Portretrecht: do’s en dont’s van gebruik van portretten in reclame

Steeds vaker worden bekende personen, maar ook ‘gewone mensen’ afgebeeld in reclamecampagnes en advertenties. Maar: adverteerders en reclamebureaus maken niet altijd (goede) afspraken over het gebruik van iemands portret. Of denken dat volstaan kan worden met gebruik van een lookalike. Dat kan kostbare gevolgen hebben. Dit zijn de do’s en dont’s voor het gebruik van portretten in reclame.

Wat is een ‘portret’? Een herkenbare weergave

Bij de term ‘portret’ zal meestal gedacht worden aan een foto, tekening of schilderij van iemands gezicht. Maar de term omvat in juridische zin veel meer. Het gaat om een herkenbare weergave van een persoon. Daaronder valt bijvoorbeeld:

  • een gezicht
  • een karikatuur
  • een (lichaams)houding
  • een silhouet
  • een lookalike

Zolang er maar een bepaalde persoon in te herkennen is.

Een voorbeeld van een silhouet/lookalike dat als portret wordt gezien, volgt uit een advertentie in de Telegraaf (rechts) van Yellow Bear (iLocal.nl). Dat is een concurrent van de Gouden Gids die een oproep doet om ‘De Gids de rug toe te keren’:

De Gouden Gids gebruikte voor haar advertenties Katja Schuurman (afbeelding links). De Gouden Gids had bezwaar tegen het gebruik van de lookalike door iLocal.nl, startte een rechtszaak vanwege inbreuk op het portretrecht van Katja Schuurman en kreeg gelijk: ‘De vrouw in de reclame-uitingen voor iLocal.nl … heeft hetzelfde kapsel en dezelfde haarkleur als [Katja] hetzelfde silhouet, postuur en houding en gelijksoortige hoge hakken. …. Er is derhalve sprake van een portret.’

Zelfs een bepaald stemgeluid kan onder het begrip ‘portret’ vallen en verboden worden.

Portretrecht in de Auteurswet: twee situaties

Het portretrecht is geregeld in de Auteurswet. Daarin staat welke rechten de persoon heeft waarvan een portret is gemaakt, de zogenoemde geportretteerde. En in de Auteurswet staat ook wie de eventuele auteursrechten heeft op het gemaakte portret, bijvoorbeeld als het gaat om een foto of schilderij. Dat is meestal de fotograaf respectievelijk de schilder.

Er zijn twee mogelijkheden: ofwel een portret is in opdracht gemaakt, of niet. Of er sprake is van een portret dat gemaakt is in opdracht, is van belang om te bepalen wie er wat mee mag doen.

Portret in opdracht

Hierbij gaat het om een portret dat in opdracht wordt gemaakt van de geportretteerde. Anderen dan de geportretteerde mogen het portret niet zonder zijn/haar toestemming gebruiken. Voor adverteerders en reclamebureaus is deze situatie over het algemeen niet snel van toepassing.

Portret niet in opdracht

Deze situatie is in de reclamewereld veel gebruikelijker: in een campagne wordt bijvoorbeeld een willekeurige portretfoto gebruikt. Soms met, soms zonder toestemming.

Als een portret niet in opdracht is gemaakt, kan het gebruik daarvan op twee manieren worden tegengegaan. In de eerste plaats door degene die de auteursrechten op het portret (zoals een foto) heeft. En daarnaast door de geportretteerde, op voorwaarde dat diegene daar een redelijk belang bij heeft.

Als adverteerder of reclamebureau moet je er dus altijd op bedacht zijn dat als je (zonder toestemming vooraf) een portret van iemand gebruikt, daartegen bezwaren kunnen bestaan; enerzijds bezwaar van de auteursrechthebbende (als het bijvoorbeeld gaat om een foto), anderzijds van degene van wie het portret is gebruikt: de geportretteerde. En dat kan verstrekkende, vooral financiële gevolgen hebben.

Bezwaar van de auteursrechthebbende

Degene die een portret maakt van iemand, zoals een foto, is in beginsel de auteursrechthebbende. -. Deze fotograaf bepaalt of een foto door anderen mag worden verspreid of gekopieerd. Als zo’n foto in een reclamecampagne wordt gebruikt, zonder dat de fotograaf daartoe toestemming heeft gegeven, kan die zich daartegen verzetten en onder meer schadevergoeding vragen. Bijvoorbeeld in de vorm van gemiste licentievergoedingen.

Daarnaast kan dus de geportretteerde bezwaar maken tegen gebruik van zijn/haar portret. Op voorwaarde dat diegene daar een redelijk belang bij heeft dat zwaarder weegt dan het belang dat het reclamebureau of de adverteerder heeft om het portret te gebruiken.

Redelijk belang om gebruik in reclame tegen te gaan

Bij beantwoording van de vraag of iemand een redelijk belang heeft om gebruik van zijn/haar portret tegen te gaan, zijn twee situaties te onderscheiden: 1. gaat het om ‘zomaar iemand’ of 2. gaat het om een bekende persoon?

1. Redelijk belang van ‘zomaar iemand’

Gebruik van een foto of afbeelding in advertenties van zomaar iemand – geen BN’er – kan niet altijd worden tegengegaan. Als bijvoorbeeld een foto wordt gebruikt van een straatbeeld waarop iemand (toevallig) afgebeeld staat, zal er geen redelijk belang zijn om zich tegen gebruik van zo’n foto te verzetten.

Anders kan dat worden als de foto wordt gebruikt in een bepaalde context waarmee degene op de foto niet geassocieerd wil worden. Dat was bijvoorbeeld het geval bij het artikel ‘Is Schiphol nog veilig?’ op de voorpagina van de Volkskrant, geïllustreerd  met een foto van een willekeurige persoon die niets met de (on)veiligheid op Schiphol te maken heeft. Geen reclamecampagne, maar de uitkomst – degene op de foto kan zich verzetten en krijgt schadevergoeding – zal hetzelfde zijn.

