzij wordt aangetoond dat iemand zelfstandige is, voorbij gaat aan de behoeften van zelfstandigen om in vrijheid te ondernemen.

Ook de politieke partijen laten zich kritisch uit. Hervorming van de arbeidsmarkt zal ongetwijfeld een belangrijk onderwerp worden in de volgende verkiezingen in 2021.

Lees het volledige rapport hier.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Bevestiging per e-mail is genoeg voor lage WW-premie

In onze nieuwsflash van 16 december jl. lieten we u weten dat Minister Koolmees bekend had gemaakt dat werkgevers, om in aanmerking te komen voor de lage WW-premie, tot 1 april 2020 de tijd zouden krijgen om te regelen dat zij beschikken over een door beide partijen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst, of een addendum, waaruit blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een vast aantal uren, dus niet zijnde een oproepovereenkomst. Mocht u overigens gebruik maken van arbeidsovereenkomsten met een jaaruren-norm, dan kan er onder voorwaarden wel een mogelijkheid zijn om voor de lage WW-premie in aanmerking te komen.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

Inmiddels heeft Minister Koolmees (in het Kennisdocument premiedifferentiatie WW) bevestigd dat niet alleen een schriftelijk door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst of een addendum volstaat, maar dat ook een digitale handtekening of een instemming per e-mail of in een HR-systeem voldoende is voor toepassing van de lage WW-premie.

Het is dus van belang te inventariseren in hoeverre u beschikt over een door beide partijen getekende schriftelijke arbeidsovereenkomst of addendum. Als dat niet het geval is, bijvoorbeeld omdat er aanvankelijk een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was gesloten die stilzwijgend is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (of door een alleen door werkgever getekende brief), is actie vereist.

U kunt volstaan met het sturen van een e-mail aan werknemers met daarin de vraag om voor een bepaalde datum per e-mail te bevestigen dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben en dat dit geen oproepovereenkomst is. Het is ook mogelijk deze schriftelijke bevestiging te krijgen door middel van instemming met een stemknop.

Werkgevers mogen alsdan tot 1 april 2020 de lage WW-premie afdragen, ook als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (of het addendum) nog niet schriftelijk is vastgelegd of bevestigd. In zulke situaties mag de werkgever op de loonstrook vermelden dat er een schriftelijke arbeidsovereenkomst is en in de loonaangifte over die tijdvakken de indicatierubriek ‘schriftelijke arbeidsovereenkomst’ vullen met ‘ja’. Deze coulance geldt alleen voor arbeidsovereenkomsten met werknemers die in dienst getreden zijn voor 1 januari 2020.

Als vervolgens echter niet voor 1 april 2020 voldaan is aan voornoemde voorwaarden (arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd, schriftelijk vastgelegd en geen oproepovereenkomst), maar de arbeidsovereenkomst wel voortduurt na 31 maart 2020, is met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie verschuldigd en dat scheelt maar liefst 5%.

Wij raden u dan ook aan om spoedig voornoemde inventarisatie te starten en zo nodig actie te ondernemen.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Maximale transitievergoeding per 2020: € 83.000,- bruto

In 2019 bedroeg de maximale transitievergoeding € 81.000,- bruto of een jaarsalaris als dat hoger was dan € 81.000,- bruto. Per 1 januari 2020 geldt een maximum van € 83.000,- bruto of een jaarsalaris als dat hoger was dan € 83.000,- bruto. Het maximum voor de transitievergoeding wordt ieder jaar geïndexeerd conform de ontwikkeling van de contractlonen volgens de MacroEconomische Verkenningen (MEV).

De PDF-versie van dit artikel vindt u hier.

Onder de WAB zal een werkgever minder snel € 83.000,- bruto hoeven te betalen, met name vanwege het verval van de specifieke regeling die voor 2020 gold voor werknemers met een dienstverband van meer dan 10 jaar en van 50 jaar of ouder. Door die regeling viel de transitievergoeding voor deze groep werknemers snel hoger uit. Hieronder nog een korte samenvatting van de nieuwe berekeningsmethode van de transitievergoeding als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) per 1 januari 2020.

De transitievergoeding bedraagt per 2020 1/3 maandsalaris per gewerkt jaar, en naar rato voor het overige gedeelte van het dienstverband of als het dienstverband korter dan een jaar heeft geduurd. Tegenwoordig geldt dat vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst bij ontslag (of als een werkgever een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengt) recht op de transitievergoeding bestaat. Voor de berekening van de transitievergoeding wordt dus uitgegaan van het gehele dienstverband en niet meer afgerond op halve jaren.

