Het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid

Het ontslagrecht lijkt eindelijk hervormd te worden. Met het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid, dat het resultaat is van een compromis tussen werkgevers en werknemers, wil de wetgever onder meer het ontslagrecht vereenvoudigen. Andere doelen zijn: het beperken van ontslagvergoedingen, het versterken van de positie van werknemers met een contract voor bepaalde tijd en met een contract voor wisselende uren en het beperken van de langdurige inzet van flexibele arbeid.

Tijdens een symposium van de Vereniging voor Arbeidsrecht Advocaten, waar 600 advocaten, hoogleraren, rechters en andere arbeidsrechtjuristen vertegenwoordigd waren, bleek de algemene opinie te zijn dat het wetsvoorstel het ontslagrecht juist ingewikkelder maakt en dat het maar zeer de vraag is of de beoogde doelstellingen worden behaald. Het valt dus te verwachten dat het wetsvoorstel nog behoorlijk wat wijzigingen zal ondergaan.

Het kabinet streefde er in ieder geval naar de wijzigingen ter versterking van de positie van flexwerkers al per 1 juli 2014 te laten ingaan. D66 en de VVD hebben inmiddels een amendement ingediend om bepaalde wijzigingen  pas per 1 juli 2015 in te voeren. Minister Asscher verzet zich daar niet tegen, dus waarschijnlijk gaat in ieder geval een deel van de voorgestelde wijzigingen per 1 juli 2015 in. Het gaat om de volgende wijzigingen.

1.⇥Opvolgende arbeidsovereenkomsten
Huidige situatie:
Momenteel mag een werkgever drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aanbieden, binnen een tijdvak van drie jaar. Van een opvolgend contract is sprake als er niet meer dan drie maanden tussen twee contracten zijn gelegen. Bij het vierde opvolgende contract ontstaat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Per 1 juli 2014/2015:
Volgens het wetsvoorstel mogen de drie opvolgende contracten nog slechts een tijdvak van twee jaar beslaan. Bovendien is voortaan van opvolgende contracten sprake als er niet meer dan zes maanden tussen twee contracten zijn gelegen.

TIP: indien u nog vóór 1 juli 2014/2015 een derde opvolgend contract aanbiedt, waarmee een tijdvak van twee jaar overschreden gaat worden, dan wordt de derde arbeidsovereenkomst niet van rechtswege omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Doet u dat na 1 juli 2014/2015, dan ontstaat wèl een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.⇥Proeftijd
Huidige situatie:
Momenteel mag in iedere arbeidsovereenkomst een proeftijd worden opgenomen. In een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag een proeftijd van maximaal 1 maand worden overeengekomen.
In een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mag een proeftijd van maximaal 2 maanden worden overeengekomen.

Per 1 juli 2014:
Volgens het wetsvoorstel is een proeftijd in een tijdelijk contract voor ten hoogste zes maanden niet geldig. Verder wijzigen de regels rond de proeftijd niet.

3.⇥Concurrentiebeding
Huidige situatie:
Momenteel is een concurrentiebeding in iedere arbeidsovereenkomst in beginsel rechtsgeldig.

Per 1 juli 2014:
Een concurrentiebeding is niet langer toegestaan in een tijdelijk contract, tenzij de werkgever schriftelijk motiveert welke bedrijfsbelangen beschermd moeten worden en waarom een concurrentiebeding vereist is.
Een concurrentiebeding in een contract voor onbepaalde tijd blijft rechtsgeldig.

4.⇥Aanzegtermijn
Huidige situatie:
Momenteel zijn werkgevers niet verplicht een werknemer met een contract voor bepaalde tijd tijdig te informeren of het contract al dan niet verlengd wordt.

Per 1 juli 2014:
Het wetsvoorstel introduceert bij tijdelijke contracten die langer duren dan 6 maanden een aanzegtermijn. De werkgever moet de werknemer uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk informeren of de arbeidsovereenkomst al dan niet wordt voorgezet. Wil de werkgever de arbeidsovereenkomst voortzetten, dan moet hij de werknemer ook informeren onder welke voorwaarden hij wil voortzetten. Doet de werkgever dat niet, dan is hij de werknemer een vergoeding verschuldigd van een maandsalaris.

TIP: wijs iemand aan die verantwoordelijk is voor de aanzeggingen (bijvoorbeeld een HR manager). Laat deze persoon agenderen dat uiterlijk een maand voor afloop van ieder tijdelijk contract dat langer duurt dan 6 maanden schriftelijk aan de medewerker moet worden meegedeeld of de arbeidsovereenkomst eindigt dan wel wordt voortgezet en onder welke voorwaarden. Het is toegestaan om de werknemer al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst te informeren dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen periode niet verlengd zal worden.