De rechter maakt altijd een afweging tussen de belangen die spelen: enerzijds het belang van de adverteerder op informatievrijheid en anderzijds het belang van de geportretteerde om zich te verzetten, bijvoorbeeld omdat zijn/haar portret gebruikt wordt op een commerciële en onwenselijke manier. Daarvan was sprake in de zaak ‘Discodanser’.

In 1997 krijgt een student 75 gulden om met ontbloot bovenlijf te dansen in voormalig discotheek de IT (Amsterdam). Daar wordt een foto van gemaakt die de eigenaar van de IT gebruikt voor een reclamefolder met het opschrift ‘Mooi bloot gezocht voor de Toplessparty’. Deze folder wordt ook in zijn geheel afgedrukt op de achterzijde van de Gay-krant, het grootste homo- en lesbienneblad van Europa. Voor de (hetero) student niet wenselijk. Hij wilde helemaal niet geassocieerd worden met de homobeweging. De student start een procedure en krijgt gelijk: het publiek zal er (ten onrechte) van uitgaan dat voor het gebruik van de foto toestemming is gegeven door die persoon.

Ook gewone mensen kunnen zich dus verzetten tegen gebruik van hun portret in reclame. Zij hebben alleen geen zogeheten ‘verzilverbare populariteit’ zodat de eventuele schadevergoeding die betaald moet worden door een adverteerder/reclamebureau vaak een stuk lager is dan bij bekende personen als BN’ers.

2. Redelijk belang van een BNér – verzilverbare populariteit

Voor een (internationaal of nationaal) bekend persoon is het eenvoudiger zich te verzetten tegen gebruik van diens portret in reclamecampagnes. Bekende personen hebben namelijk een ‘verzilverbare populariteit’. Dat betekent dat zij normaliter voor het gebruik van hun portret geld kunnen vragen (en krijgen).

De vraag die hierbij om de hoek komt kijken, is natuurlijk: wat is een redelijke vergoeding die betaald moet worden voor gebruik van een bekend persoon in reclamemateriaal? Meestal wordt daarbij gekeken naar de vergoeding die zo iemand normaal gesproken vraagt of kan vragen. Bekendere personen krijgen dan dus een hogere vergoeding dan minder bekende.

En hoe zit dat dan met lookalikes?

Een lookalike is strikt genomen geen portret van degene op wie de lookalike lijkt. Maar: de (bekende) persoon in kwestie die ermee is bedoeld, zal herkenbaar zijn en dus kan een lookalike vaak toch gelden als portret van die bekende persoon. Zie het hiervoor beschreven voorbeeld van Katja Schuurmans lookalike.

Dat was ook het geval in een zaak waarin een lookalike van Max Verstappen werd gebruikt voor een commercial van online supermarkt Picnic. Volgens Picnic een ludiek filmpje, maar dat kan het jonge bedrijf nog wel eens duur komen te staan.

https://blog.legaldutch.nl/wp-content/uploads/2017/10/max-verstappen-jumbo-picnic-1024x427.jpg
Still uit het gewraakte filmpje

Max Verstappen heeft een exclusief contract met supermarkt Jumbo en figureert in een Jumbo reclamecampagne. Picnic bedacht – vlak nadat het bedrijf gelanceerd was – een ludieke actie op social media en gebruikte daarbij een lookalike van Max Verstappen. Anders dan in de Jumbo-commercial waarin Max Verstappen de boodschappen razendsnel thuis bezorgt, doet de ‘Picnic Max Verstappen’ het ogenschijnlijk rustiger aan, maar bezorgt hij wel gratis thuis. Het management van Max Verstappen kan niet lachen om de commercial van Picnic en start een procedure. De rechter vindt dat Picnic de lookalike niet had mogen gebruiken. Het was duidelijk de bedoeling van Picnic om in de commercial het beeld van Max Verstappen op te roepen. Daar moet voor betaald worden. De vraag is alleen nog hoeveel schadevergoeding Picnic moet betalen. Max Verstappen heeft 350K geëist, maar of dat ook toegewezen wordt?

Dit niet vergeten als je juridische geschillen wil voorkomen

Als je als adverteerder of reclamebureau een portret van iemand wil gebruiken in een commercial of advertentie, vraag dan waar mogelijk vooraf toestemming. In de eerste plaats aan de eventuele auteursrechthebbende, zoals de fotograaf die de foto heeft gemaakt (beter nog: maak zelf een foto/afbeelding).

Daarnaast: als de geportretteerde zelf mogelijk een redelijk belang heeft om zich te verzetten tegen gebruik, vraag dan óók aan hem/haar toestemming. Betaal zo nodig een (kleine) vergoeding. Die vergoeding zal waarschijnlijk een stuk lager zijn dan de vergoeding die achteraf betaald moet worden. Gebruik daarnaast niet zomaar een lookalike van een BN’er. Ook lookalikes worden vaak gezien als portret van die BN’er en aangezien die een verzilverbare populariteit heeft, kan dat een kostbare grap zijn.

Wat als het toch mis gaat?

Als adverteerder kun je worden aangesproken op inbreuk op het portretrecht van iemand die zonder toestemming is afgebeeld in een campagne. In de eerste plaats wordt een verbod op de campagne gevorderd. Meestal is het kwaad dan echter al geschied: de campagne heeft (media)aandacht gekregen. Vaak wordt naast een verbod een rectificatie gevraagd zodat iedereen weet dat de adverteerder fout zat. En: schadevergoeding. Hoe hoog die vergoeding moet zijn, verschilt van geval tot geval. Als inbreuk is gemaakt op het portretrecht van een bekende persoon, kan die vergoeding aardig oplopen. Zo kreeg Louis van Gaal € 25.000 voor het gebruik van zijn portret (te weten: zijn houding op de bank bij een voetbalwedstrijd, zie afbeelding) in een advertentie zonder dat hij daar toestemming voor had gegeven. Hij had een bedrag van € 100.000 gevraagd.