Daarnaast is met ingang van 1 januari 2020 de overgangsregeling voor werkgevers met minder dan 25 werknemers vervallen. De uitzondering dat zij in geval van een slechte financiële situatie de dienstjaren voor 1 mei 2013 bij de vaststelling van de transitievergoeding niet hoeven mee te tellen, is niet meer van toepassing. Ook is de gunstigere transitievergoeding voor werknemers met een dienstverband van meer dan 10 jaar en van 50 jaar of ouder vervallen. Werknemers die bij ontslag een dienstverband van langer dan 10 jaar hadden kregen een half maandsalaris aan vergoeding per half dienstjaar na hun 50e jaar, mits hun werkgever 25 of meer werknemers had. Vanaf 1 januari 2020 vallen deze werknemers onder de algemene regeling en hebben zij geen bijzondere uitgangspositie meer.

Let wel, niet elke werknemer die uit dienst treedt heeft recht op een transitievergoeding. Als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werknemer eindigt, heeft de werknemer alleen recht op de transitievergoeding als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

De Rijksoverheid heeft een factsheet uitgebracht waarin in hoofdlijnen de berekening van de transitievergoeding per 2020 staat beschreven.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Het laatste nieuws over de Compensatieregeling transitievergoeding & WW-premiedifferentiatie

Uit onze eerdere nieuwsberichten over de Compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid bleek al dat er in de praktijk veel vragen over dit onderwerp leven. Een aantal vragen is reeds beantwoord, zie onze twee eerdere nieuwsberichten: ‘Werkgever moet meewerken aan de beëindiging van een slapend dienstverband’ en ‘het vervolg’. Op een aantal andere vragen heeft Minister Koolmees afgelopen vrijdag in een brief aan de Tweede Kamer een antwoord gegeven. In een andere brief aan de Tweede Kamer heeft de Minister een nadere toelichting gegeven op het vereiste van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, in het kader van de WW-premiedifferentiatie. In deze nieuwsflash geven wij van beide brieven een korte samenvatting:

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

Maximering compensatie transitievergoeding

Het UWV verstrekt op verzoek van de werkgever bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (na ten minste 104 weken) een compensatie die niet hoger kan zijn dan de (wettelijk verschuldigde en) door de werkgever betaalde transitievergoeding. De wet maximeert het te compenseren bedrag daarnaast op twee onderdelen:

  1. De compensatie is maximaal de transitievergoeding die is opgebouwd vanaf het begin van het dienstverband tot het moment dat de werknemer twee jaar ziek is. Over de periode waar sprake was van een verlengde loondoorbetalingsverplichting (als gevolg van een loonsanctie) of de periode dat het dienstverband slapend is gehouden, is ook de transitievergoeding opgebouwd. Dit gedeelte van de transitievergoeding is de werkgever verschuldigd, maar wordt door het UWV niet gecompenseerd.
  2. De compensatie bedraagt daarnaast maximaal het tijdens twee jaar ziekte betaalde loon. Hiermee wordt voorkomen dat de werkgever meer compensatie krijgt dan de loonkosten die zijn gemaakt tijdens twee jaar ziekte.

Met betrekking tot het tweede maximum is dan de vraag wat de hoogte van de compensatie is wanneer tijdens de eerste twee jaar ziekte ook een uitkering (bijvoorbeeld WIA-, WAZO-, WAJONG-, Ziektewet-uitkering) of loonkostensubsidie is verstrekt. Wat is dan het ‘tijdens twee jaar ziekte betaalde loon’? De Minister heeft laten weten nog uit te willen zoeken of het mogelijk is om bepaalde uitkeringen en subsidies niet van invloed te laten zijn op het maximale compensatiebedrag en dus of het tweede maximum nog aanpassing behoeft. Immers, als deze uitkeringen en/of subsidies niet als ‘loon tijdens ziekte’ zouden worden beschouwd, zou de werkgever een lagere compensatie krijgen. Dit zou niet stroken met het doel van sommige van deze uitkeringen of subsidies om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers met een ziekte(verleden) of handicap in dienst te nemen. Om die reden heeft de Minister, in overleg met het UWV, besloten om het tweede maximum niet in werking te laten treden per 1 april 2020 maar pas later, zodat er tijd ontstaat voor verder onderzoek.