De belangrijkste voorgestelde wijzigingen die per 1 juli 2015 in werking moeten treden komen in de volgende update aan de orde.

Overgang van onderneming: het Roest/Albron arrest

Overgang van een onderneming

Op 5 april 2013 heeft de Hoge Raad het Roest/Albron-arrest gewezen, dat van belang is voor het leerstuk van de overgang van een onderneming. Door de overgang van een onderneming gaan de rechten en verplichtingen tussen de werkgever in die onderneming en de werknemers die daar werken van rechtswege over op de verkrijger. Tot Roest/Albron was de heersende leer dat alleen werknemers die een arbeidsovereenkomst hadden met de overgedragen onderneming van rechtswege mee over gingen naar de verkrijger. Werknemers die slechts tewerkgesteld waren bij de overgedragen onderneming en een arbeidsovereenkomst hadden met een andere onderneming gingen niet van rechtswege mee over.

De Hoge Raad heeft op deze leer een belangrijke uitzondering geformuleerd: ook de werknemer die permanent tewerk is gesteld bij de over te dragen onderneming en een arbeidsovereenkomst heeft met een andere, tot hetzelfde concern behorende onderneming, gaat van rechtswege mee over.  

De casus

Het arrest is het sluitstuk van een procedure die jaren geleden werd aangespannen door de heer Roest, een voormalig werknemer van Heineken en FNV Bondgenoten. Roest had (zoals alle werknemers van Heineken) een arbeidsovereenkomst met Heineken Nederlands Beheer B.V. Hij was gedetacheerd bij Heineken Nederland B.V., dat tot 1 maart 2005 de cateringactiviteiten van het Heinekenconcern exploiteerde.

Per 1 maart 2005 werden de cateringactiviteiten van Heineken Nederland B.V. uitbesteed aan Albron. Roest kreeg vervolgens een aanbod om bij Albron in dienst te treden, op minder gunstige arbeidsvoorwaarden dan hij bij Heineken had. Roest trad bij Albron in dienst, maar verzocht daarop de kantonrechter voor recht te verklaren dat de overgang van de cateringactiviteiten van Heineken naar Albron een overgang van onderneming was en dat de desbetreffende werknemers, onder wie Roest, van rechtswege in dienst waren getreden van Albron. Ook vorderde Roest dat Albron werd veroordeeld tot uitbetaling van het achterstallig loon.

Hoewel Roest geen arbeidsovereenkomst had met Heineken Nederland B.V., de vervreemder van de cateringactiviteiten, was de kantonrechter van oordeel dat Roest toch van rechtswege mee over was gegaan naar Albron en wees hij de vorderingen van Roest toe. Ook in hoger beroep werd Roest door het Gerechtshof in het gelijk gesteld, nadat het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen van het Gerechtshof had beantwoord.

Het Europese Hof had verklaard dat ook de niet-contractuele werkgever kan worden aangemerkt als een “vervreemder” in de zin van de Richtlijn (die ten grondslag ligt aan de bepalingen in boek 7 BW omtrent de overgang van een onderneming). Volgens het Europese Hof is het bij een overdracht van een concernonderneming niet noodzakelijk dat tussen die onderneming en de werknemer die daar permanent tewerkgeseld is, een arbeidsovereenkomst bestaat, om te kunnen concluderen dat er sprake is van een overgang van onderneming, waardoor de rechten en verplichtingen van de werknemer van rechtswege mee over gaan naar de verkrijger.

Onder verwijzing naar deze uitleg van het Europese Hof, verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van Albron. Ook de Hoge Raad was van oordeel dat de arbeidsvoorwaarden van Roest waren overgegaan op Albron.

Praktijk

Wat betekent dit arrest nu voor de praktijk? In ieder geval dat werknemers die vanuit een personeelsvennootschap permanent tewerkgesteld zijn bij een zustervennootschap, van rechtswege mee over gaan als de onderneming van die zustervennootschap wordt overgedragen.

Vanuit de gedachte dat de Richtlijn beoogt werknemers bescherming te bieden is het arrest begrijpelijk. Het arrest roept echter ook vragen op. Onduidelijk is bijvoorbeeld of het arrest ook ziet op werknemers die permanent tewerkgesteld zijn vanuit een vennootschap die niet tot hetzelfde concern behoort. En wat is de situatie ten aanzien van werknemers die voor langere tijd door een uitzendbureau of payrollbedrijf tewerkgesteld zijn bij de onderneming die overgedragen wordt?