Max Verstappen vraagt € 350.000 voor het gebruik van zijn lookalike in de Picnic-commercial. Naar alle waarschijnlijkheid zal dat bedrag wel naar beneden worden bijgesteld. De hoogte van de vergoeding zal onder andere afhangen van het bedrag dat hij bij Jumbo krijgt voor het exclusieve gebruik van zijn portret in de Jumbo-commercial. Dat Picnic moet betalen, staat wel vast. Dat is het risico voor elke adverteerder die zonder toestemming een portret gebruikt.

Dit artikel is eerder verschenen bij LegalDutch.

IP Update 2

The secret weapon of the Benelux trademark registration

Benelux trademark registrations have a huge advantage compared to other, f.i. EU registrations. The Benelux Convention on Intellectual Property (BCIP) provides for additional protection, namely against the use of signs other than as a trademark. As in most trademark law systems, a Benelux trademark owner is able to stop the use of (1) an identical sign for identical/similar goods and/or services, (2) a similar sign for identical/similar goods and/or services if a likelihood of confusion exists and (3) an identical/similar sign without due cause that takes unfair advantage of or is detrimental to the distinctive character or the repute of the trademark that enjoys a reputation in the Benelux territory. Benelux trademark owners are also able to stop the use of a sign ‘for purposes other than those of distinguishing the goods or services, where use of the sign without due cause would take unfair advantage of or be detrimental to the distinctive character or the repute of the trademark.’ In practice, this clause is mainly relied on in cases where the trademark owner tries to stop the use of a trade name (company name), a domain name or use in social media/on internet in general. Often with success. Companies that are on the verge of making a decision as to where to apply for a trademark registration should take this advantage into account.

The well-known and talented Dutch Formula 1 driver Max Verstappen earns serious amounts of money with racing. But there is an alternative financial source: his portrait.

IP Update 1

 

Don’t forget the moral rights of architects!

At the Dutch museum ‘Naturalis’ (an internationally recognized authority on biodiversity) the ‘T.Rex in Town-exposition’ can now be visited. This exposition attracts many visitors, Dutch as well as from abroad. The rest of the museum is closed for a large-scale renovation in order to be able to deal with the increasing number of visitors.

That renovation led to a tough legal dispute over copyrights and the accompanying moral rights of the architect Fons Verheijen who originally designed the museum. The architect claimed that with the planned renovation his design would be crippled which could jeopardize his reputation. This can be seen as a violation of his moral rights (the so-called ‘droit au respect’). During the legal proceedings, the renovation of the museum could no longer be postponed and had already started. Stopping the renovation and turning it back would be a disaster for Naturalis. Yet, that is what the court in interim injunction proceedings did: Naturalis had to stop the renovation until the court in the simultaneous proceedings on the merits would decide whether the renovation would mean an infringement of the rights of the architect.

But then the parties settled: the only thing the architect could do was claim a high amount of damages. And the only thing Naturalis could do was pay. Ignoring the moral rights of the architect cost Naturalis 1.5 Million Euros… An expensive lesson. Hopefully the visitors do not have to pay for that.

Animal drinks

Over 10 years ago, a legal battle started between Red Bull and the Dutch coffee shop operator The Bulldog. This battle was caused by the registration and use of the trademark THE BULLDOG for energy drinks.

In the opinion of Red Bull this trademark was confusingly similar to its own RED BULL mark, or at least The Bulldog would take unfair advantage of or could be detrimental to the reputation of Red Bull’s well-known trademark.

The clash between the bulls ended up in a complicated legal battle about interpretation of law which – via the Dutch Supreme Court – even went all the way up to the highest European Court, the European Court of Justice in Luxemburg. The European Court gave its judgment and after referral decisions and more than 10 years of legal battle the court of appeal in The Hague simply ruled that the trademarks could not even be considered similar. As a consequence, to put it as simply as possible: in the view of this court Red Bull did not have a case and the court did not have to look into all the legal nitty-gritties that the parties had been debating about for years. Looking at the past, we would be surprised if this judgment is really the end of this sage. Red Bull is probably not ready to give up yet…

 

Sometimes the strength lies in its simplicity

The Dutch like beschuit, unique to the Netherlands and best described as a kind of dry, crunchy and brittle toast, always round of shape. This typical breakfast materialplays an important role in a typically Dutch tradition to celebrate the arrival of a baby (if you wonder, search for: ‘beschuit met muisjes’). The usual packaging for beschuit is a tight foil wrapping, which opens from the top. One disadvantage: how to get the biscuits out of the wrapping without breaking them… A problem that many Dutch experienced for decades, and which was solved by a Dutch man, Mr. Tempel, in 1999. He made a cut-out in the beschuit, which acts as a finger hold and filed a patent for this invention. A very simple but genius solution that is appreciated by many. Not surprisingly, premium biscuit brands wish to offer their customers with premium handling comfort provided by this cut-out technique, preferably without paying royalties to Mr. Tempel.

Two Dutch biscuit players, Bolletje and Van der Meulen, have tried to invalidate the beschuit patent, without success. This ended in entering into a license agreement with Tempel.

Recently, Continental Bakeries (CB) also wanted to have cut-out beschuit. CB invited Tempel for a meeting to discuss a license. For health reasons Tempel was not able to join any discussions at that moment and he asked for some patience. CB’s patience was tested and apparently it did not have much. Instead awaiting better moments, it initiated invalidity proceedings, once more trying to wipe the patent. CB stated that the claimed solution, as simple as it is, is obvious and cannot be considered a patentable invention. A wrong assessment and likely prompted by hindsight. Again, a multimillion company could not stand up against the patent of Mr. Tempel. After this defeat, at the end of 2016 in other court proceedings, CB tried to force Tempel to grant a license on the patent after all. But also these proceedings turned out in Tempel’s advantage, leaving CB empty handed.

Registered design rights prove valuable again

Every now and then the value of registered design rights (‘RCDs’ – Registered Community Designs) becomes clear in lawsuits over design protection. RCDs appear to be a hidden IP-secret.

Recently, a new toy was launched: small plastic Velcro play balls in various colours named ‘Bunchems’. By ‘sticking’ these play balls to each other, many forms and figures can be made. The manufacturer, Spin Master, has protected the play balls i.a. with an RCD for the fluffy design of the play balls.