Een antwoord van de Minister op vragen in de praktijk

De werkgever moet op grond van goed werkgeverschap instemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van het (slapende) dienstverband met wederzijds goedvinden en ook met betaling van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding zoals die verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst na 104 weken (of na een periode van een eventuele loonsanctie). De Minister geeft de volgende antwoorden op vragen uit de praktijk.

  • De Minister bevestigt dat het UWV de compensatie ook verstrekt in geval van een beëindiging met wederzijds goedvinden indien het initiatief daartoe van de werknemer komt.
  • Met ingang van 1 januari 2020 wijzigt de opbouw van de transitievergoeding. Dit kan leiden tot een lagere transitievergoeding. Daarom is voor de compensatieregeling overgangsrecht van toepassing. Dit overgangsrecht bepaalt dat als het einde van de 104 weken ziekte voor 1 januari 2020 ligt, maar de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2020 start, de compensatie berekend wordt conform de nieuwe berekening van de transitievergoeding. Dit betekent volgens de Minister dat de werkgever bij een beëindiging met wederzijds goedvinden vóór 1 januari 2020 tot overeenstemming moet zijn gekomen. De Minister bevestigde afgelopen vrijdag dat de daadwerkelijke einddatum van de arbeidsovereenkomst dan wel na 1 januari 2020 mag liggen om nog in aanmerking te komen voor een compensatie berekend conform de huidige/’oude’ berekening van de transitievergoeding. Wij roepen u opnieuw, met de Minister, op om in geval van (slapende) dienstverbanden waarvan het einde van de 104 weken ziekte vóór 1 januari 2020 ligt, nog deze maand met de werknemer overeenstemming te bereiken over een beëindiging met wederzijds goedvinden of (als dit niet lukt) nog vóór 2020 de UWV-procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te starten. U kunt dan als werkgever nog voor de hogere compensatie in aanmerking komen (als geldt dat de transitievergoeding conform de ‘oude’ berekening hoger is dan conform de nieuwe berekening).

Beslistermijn UWV

In lagere regelgeving is bepaald binnen welke termijn het UWV beslist op aanvragen voor compensatie. Voor ‘oude gevallen’ heeft het UWV een (verlengde) beslistermijn van zes maanden. Dit heeft te maken met het feit dat ook de in het verleden betaalde vergoedingen, vanaf 1 juli 2015, voor compensatie in aanmerking komen. Minister Koolmees gaat de relevante ministeriële regeling zo aanvullen dat deze verlengde beslistermijn niet alleen geldt in situaties waarin de arbeidsovereenkomst is beëindigd en een vergoeding is betaald vóór 1 april 2020, maar ook in situaties waarin het opzegverbod is verstreken vóór 1 april 2020 en de formele beëindiging en betaling van de vergoeding pas plaatsvindt na 1 april 2020.

Hierbij de link naar de brief van de Minister.

WW-premiedifferentiatie

Werkgevers krijgen iets meer tijd om hun loonadministratie op orde te krijgen, in verband met de nieuwe regels omtrent de WW-premiedifferentiatie.

Vanaf 1 januari 2020 betalen werkgevers een lage WW-premie over het loon van werknemers met een vast contract en een hoge WW-premie over het loon van werknemers met een flexibel contract. De lage WW-premie mag worden afgedragen voor werknemers met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, mits er geen sprake is van een oproepovereenkomst. In andere gevallen – behalve enkele specifieke uitzonderingen – geldt de hoge WW-premie.

Om een lage WW-premie te mogen afdragen, moet de werkgever beschikken over een schriftelijke arbeidsovereenkomst, die door beide partijen is ondertekend, waaruit blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, niet zijnde een oproepovereenkomst. Een addendum bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dat door beide partijen is ondertekend, volstaat ook.

De minister heeft op 9 december 2019 bekend gemaakt dat werkgevers tot 1 april 2020 de tijd krijgen om te regelen dat zij beschikken over een door beide partijen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst, of een addendum, waaruit blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dus ook als dit op 1 januari 2020 nog niet is geregeld, mogen werkgevers de lage WW-premie afdragen. In zulke situaties kunnen werkgevers in de loonaangifte bij de indicatierubriek ‘schriftelijke arbeidsovereenkomst’ ‘ja’ invullen. Deze coulance-regeling
geldt alleen voor arbeidsovereenkomsten met werknemers die voor 1 januari 2020 in dienst zijn getreden.

Als op 1 april 2020 niet aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, maar de arbeidsovereenkomst wel voortduurt, is met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 alsnog de hoge WW-premie verschuldigd.