Op deze vragen geeft het Albron/Roest-arrest geen antwoord. Het laatste woord over deze problematiek is nog niet gezegd.

Maximering vertrekvergoeding tot inkomen bij de leeftijd van 65 jaar in een sociaal plan gerechtvaardigd?

Is een anticumulatiebeding in een met representatieve vakbonden overeengekomen sociaal plan in strijd met de Wet Gelijke Behandeling Leeftijd bij de arbeid (WGBL)? Recent oordeelde de Rechtbank van Maastricht dat een anticumulatiebeding in het sociaal plan van KPN nietig is. Gevolg: de rechter kent de werknemer een vertrekvergoeding toe zonder de maximering van het inkomen tot 65 jaar. Is dit wel een juist oordeel? Ik meen van niet.

De Wet Verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

Pensioenontslag op de AOW-leeftijd is op grond van artikel 7 lid 1 sub a WGBL per definitie objectief gerechtvaardigd, pensioenontslag op een lagere leeftijd moet objectief gerechtvaardigd worden. Zonder objectieve rechtvaardiging is sprake van verboden onderscheid en dus van ongeloorloofde discriminatie. Pensioenontslag is echter iets geheel anders dan de vraag of maximering van de vertrekvergoeding tot de leeftijd van 65 jaar verboden leeftijdsonderscheid oplevert.

Als gevolg van de per 1 januari 2013 in werking getreden Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (“de Wet”) hebben werknemers niet meer bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht op AOW maar (uiteindelijk) pas op 67-jarige leeftijd. Veel pensioenreglementen en sociale plannen gaan ook na invoering van de Wet nog uit van 65 jaar als pensioenleeftijd. De Wet bevat geen bepaling over aanpassing van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten aan de nieuwe AOW-leeftijd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aanpassing van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten wel onderwerp van discussie is geweest. Toch heeft dit er niet toe geleid dat de Wet aansluiting van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten op de verhoogde AOW-leeftijd regelt. De regering is van mening dat het aan individuele werkgevers en werknemers en aan cao-partijen is om hun onderlinge afspraken in lijn te brengen met de wetgeving. Ingrijpen in lopende contracten zou een zeer vergaande maatregel zijn en de wetgever heeft het bewust aan individuele werkgevers en werknemers en aan cao-partijen overgelaten voor deze aansluiting te zorgen.

Pensioenontslag op de AOW-leeftijd is op grond van artikel 7 lid 1 sub a WGBL per definitie objectief gerechtvaardigd, pensioenontslag op een lagere leeftijd moet objectief gerechtvaardigd worden. Zonder objectieve rechtvaardiging is sprake van verboden onderscheid en dus van ongeoorloofde discriminatie. Pensioenontslag is echter iets geheel anders dan de vraag of maximering van de vertrekvergoeding tot de leeftijd van 65 jaar verboden leeftijdsonderscheid oplevert.

Ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen?

Bij de toets van een anticumulatiebeding aan de WGBL moeten twee vragen worden beantwoord: (1) maakt de regeling (indirect of direct) onderscheid naar leeftijd en (2) zo ja, kan dit onderscheid objectief worden gerechtvaardigd? Voor de beantwoording van de eerste vraag zal moeten worden gekeken of de personen of groepen die met elkaar worden vergeleken zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Het moet bij leeftijdsonderscheid gaan om een ongunstigere behandeling dan een ander in een vergelijkbare situatie. Daarvan is geen sprake want een werkgever zal het bewuste artikel van het sociaal plan niet willekeurig toepassen maar op exact dezelfde wijze voor iedere werknemer die meer vergoeding zou ontvangen dan het inkomen tot 65 jaar. De vergelijking die de rechter in zijn uitspraak trekt met jongere werknemers is niet terecht. De positie van een jongere werknemer is onvergelijkbaar met die van een oudere werknemer. Zo heeft de oudere werknemer langer recht op WW dan een jongere werknemer en zal een oudere werknemer eerder na het vertrek recht hebben op AOW en pensioenuitkering dan een jongere werknemer. Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling en daarmee geen sprake van leeftijdsonderscheid.

Objectieve rechtvaardiging?