 

As in many cases, successful products can count on being copied. High5 sells almost identical small plastic Velcro play balls in various colours: ‘Linkeez’. Spin Master started interim injunction proceedings based on its registered EU design rights and won: the Linkeez play balls infringe the design rights of the Bunchems play balls. The interlocutory judge deems the RCD of Spin Master to be valid and the Linkeez play balls to be infringing. Besides being prohibited to use the Linkeez play balls in all EU-countries, High5 needs to publish a rectification.

This newsletter can also be received automatically by e-mail. If you would also like to receive our IP Updates by e-mail, please subscribe via ipupdate@legaltree.nl

Wat kost een merken-, auteursrecht of handelsnaamzaak? En andere zaken die intellectueel eigendom (IE) betreffen.

Aan wat voor bedragen moet je denken als je gaat procederen over een merk of handelsnaam, of over auteursrechten?

Uitgangspunt: kosten procedure komen voor eigen rekening

De kosten van een rechtszaak komen voor eigen rekening. Meestal bestaan deze kosten voor het grootste deel uit advocaatkosten.

De verliezende procespartij wordt (meestal) door de rechter veroordeeld in de kosten van de procedure, zodat hij de kosten van de winnende partij moet vergoeden. Dat levert alleen niet veel op. Deze kostenvergoeding is een zogeheten forfaitair bedrag en dekt bij lange na niet de werkelijke advocaatkosten. Nadeel hiervan is dus dat over het algemeen bij een goede afloop van een rechtszaak nog steeds een aanzienlijk deel van de gemaakte kosten voor eigen rekening komt. Er is ook een voordeel:  bij verlies zijn de bijkomende kosten van de wederpartij veelal te overzien.

In IE-zaken kan de verliezer veroordeeld worden in de werkelijke kosten, inclusief advocaatkosten van de winnende partij

In intellectuele eigendomszaken, zoals merken-, handelsnaam- en auteursrechtzaken, gelden andere regels. In dit soort zaken wordt de verliezer doorgaans veroordeeld tot vergoeding van de werkelijke kosten, inclusief advocaatkosten van de winnende partij. Maar: ook in IE-zaken (met uitzondering van octrooizaken) geldt dat de te vergoeden advocaatkosten niet ongelimiteerd zijn.

Al sinds 2008 hanteren rechtbanken zogenaamde ‘indicatietarieven’ aan de hand waarvan de redelijkheid en de evenredigheid van de gemaakte advocaatkosten kunnen worden beoordeeld en die de procespartijen verder de mogelijkheid geeft het kostenrisico in een vroeg stadium beter te kunnen inschatten.

Het indicatietarief is in beginsel de maximale verschuldigde vergoeding voor advocaatkosten van de wederpartij. Het geldt niet in octrooizaken

Vanaf 1 april 2017 gelden nieuwe indicatietarieven en lijkt het erop dat de rechter ook strenger zal gaan vasthouden aan deze tarieven. De Hoge Raad heeft al beslist dat de rechter de taak heeft de hoogte van de proceskosten ambtshalve, dus uit zichzelf (zonder dat partijen daar een beroep op doen), te toetsen. In de toelichting bij de nieuwe indicatietarieven is dan ook expliciet vermeld dat hogere bedragen – dus boven het maximale indicatietarief (zie over de hoogte hieronder) – alleen nog maar worden toegewezen in uitzonderlijke gevallen.

Dit geeft vooraf meer zekerheid over het maximale financiële procesrisico als je – naast je eigen kosten die je al dient te dragen – ook in de kosten van de wederpartij veroordeeld wordt. Ook geeft het je vooraf meer zekerheid over wat je als winnende partij eventueel vergoed kan krijgen. Daarnaast geven indicatietarieven veelal een goed beeld van de te verwachten eigen advocaatkosten voor de procedure.

Hoe hoog zijn de indicatietarieven bij de rechtbank?

Nieuw is dat voor ‘zeer eenvoudige’ zaken vanaf 1 april 2017 geldt dat het gewone kostenregime op basis van forfaitaire bedragen van toepassing is. Van ‘zeer eenvoudig’ is sprake bij een kleine inbreuk, bijvoorbeeld een foto op de website van een particulier die op eerste verzoek zal worden verwijderd.

Los van de ‘zeer eenvoudige’ zaken, variëren de indicatietarieven in een kort geding bij de rechtbank vanaf 1 april 2017 van EUR 6.000 voor een eenvoudige zaak, EUR 15.000 voor een normale zaak tot EUR 25.000 voor een complexe zaak.

In een bodemprocedure gelden andere tarieven, die wat meer gedifferentieerd zijn omdat het verloop van een dergelijke procedure, nog los van de complexiteit, van zaak tot zaak kan verschillen. Het indicatietarief voor een ‘normale’ bodemzaak is EUR 17.500 tot EUR 20.000. De bandbreedte ligt in ieder geval tussen EUR 8.000 voor een eenvoudige zaak tot EUR 45.000 voor een complexe zaak, waarin ook nog procedurele incidenten zijn opgeworpen. In het weinig voorkomende geval dat de rechtbank vragen stelt aan het Hof van Justitie in de EU, wordt dit bedrag nog verhoogd met EUR 15.000. Dus EUR 60.000 lijkt het absolute plafond in een bodemprocedure bij de rechtbank.

Het Indicatietarief rechtbank voor de advocaatkosten in een normaal kort geding is EUR 15.000 en voor een bodemprocedure EUR 17.500 tot EUR 20.000

Deze indicatietarieven zien alleen op de advocaatkosten exclusief BTW en ze zien niet op andere kosten zoals griffierechten, deurwaarderskosten en dergelijke. Deze kosten komen dus nog bovenop de advocaatkosten en dienen bij verlies van de procedure meestal ook aan de wederpartij vergoed te worden. 

Als de zaak niet eindigt bij de rechtbank…

In geval van hoger beroep of (daarna) cassatie, lopen de indicatietarieven verder op. Omdat de meeste IE-zaken eindigen na een beslissing van de rechtbank volsta ik met de opmerking dat de indicatietarieven in hoger beroep min of meer vergelijkbaar zijn. Je advocaat kan je hierover zo nodig verder informeren.