Hierbij de link naar de Kamerbrief.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Werkgever moet meewerken aan de beëindiging van een slapend dienstverband, het vervolg

Twee weken geleden hebben wij u geïnformeerd over de beschikking van de Hoge Raad van 8 november 2019 over de zogenaamde slapende dienstverbanden. Inmiddels heeft het UWV tijdens een presentatie op een congres met ruim 2000 arbeidsrechtadvocaten op 21 november 2019 meer inzicht gegeven over de per 1 april 2020 in werking tredende compensatieregeling in combinatie met deze uitspraak. Helaas werd duidelijk dat het UWV op veel vragen over de uitspraak nog geen antwoord heeft. Het UWV stelde letterlijk zich nog te moeten beraden, mede omdat de Hoge Raad de beschikking niet goed zou hebben onderbouwd. Het UWV wil hierover mogelijk nog in overleg treden met de minister.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

Tijdens het congres bleek ook dat de uitspraak van de Hoge Raad in de praktijk tot veel vragen leidt. Deze vragen en (mogelijke) antwoorden zetten wij graag voor u op een rij met aan het slot duidelijke tips voor uw organisatie. 

Voor het geval u deze nieuwsflash niet helemaal leest geven wij u de volgende belangrijke tip.
Heeft u momenteel een werknemer in dienst die 104 weken of langer arbeidsongeschikt is, dan raden wij u zeer aan om nog dit jaar een beëindigingsregeling met deze werknemer te treffen en de transitievergoeding aan deze werknemer te betalen. U krijgt dit bedrag dan (grotendeels) van het UWV vergoed.

1. Wanneer moet een werkgever het dienstverband van een ‘slapende werknemer’ beëindigen?

Uitgaande van de tekst van de beschikking ligt het initiatief tot beëindiging bij de werknemer. De werkgever moet op grond van artikel 7:611 BW (‘goed werkgeverschap’) de arbeidsovereenkomst bij een slapend dienstverband in beginsel beëindigen ‘indien de werknemer dit wenst’ of ‘werkgever moet instemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging’. Kortom: de werknemer moet ‘piepen’.

TIP: de werkgever kan natuurlijk ook zelf het initiatief nemen om de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte te beëindigen en hoeft niet te wachten tot de werknemer zijn wens heeft geuit.

2. Wat is de sanctie als de werkgever geen gehoor geeft aan de rechtsregel uit deze beschikking?

De Hoge Raad maakt niet duidelijk wat het juridische gevolg is als een werkgever niet ingaat op een verzoek van de werknemer om tot een beëindiging van het dienstverband te komen.

Volgens Hoogleraar Ruben Houweling pleegt de werkgever een toerekenbare tekortkoming (artikel 6:74 BW) als hij de verplichting tot beëindiging niet nakomt. De schadevergoeding is dan ten minste gelijk aan het bedrag dat de werkgever had moeten betalen bij nakoming van de plicht tot beëindiging.

LET OP: zodra een werknemer om een voorstel tot beëindiging verzoekt, de werkgever dit weigert en dit leidt tot een aansprakelijkheidsprocedure waarin de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, dan zal het UWV die schadevergoeding niet compenseren! Laat het als werkgever dus niet tot een procedure komen.

3. Wat als de werknemer niet meer kan piepen?

Nu de verplichting tot beëindiging afhankelijk is van het ’piepen’ door de werknemer, zullen bepaalde werknemers geen transitievergoeding meer krijgen omdat zij de wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet meer kunnen uiten. Dit kan zo zijn als de arbeidsovereenkomst al vanwege het overlijden van de werknemer (na 104 weken ziekte) of het bereiken van de pensioenleeftijd (na 104 weken ziekte) automatisch is geëindigd.

Let op: een werknemer die 104 weken ziek is geweest en van wie de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het bereiken van de AOW-leeftijd, kan volgens verschillende rechtsgeleerden aanspraak maken op een transitievergoeding, indien de werknemer nog vóór het bereiken van de AOW-leeftijd heeft verzocht om mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Als een werknemer de AOW-leeftijd al wèl heeft bereikt, maar het dienstverband nog slapend is en dus nooit is beëindigd, zou de werknemer de werkgever misschien alsnog na het bereiken van de AOW-leeftijd (succesvol) kunnen verzoeken de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding zoals die gold per einde wachttijd (vóór AOW-leeftijd), ook al heeft een werknemer die de AOW-leeftijd heeft bereikt volgens de wet geen recht op een transitievergoeding.