Als wel sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen die niet gelijk worden behandeld, komt het aan op de tweede vraag en daarmee of het leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit betekent dat moet worden nagegaan of sprake is van een legitiem doel voor het gemaakte leeftijdsonderscheid en van een passend en noodzakelijk middel om dat doel te bereiken. Indien een anticumulatiebeding is opgenomen in een sociaal plan dat met representatieve vakbonden is overeengekomen is van belang dat de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) sinds 2007 belang toekent aan de rol die sociale partners spelen bij de totstandkoming van een sociaal plan. Collectieve afspraken vormen aanleiding om het gemaakte leeftijdsonderscheid terughoudend te toetsen. Indien in het sociaal plan is gekozen voor een regeling die het meest recht doet aan de arbeidsmarktpositie van de werknemers in de verschillende leeftijdscategorieën, die niet is gebaseerd op uitsluitend financiële argumenten en waarbij de leeftijdsgrens is gekozen in samenspraak met representatieve sociale partners, is sprake van objectief gerechtvaardigd leeftijdsonderscheid, zo blijkt uit oordelen van de CGB. De uitspraak van de rechter in de KPN zaak geeft geen informatie over het beschikbare budget of andere elementen die voor de toets van de objectieve rechtvaardiging van belang kunnen zijn. Het is dus niet te beoordelen of er een minder onderscheidmakend alternatief was gelet op het beschikbare budget. Het feit dat het anticumulatiebeding in een sociaal plan is opgenomen dat is overeengekomen met sociale partners zou in ieder geval hebben moeten leiden tot een zeer terughoudende toetsing door de rechter. Van die terughoudendheid is niets terug te vinden in de uitspraak.

Nieuwe EEX-Verordening bevoegdheid en tenuitvoerlegging in grensoverschrijdende civiele zaken

Bij grensoverschrijdende burgerlijke- en handelszaken wordt sinds 2002 binnen de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, de EEX-Verordening (Brussel 1) toegepast.
In dit verdrag zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter en erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. Zie hier
In december 2012 werd door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie een gewijzigde EEX-verordening aangenomen, Verordening nr. 1215/2012, PbEU 2012 L351/1. Zie hier
Deze gewijzigde verordening is van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.
De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de oude verordening zijn:
– afschaffing exequatur procedure
– nieuwe litispendentie regeling bij exclusieve forumkeuze
-⇥verruiming bevoegdheidsregels bij arbeidsovereenkomsten met werkgevers

Afschaffing exequatur procedure
Met de gewijzigde verordening komt de exequatur regeling te vervallen. Dit betekent dat buitenlandse vonnissen waarop de nieuwe verordening van toepassing is rechtstreeks en zonder verklaring van uitvoerbaarheid in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd kunnen worden. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd heeft wel de mogelijkheid om weigering van erkenning of tenuitvoerlegging van een vonnis te verzoeken als hij meent dat er een grond voor weigering van erkenning aanwezig is.
Tenuitvoerlegging wordt door de nieuwe regeling een stuk eenvoudiger. Voor de partij tegen wie een beslissing ten uitvoer gelegd wordt betekent dit echter dat deze zelf actie moet ondernemen om tenuitvoerlegging te voorkomen.

Nieuwe litispendentie regeling
Litispendentie is de situatie waarin gelijktijdig over dezelfde zaak/zaken een procedure wordt gevoerd in verschillende landen. In de huidige regeling moet de rechter waar een zaak als eerste aanhangig is gemaakt zich eerst uitlaten over zijn bevoegdheid voordat de rechter in het andere land hierover een beslissing mag nemen.
In zaken waarin door partijen bij overeenkomst een expliciete forumkeuze is gemaakt kan het voorkomen dat één van de partijen de zaak aanbrengt bij een rechter in een andere lidstaat dan is overeengekomen voordat de andere partij kans heeft gezien bij de rechter van keuze te dagvaarden. Dit wordt ook wel een torpedo procedure genoemd omdat het met regelmaat voorkomt dat partijen proberen om hiermee het proces te vertragen. De procedure bij de tussen partijen expliciet gekozen rechter kan immers pas aanvangen op het moment dat de andere rechter zich onbevoegd heeft verklaard. Dat kan soms jaren duren. Met de gewijzigde regeling zal de rechter van de andere lidstaat de zaak moeten aanhouden, ongeacht welke zaak het eerst is aangebracht, tot het gerecht van de exclusieve forumkeuze zich onbevoegd heeft verklaard.

Ruimere bevoegdheidsregels bij arbeidsovereenkomsten
In de huidige regeling geldt in algemene zin voor vorderingen tegen verweerders die geen woonplaats hebben in een lidstaat dat de verordening niet van toepassing is. In de nieuwe regeling geldt voor de werkgever die geen woonplaats heeft in een lidstaat dat hij toch kan worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat. Dat kan bij de rechter van de staat waar de werknemer gewoonlijk werkt of waar vanuit hij werkt. Wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen. De mogelijkheden voor werknemers om een werkgever die gevestigd is buiten de EU binnen de EU te dagvaarden is hiermee vergroot.