Wat laatste gedachten

Het lijkt mooi: als je wint dan kost de procedure je (bijna) niets en zit je niet zelf met al die advocaatkosten. Wat belet je nog om een zaak aan de rechter voor te leggen? De praktijk leert echter dat de vergoedingsregeling in intellectuele eigendomszaken vaak juist averechts werkt. Veel zaken zijn niet zwart/wit en de uitkomst van de meeste procedures laten zich niet van te voren raden. In het beste geval maak je een hele goede kans op een overwinning, maar een hele goede kans is nog geen 100%. En juist het risico dat je bij een verlies grofweg twee keer de kosten moet betalen, durven veel, met name wat kleinere, partijen niet te dragen.

Met de nieuwe regeling per 1 april 2017 lijkt het iets beter te worden. Er wordt meer onderscheid gemaakt tussen verschillende niveaus van complexiteit, waarbij het niet langer mogelijk is om de werkelijke kosten te verhalen op de verliezende partij in zeer eenvoudige zaken. Ook lijken de indicatietarieven een harde grens aan te geven, zodat je in principe niet meer hoeft te vrezen voor een nog hogere advocaatkostenveroordeling. Maar zaligmakend is het niet.

De familie MOSZKOWICZ blijft onderwerp van juridische geschillen

Auteursrecht Robert Moszkowicz

Een paar dagen geleden was al in diverse media te lezen dat Robert Moszkowicz, broer van onder andere Bram Moszkowicz, het niet voor elkaar heeft gekregen om de VPRO te verbieden de televisieserie ‘De Maatschap’ uit te zenden.

Robert Moszkowicz vindt dat de VPRO met de serie inbreuk maakt op zijn auteursrechten op de autobiografie ‘De Straatvechter’. Moszkowicz probeerde daarmee bescherming te claimen op bepaalde feiten en gebeurtenissen die al voor het verschijnen van zijn boek openbaar waren. Dat is niet mogelijk, oordeelt de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam terecht.

Auteursrecht rust niet op feiten. Er kan alleen auteursrecht worden geclaimd op werken die een ‘eigen, intellectuele schepping’ opleveren. Oftewel: creaties waarbij eigen – persoonlijke – keuzes zijn gemaakt. De auteur moet dus eigen, persoonlijke keuzes maken om auteursrecht te kunnen claimen. Dat is niet het geval bij feiten of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden.

De Maatschap mag dus gewoon worden uitgezonden.

Merkrecht MOSZKOWICZ

Maar dit is niet het enige ‘Moszkowicz-geschil’ waarover deze week werd bericht. Twee jaar geleden was de naam MOSZKOWICZ al onderwerp van een merkenrechtelijk geschil (zie hierover mijn blog ‘Moszkowicz, Moszkowicz of Moszkowicz: wie heeft recht op het gebruik als merk?’), toen binnen de familie zelf. Dit keer bericht Advocatie dat het merk MOSZKOWICZ is ingezet om de Toneelgroep Maastricht te verbieden de naam ‘Moszkowicz’ te gebruiken voor het opvoeren van een toneelstuk over de komst en ondergang van voormalig advocaat Bram Moszkowicz.

Inzet van het geschil is het merk MOSZKOWICZ dat een van de Moszkowicz-broers, Max (jr.), heeft geregistreerd (tegen ditzelfde merk werd vorig jaar nog bezwaar gemaakt door David en Max (sr.) Moszkowicz, zoals hiervoor beschreven). Het merk is in 2015 ingeschreven voor onder andere ‘het samenstellen, produceren, regisseren, uitvoeren en presenteren van radio-, televisie-, audiovisuele, muziek- , amusements- en theaterprogramma’s’.

Bij merkregistraties is het zo dat het merk na inschrijving de eerste 5 jaar niet gebruikt hoeft te worden. Maar ná die 5 jaar geldt dat een merkregistratie vervallen kan worden verklaard voor die producten en/of diensten waarvoor het merk weliswaar is ingeschreven, maar waarvoor het niet is gebruikt.

Voor het merk MOSZKOWICZ geldt dat deze vijfjaarstermijn voorlopig nog niet voorbij is en Max Moszkowicz het merk dus ook nog niet hoeft te gebruiken voor bijvoorbeeld het uitvoeren van theaterprogramma’s. Hij kan zijn merkregistratie dus voorlopig nog inzetten tegen partijen zoals de Toneelgroep Maastricht. De vraag is alleen of dat na afloop van de vijfjaarstermijn nog steeds zo is. Hij zal het merk dan wel normaal moeten gebruiken. De advocaat van de Toneelgroep Maastricht vindt trouwens dat ‘Max de geslachtsnaam niet kan monopoliseren’, aldus Advocatie, maar dat is niet juist.

Een geslachtsnaam kan wel degelijk als merk worden gemonopoliseerd. Denk maar aan bekende merken, tevens geslachtsnamen, als Heineken, Philips, McDonalds, Karen Millen, Louis Vuitton, Ralph Lauren et cetera. Dat betekent natuurlijk niet dat je als merkhouder anderen kunt tegengaan hun naam als persoonsnaam te gebruiken, dus gewoon als (achter)naam in het dagelijkse verkeer. Maar je kunt anderen met die geslachtsnaam wel verbieden de naam als merk, dus ter onderscheiding van producten of diensten, te gebruiken.

Is dit alles nu vervelend voor de Toneelgroep Maastricht, dat de voorstelling heeft omgedoopt tot ‘De Advocaat’? Dat valt wel mee denk ik. Door deze actie hebben ze de nodige publiciteit gekregen wat waarschijnlijk meer bezoekers zal trekken die inmiddels wel weten dat ‘De Advocaat’ gaat over Bram Moszkowicz.

Meer weten over merken, auteursrecht en andere intellectuele eigendomsrechten? Download de (gratis) eBooks IE in Bedrijf via: www.ie-inbedrijf.nl.