Tijdens het congres werd duidelijk dat de meningen verdeeld zijn over of er dan nog aanspraak bestaat op een transitievergoeding.

TIP: zorg dat de dienstverbanden van slapende werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd binnenkort zullen bereiken tijdig door een beroep op een overeengekomen pensioenontslagbeding eindigen. Dit is een einde van rechtswege, maar het verdient aanbeveling om werknemers voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd schriftelijk te berichten dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt.

4. Hoe om te gaan met werknemers die vóór 1 juli 2015 al een slapend dienstverband hadden en nog in dienst zijn?

Werknemers die al vóór 1 juli 2015 een slapend dienstverband hadden, kunnen geen aanspraak maken op een transitievergoeding. De Hoge Raad koppelt in de beschikking weliswaar de band tussen de compensatieregeling en een transitievergoeding los, maar uit de hele beschikking blijkt dat de compensatieregeling een voorwaarde is voor toewijzing van het beëindigingsverzoek van de werknemer. De Hoge Raad overweegt namelijk dat de geboden vergoeding niet meer hoeft te bedragen dan verschuldigd zou zijn (geweest) op de datum van 104 weken. Vóór 1 juli 2015 werd nog geen ontslagvergoeding toegekend bij opzegging als gevolg van langdurende ongeschiktheid (de transitievergoeding bestond toen nog niet) en dus kunnen deze werknemers ook nu geen aanspraak maken op een vergoeding.

5. Hoe wordt de transitievergoeding die een werkgever aan een slapende werknemer bij beëindiging moet betalen berekend?

Volgens de Hoge Raad moet de wettelijk verschuldigde transitievergoeding aan de werknemer worden betaald. Die vergoeding kan hoger liggen dan het bedrag dat door het UWV wordt gecompenseerd. Het UWV compenseert namelijk alleen de transitievergoeding die verschuldigd is na 104 weken ziekte. Als de arbeidsovereenkomst later dan na 104 weken ziekte wordt beëindigd, zal de verschuldigde transitievergoeding inmiddels door tijdsverloop hoger uitpakken.

Een opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV en met inachtneming van de opzegtermijn, leidt tot een einddatum die later ligt dan na einde wachttijd (104 weken) en verschilt van geval tot geval. Een beëindiging met wederzijds goedvinden middels een vaststellingsovereenkomst kan wel meteen na 104 weken worden gesloten. De opzegtermijn hoeft in dat geval niet in acht te worden genomen (omdat er geen loondoorbetalingsplicht is voor de werkgever).

De vraag is welke datum voor de berekening van de transitievergoeding moet worden gebruikt als er geen vaststellingsovereenkomst wordt gesloten meteen na einde wachttijd. Einde wachttijd 104-weken? Het moment van piepen van de werknemer? De datum van de uitspraak van de Hoge Raad? Dat is nog niet duidelijk. Het lijkt dan ook goed om de transitievergoeding niet verder te laten oplopen en de arbeidsovereenkomst na 104 weken meteen met een vaststellingsovereenkomst te beëindigen.

6. Hoogte vergoeding per 1 januari 2020 naar nieuw (WAB) of oud recht (WWZ)?

De uitspraak van de Hoge Raad gaat niet in op de gevolgen voor de transitievergoeding per 1 januari 2020. Op grond van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is de transitievergoeding voor (oudere) werknemers per die datum doorgaans (veel) lager dan onder de huidige regels, omdat de 50+-overgangsregeling voor oudere werknemers per 1 januari 2020 komt te vervallen. De Hoge Raad lijkt te zeggen dat de datum waarop de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid beëindigd had kunnen worden (dus na einde wachttijd) doorslaggevend is voor de vergoedingsmaatstaf en niet de vergoeding die het UWV daadwerkelijk compenseert.

Als de wachttijd op 1 juli 2018 is geëindigd, maar de werkgever beëindigt pas per 1 mei 2020, dan zal het UWV maximaal de transitievergoeding compenseren zoals die geldt op 1 mei 2020 (onder de WAB). Stel dat deze € 10.000 bruto bedraagt maar de transitievergoeding zou per 1 juli 2018 gelijk zijn (geweest) aan € 30.000 bruto, dan zou de werkgever volgens de uitspraak van de Hoge Raad de transitievergoeding moeten betalen zoals die gold ‘op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen’. Dat zou een transitievergoeding zijn naar oud (WWZ) recht van in dit geval € 30.000 bruto. Het verschil van € 20.000 bruto krijgt de werkgever dan kennelijk niet vergoed van het UWV.