Antwoord: ja, de LAMZAC® hangout © heeft (voorlopig) gewonnen van Kaisr

In april schreef ik een blog over de nieuwste rage voor deze zomer: de zogenoemde hangout. Een ligzak die wordt gevuld met lucht en daardoor overal mee naartoe te nemen is. Het oorspronkelijke idee voor deze ligzakken komt – naar eigen zeggen – van Marijn Oomen. De ligzak van Oomen die nu door Fatboy wordt vermarkt heet Lamzac:

Bron: Fatboy.com

De Lamzac ligzak is geregistreerd als EU-model. Een verstandige zet. Een modelregistratie biedt namelijk allerlei voordelen ten opzichte van bijvoorbeeld het auteursrecht, dat automatisch en zonder kosten ontstaat, maar veel lastiger aan te tonen is. Door vormgeving als model te registreren heb je een registratiebewijs voorhanden en dat alleen al maakt dat concurrenten vaak wel uitkijken om een vergelijkbaar product op de markt te brengen.

Massive Air startte begin dit jaar een crowdfundingsactie via Indiegogo voor haar nieuwe product, de ‘Kaisr Original’. Net als de Lamzac Hangout is ook de Kaisr Original een met lucht te vullen ligzak:

Bron: Indiegogo.com

Oomen en Fatboy vinden dat de Kaisr Original teveel lijkt op de Lamzac Hangout. Massive Air trekt zich daar echter niets van aan. De Kaisr Original is wat aangepast ten opzichte van het oorspronkelijke model dat op de markt zo

Model technisch bepaald?

Massive Air vindt (1) dat de modelregistratie van de Lamzac niet geldig is en (2) dat de Kaisr Original geen inbreuk maakt. Zij voert aan dat (een aantal van) de uiterlijke kenmerken van de Lamzac technisch bepaald zijn. Dat wil zeggen dat de vormgeving zo is gekozen omdat dat een bepaalde technische/functionele uitkomst biedt. De ligzak moet bijvoorbeeld lang en stabiel genoeg zijn om op te kunnen liggen. De ligzak moet snel te vullen zijn en de lucht moet er snel uit kunnen. De ligzak moet gesloten kunnen worden en in lege toestand zo min mogelijk plek innemen, maar wel sterk zijn.

(Uitsluitend) technisch bepaalde vormgeving kan niet worden beschermd op basis van het modellenrecht of auteursrecht. De rechter gaat daar in de uitspraak van 13 mei jl. deels in mee, maar vindt de twee lange buisvormen die bij het hoofdeinde samenkomen in een iets verhoogde (‘kano’)punt, met centraal in de lengterichting één smalle diepe spleet, vormgevingskenmerken waarbij sprake is van voldoende ontwerpvrijheid. Die zijn dus modelrechtelijk beschermd.

Eerdere ligzakken

Dan is het de vraag of de Kaisr Original inbreuk maakt. De rechter kijkt voor die beoordeling niet alleen naar de twee producten, maar ook naar producten met een vergelijkbare vormgeving die al bestonden. Een daarvan is de zogenoemde ‘Sensory Pea Pod’:

 

Gaat de LAMZAC® hangout © het winnen van Kozē en Kaisr?

Via diverse media worden we op de hoogte gehouden van de nieuwste rage voor deze zomer: de hangout. Oftewel, een soort zitzak maar dan in ligformaat en te vullen met lucht, waardoor de hangout overal mee naartoe te nemen is. Zoals zo vaak met rages, is er niet maar één partij die het succesvolle product op de markt brengt. Al snel volgen er ook andere bedrijven die een eigen versie op de markt brengen of een regelrechte kopie. Volgens de bedenkers van de Lamzac hangout en Fatboy – van de bekende Fatboy zitzakken – dat het bedrijf Lamzac ingelijfd heeft, is vooral dat laatste het geval. Er wordt regelrecht gekopieerd. Niet door één partij, maar door diverse partijen, zoals Kaisr en Kozē (spreek uit: ‘cozy’). Zie bijvoorbeeld dit artikel dat verscheen bij De Ondernemer.

De Lamzac, verkrijgbaar in zes verschillende kleuren, ziet er zo uit:

Bron: Fatboy.com

De ‘Kaisr Original’ is binnenkort verkrijgbaar in iets meer kleuren en ziet er zo uit:

Bron: Indiegogo.com

Het fijne aan de Kaisr Original is dat er ook nog allerlei zakjes voor een fles water, boek of je iPhone op zitten en zelfs een flesopener. Kaisr zegt het ontwerp in de eerste helft van 2015 te hebben gemaakt en deze maand te zijn gestart met de productie.

En tot slot de Kozē hangout, hier te zien. Kozē heeft net een Kickstartertraject achter de rug, ruim 130K opgehaald en deze hangout moet nog worden geproduceerd. Op de Kickstarter-website staat ‘Patent Pending’.

Volgens de Lamzac-ontwerper en Fatboy maken alle andere ‘hangouts’ inbreuk en zijn het schurken. Lamzac heeft het idee beschermd. Kaisr is het daar niet mee eens: de Kaisr is ‘heel anders’ (hoekiger) en ‘ook veel mooier en stoerder’. En Kozē zegt simpelweg ‘Wij hebben het patent aangevraagd’ (zie dit artikel).

Wie heeft nu welke rechten?

Allereerst het ‘idee’ van Lamzac: een met lucht te vullen ‘full size lounge chair’. Is dat idee als zodanig beschermd? Dat lijkt me niet. Ideeën – hoe goed ook – zijn als zodanig niet beschermd. Pas als een idee concreet is uitgewerkt krijg je voor die concrete uitwerking auteursrechtelijke bescherming (zie uitgebreid over dit onderwerp: IE in Bedrijf deel 2 – bescherming van ideeën). Dat betekent dus ook dat Lamzac niet kan tegengaan dat andere partijen dit idee gebruiken. Dat kan pas als de Lamzac hangout, de concrete uitwerking, auteursrechtelijk beschermd is en anderen daar inbreuk op maken.

De vraag is of daarvan sprake is. Een werk is auteursrechtelijk beschermd als er sprake is van een creatie waarbij eigen, persoonlijke keuzes zijn gemaakt. Het gaat daarbij alleen om vormgeving: functionele/technische elementen worden niet beschermd. Zo zal de sluiting van de hangout en vermoedelijk de gleuf in het midden (waardoor je blijft liggen/zitten) niet auteursrechtelijk beschermd zijn. Hetzelfde geldt voor de maat: je moet er immers op kunnen liggen c.q. met vrienden op kunnen zitten.

En de verdere vormgeving? Mogelijk dat daar – als er nog wat overblijft – wel enige auteursrechtelijke bescherming op rust. Maar: maken Kaisr en Kozē daar inbreuk op? De vorm van de Kaisr Original lijkt toch echt wel op een aantal (wezenlijke) punten anders dan de vorm van de Lamzac (ik zeg lijkt want ik heb de concrete producten niet gezien; dat geeft soms een heel ander beeld). Voor wat betreft de Kozē is dat lastiger te beoordelen; goede afbeeldingen en het eindproduct ontbreken vooralsnog. En Kozē zegt op haar product octrooi (een patent) te hebben aangevraagd. Dat betekent dat er bescherming is aangevraagd voor een technische uitvinding. Of dat haalbaar is, is maar de vraag. Als die technische uitvinding al terug te vinden is in een eerder product, zoals de Lamzac, is de uitvinding niet nieuw en dat is vereist voor een geldig octrooi.

Fatboy heeft al aangekondigd een juridische procedure te starten tegen Kaisr. Het is afwachten hoe een rechter de producten beoordeelt. Welke hangout ook wint, ik ga er een bestellen (een Lamzac, want dat is de enige die al op de markt is)!

Heksenkaas vs. Magic Cheese: over smaak valt niet te twisten?

Bij een auteursrechtelijk conflict zullen de meeste mensen in de eerste plaats denken aan een geschil over een foto, tekst of bijvoorbeeld design kleding, maar in ieder geval niet aan smaak. Want: over smaak valt niet te twisten.

Dat is verleden tijd.

Levola, een bedrijf dat in het oosten van het land is gevestigd en bijvoorbeeld yoghurt in van die gezellige boeren emmertjes produceert, brengt sinds een paar jaar het succesvolle product ‘Heksenkaas’ op de markt, bijvoorbeeld via Albert Heijn. Levola heeft het product, dat gebruikt wordt als dipsaus, broodbeleg alsook smaakversterker in warme gerechten, niet zelf ontwikkeld. Het creatieve brein achter de Heksenkaas is ene meneer Voerman. Hij heeft ‘de rechten’ op Heksenkaas aan Levola overgedragen. Die rechten omvatten het auteursrecht op ‘de smaakzintuiglijke kenmerken’. Oftewel, in gewone mensentaal: ‘de smaak’.

En dat is precies waar nu een zaak over speelt.

Er is namelijk nog een producent van een ‘smeerdip’, de naam die Levola voor de Heksenkaas heeft verzonnen zodat iedereen weet waar Heksenkaas – de merknaam – voor staat. Dat is European Food Company, kortweg: EFC. EFC brengt het product ‘Magic Cheese’ op de markt. Levola is daar niet blij mee. De namen Magic Cheese en Heksenkaas lijken niet op elkaar. Maar wat wel lijkt is de smaak van de Magic Cheese smeerdip. Die blijkt één-op-één te zijn nagebootst!

Levola vraagt EFC vriendelijk de Magic Cheese dip van de markt te halen, maar krijgt nul op rekest. Voor Levola reden om de rechter om toestemming te vragen op allerlei correspondentie, testrapporten en andere documenten die verband houden met (de ontwikkeling van) Magic Cheese beslag te mogen leggen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het is namelijk niet eerder voorgekomen dat een bedrijf een beroep doet op het auteursrecht op een smaak (het gaat dus niet om de receptuur, maar om de – subjectief – waar te nemen smaakzintuiglijke kenmerken van een product). Omdat een geur auteursrechtelijk beschermd kan zijn (zie de uitspraak van de Hoge Raad uit 2006 over het auteursrecht op de geur van parfum), “is voorshands aannemelijk dat er auteursrecht op een smaak kan rusten en dat (de smaak van) het product van verzoekster [Levola] voldoet aan de vereisten voor auteursrechtelijke bescherming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat er inbreuk op haar recht is gemaakt (…).” aldus de kortgedingrechter in Den Haag.

Een smaak kan dus auteursrechtelijk beschermd zijn en EFC maakt (naar het voorlopig oordeel van de rechter) inbreuk op de auteursrechten op de smaak van Heksenkaas.

De vraag is natuurlijk hoe de rechter tot dit oordeel is gekomen? Precies: door de producten te proeven. Over smaak valt dus te twisten!

Verheijen vs. Naturalis – Hebben architecten ook rechten?

Links: het ontwerp van Fons Verheijen. Rechts: het ontwerp van Neutelings Riedijk. (bron: dearchitect.nl)

Vorige week las ik het bericht in de Volkskrant dat het Leidse museum Naturalis een gedaantewisseling zal ondergaan. Voor velen zal dat wellicht niet heel opzienbarend nieuws zijn, maar de architect die het gebouw van Naturalis heeft ontworpen, Fons Verheijen, heeft aangekondigd naar de rechter te zullen stappen. Hij vindt namelijk dat het nieuwe ontwerp – van het Rotterdamse Neutelings Riedijk Architects – zijn gebouw ‘verminkt’. Op basis van zijn ‘persoonlijkheidsrechten’ wil Verheijen de verbouwing tegengaan.

In de Auteurswet is een artikel opgenomen dat in dit soort zaken door architecten meestal wordt ingeroepen: artikel 25. Dat gaat over de zogeheten persoonlijkheidsrechten. De maker van bijvoorbeeld een bouwwerk kan zich op basis daarvan verzetten tegen wijziging van dat bouwwerk (op voorwaarde dat dat redelijk is) maar ook tegen misvorming, verminking of anderszins aantasting indien dat nadeel oplevert ten aanzien van zijn naam, eer of hoedanigheid.

Lange tijd is er discussie geweest over de vraag of een architect zich kan verzetten tegen de algehele sloop van zijn bouwwerk, wat dus veel verder gaat dan ‘alleen maar’ een wijziging. Pas in 2004 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de algehele sloop géén aantasting van het werk oplevert in de zin van artikel 25 van de Auteurswet. Dat betekent niet dat een architect nooit iets zou kunnen doen tegen de sloop, maar dat behandel ik nog wel een keer in een ander blog.

In dit specifieke geval – Verheijen vs. Naturalis – gaat het echter niet om de sloop van het gebouw maar om een wijziging in het ontwerp. Die wijziging heeft wel een reden: het Zoölogisch Museum (Amsterdam) en het Nationaal Herbarium Nederland gaan namelijk samen met Naturalis, waardoor een uitbreiding van de ruimtes in Naturalis nodig is. En dat is mogelijk de reden dat Verheijen bakzeil zal halen bij de rechter. Er moet namelijk een afweging van belangen plaatsvinden. Dat Naturalis uitgebreid wordt en meer ruimte nodig heeft, lijkt me een reden een verbouwing toe te staan ondanks de rechten van de architect. Daarbij kan wél een rol spelen – zo leert de architectenrechtspraak – dat als de verbouwing minder ingrijpend zou kunnen plaatsvinden, dat ook zou moeten. En in ieder geval zou de architect dan een (schade)vergoeding moeten krijgen. Ook lijkt uit de rechtspraak te volgen dat de eigenaar van een bouwwerk eerst contact moet zoeken met de architect om de plannen te bespreken. Of daarvan sprake is in dit geval is mij niet bekend.

Of  Verheijen het gaat redden in een rechtszaak is dus de vraag. Volgens een artikel op dearchitect.nl niet. Maar: ook de toonaangevende ‘zebrabrug’ (zie afbeelding linksboven) gaat verdwijnen. En of dat een noodzakelijke wijziging is?

Facebook en het recht om niet gebruikt te worden…

Er is de laatste tijd weer veel ophef over de ‘nieuwe’ Facebook (privacy)voorwaarden die op 30 januari 2015 worden ingevoerd. Op basis van die voorwaarden zou Facebook zelfs eigenaar worden van alle content die je plaatst. Dus ook van de foto’s. En met die foto’s mag Facebook dus doen wat ze wil. Ook gebruiken in advertenties. Dat heeft tot grote consternatie en zelfs paniek geleid.

Dat is toch wel opmerkelijk. Iedereen met een Facebook-account plaatst zijn of haar hele hebben en houden op Facebook om allerlei (met name privé)aangelegenheden te delen met zoveel mogelijk mensen zodat letterlijk iedereen kan zien wat je wanneer aan het doen bent, wat je meemaakt, hoe je kinderen eruit zien, hoe ze opgroeien et cetera. Dat wordt door veel mensen volkomen normaal gevonden. Maar op het moment dat Facebook wat (kleine) veranderingen aanbrengt in de voorwaarden, staan gebruikers op hun achterste benen en draait alles opeens om hun privacy.

Dat de privacy van social media gebruikers niet altijd gewaarborgd is, bewijst Koppie Koppie. Daarop worden koffiemokken aangeboden met foto’s van kinderen die wel eens op internet geplaatst zijn. Niet om geld mee te verdienen, maar om mensen bewust te maken van hun gedrag op social media (aldus de oprichters).

Facebook mocht al lang gebruik maken van content die door de gebruikers op hun account wordt geplaatst. In de huidige voorwaarden staat bijvoorbeeld dat je Facebook

“een niet-exclusieve, overdraagbare, royaltyvrije, wereldwijde licentie [geeft] om alle IE-inhoud te gebruiken die je plaatst op Facebook of in verband met Facebook (IE-licentie). Deze IE-licentie eindigt wanneer je jouw IE-inhoud of je account verwijdert, tenzij je jouw inhoud hebt gedeeld met anderen en zij de inhoud niet hebben verwijderd.” en

“Je geeft ons toestemming je naam, profielfoto, inhoud en informatie (zoals een merk dat je leuk vindt) te gebruiken voor commerciële, gesponsorde of gerelateerde inhoud die door ons wordt aangeboden of verbeterd. Dit betekent bijvoorbeeld dat je een bedrijf of een andere entiteit toestaat ons te betalen om je naam en/of profielfoto met je inhoud of informatie te tonen, zonder dat je daarvoor compensatie krijgt. Als je een specifieke doelgroep hebt geselecteerd voor je inhoud of informatie, respecteren we bij het gebruik je keuze.”

Dat gaat dus – in theorie – heel ver. Het Tv-programma Radar besteedde deze week een item aan de (nieuwe) voorwaarden van Facebook. Bij Radar kwam aan de orde dat op Facebook geplaatste foto’s in advertenties op billboards kunnen worden geplaatst. Ook werd de nieuwe app ‘Reclaim’ onder de aandacht gebracht, opgericht door onder andere presentator Sipke Jan Bousema. Met Reclaim kunnen gebruikers een watermerk aanbrengen in hun foto’s zodat die niet meer aantrekkelijk zijn om te worden gebruikt in advertenties. Maar volgens Facebook zelf worden helemaal geen foto’s en dergelijke in advertenties gebruikt. Daar hebben ze helemaal geen belang bij.

Er zijn nog steeds misvattingen over de rechten op geplaatste content en foto’s. Webwereld.nl meldde deze week bijvoorbeeld – net zoals Bousema al liet weten bij Radar – dat Facebook de (eigendoms)rechten zou krijgen op de op Facebook geplaatste content en dus ook op de foto’s die gebruikers op hun Facebook account plaatsen (dit bericht heeft Webwereld inmiddels aangepast). Maar dat kan helemaal niet. Voor het overdragen van je auteursrechten is immers een (schriftelijke en ondertekende) overdrachtsakte nodig. Je geeft Facebook ‘slechts’ de bovengenoemde licentie.

Dus waar is al die ophef voor nodig?