Op 21 november 2019 is vanuit het UWV het volgende aangegeven: als een vaststellingsovereenkomst tussen een werkgever en een “slapende” werknemer nog is overeengekomen in 2019, maar met een einddatum in 2020, dan compenseert het UWV de (hogere) transitievergoeding die geldt in 2019 (dus onder de WWZ).

Tot slot: aanbeveling voor de praktijk

Gelet op het bovenstaande adviseren wij onze cliënten om vóór 1 januari 2020 de arbeidsovereenkomst met slapers te (doen) beëindigen (bij voorkeur nog in 2019) en daarbij een vergoeding toe te kennen gelijk aan de transitievergoeding zoals die gold per einde wachttijd 104-weken. In dat geval houdt de werkgever de regie en krijgt de werkgever optimale compensatie van het UWV.

Langer wachten kan leiden tot minder compensatie dan hetgeen aan de slaper is betaald. De huidige onzekerheid over het moment van fixatie (van de vergoeding) en het verschil in berekening van de transitievergoeding op basis van WAB en WWZ is in veel gevallen een goede reden voor werkgevers om niet af te wachten, maar actief tot een beëindiging over te gaan.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit:

Werkgever moet meewerken aan de beëindiging van een slapend dienstverband

Op vrijdag 8 november 2019 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan naar aanleiding van door de kantonrechter gestelde zogenaamde prejudiciële vragen. Er waren al meerdere kantonrechters die in de afgelopen periode wisselende uitspraken hebben gedaan over de vraag of een werkgever verplicht kan worden om de arbeidsovereenkomst met een werknemer na twee jaar ziekte te beëindigen en daarmee aan de zieke werknemer een wettelijke transitievergoeding moet betalen. In de meeste uitspraken is geoordeeld dat de werkgever geen ‘ontslagplicht’ heeft. De Hoge Raad komt nu, in navolging van de conclusie van de A-G, tot een ander oordeel.

De PDF-versie van dit nieuwsartikel vindt u hier.

Verplichting om te beëindigen

De Hoge Raad overweegt dat goed werkgeverschap meebrengt dat een werkgever verplicht is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Dit is dan wel uitsluitend het geval indien is voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 aanhef en sub b BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Daarin is opgenomen dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Onder een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 sub b BW wordt verstaan “ziekte of gebreken van de werknemer waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode van twee jaar is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht”

Betalen wettelijke transitievergoeding

Over de verplichting om de wettelijke transitievergoeding te betalen overweegt de Hoge Raad dat die vergoeding niet méér behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. Dat is doorgaans na twee jaar arbeidsongeschiktheid, maar kan bij een opgelegde loonsanctie ook na drie jaar arbeidsongeschiktheid zijn. De Hoge Raad overweegt verder dat voor de hoogte van die vergoeding niet hoeft te worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de per 1 april 2020 in te voeren compensatieregeling op het UWV kan verhalen.

Uitzondering

Op het uitgangspunt dat de werkgever moet meewerken aan een beëindiging van een slapend dienstverband moet volgens de Hoge Raad een uitzondering worden aanvaard. Als op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, geldt die verplichting niet. Zo een belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Een gerechtvaardigd belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.

Compensatieregeling

Per 1 april 2020 kunnen werkgevers bij het UWV een compensatie aanvragen als in de periode na 1 juli 2015 een transitievergoeding is betaald aan een werknemer die tenminste twee jaar ziek is geweest, mits het einde van de periode van twee jaar na 1 juli 2015 lag. Het UWV vergoedt de transitievergoeding die de werkgever wettelijk verschuldigd was per het einde van de wachttijd en dus na twee jaar ziekte. Als een werkgever een werknemer langer in dienst houdt dan de twee jaar wachttijd zal de transitievergoeding hoger worden, maar die komt dan niet volledig voor vergoeding in aanmerking.

Tip

Dit alles betekent dat het verstandig is om na te gaan of er sprake is van slapende dienstverbanden of van dienstverbanden met werknemers die bijna twee jaar arbeidsongeschikt zijn. Deze zouden zo spoedig mogelijk moeten worden beëindigd omdat de te betalen wettelijke transitievergoeding dan volledig zal worden gecompenseerd.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons team arbeidsrecht bestaat uit: