Archief van Blog:

Aanpassing NOW 3.0

Deze week kondigde Minister Koolmees van SZW aan dat de subsidie onder NOW 3.0 in het eerste kwartaal van 2021 niet wordt afgebouwd. Dit houdt onder meer in dat de werkgever maximaal 80% van de loonsom vergoed kan krijgen in plaats van 70%. Daarnaast blijft de loonsomvrijstelling gelijk aan 10% (in plaats van 15%). Als de loonsom daalt tot maximaal 10%, heeft dit dus ook in het tweede tijdvak geen gevolgen voor de hoogte van het subsidiebedrag. Tot slot wordt het minimale omzetverlies om voor de NOW in aanmerking te komen in het tweede tijdvak niet verhoogd naar 30%. Dit blijft 20%. We zullen moeten afwachten of de eerder door de Minister genoemde percentages voor het derde tijdvak van NOW 3.0 niettemin ongewijzigd blijven.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

SFDR-eisen over duurzaamheid voor de pensioenindustrie

Foto: Michelle Henderson (Unsplash)

Zoals al eerder aangekondigd in deze serie, gelden als gevolg van de SFDR vanaf 10 maart 2021 extra regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen. Die regels gelden ook voor de pensioenindustrie.

Wanneer vallen pensioenfondsen en pensioenproducten eronder?

De Europese SFDR Verordening (2019/2088) is van toepassing op pensioenfondsen, ontwikkelaars van pensioenproducten en aanbieders van zogeheten pan-Europese persoonlijke pensioenproducten (hierna: pensioenaanbieders). Pensioenaanbieders worden voor het doel van de SFDR in feite gelijkgesteld met aanbieders van beleggingsproducten. Eerder in deze serie kwam al aan bod dat de SFDR ook van toepassing is op verzekeraars die verzekeringen met een beleggingscomponent aanbieden. Hiermee kan worden gesteld dat de meeste tweedepijler en derdepijler pensioenproducten onder de SFDR vallen.

Andere belangrijke spelers zoals vermogensbeheerders en beleggingsfondsen, vallen zelf ook onder de SFDR. Pensioenaanbieders kunnen voor de beoogde transparantie daarmee deels vertrouwen op de informatie die zij van hun toeleveranciers krijgen.

Belangrijk is tot slot dat, in tegenstelling tot verzekeringsadviseurs, pensioenadviseurs niet onder de SFDR vallen.

Wat is er nieuw?

De SFDR verplicht tot nadere transparantie over duurzaamheid. De regels gelden voor partijen in het algemeen en voor individuele financiële producten in het bijzonder. In het kort:

  1. Beleid: pensioenaanbieders moeten hun beleggingsbeleid, hun beloningsbeleid en eventueel hun due diligencebeleid herzien.
  2. Precontractuele informatie: pensioenaanbieders moeten hun precontractuele informatie herzien.
  3. Duurzame producten: pensioenaanbieders die duurzame pensioenen aanbieden, moeten nadere precontractuele en periodieke informatie verstrekken.

Deze regels gelden ongeacht bestaande regels en zelfregulering, zoals het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen. Dat betekent dat hoewel een pensioenaanbieder op dit moment aan alle regels voldoet, er mogelijk toch wijzigingen vereist zijn, met name vanwege het verstrekkende karakter van de SFDR.

Wat te doen?

Beleggingsbeleid

Het beleggingsbeleid van pensioenaanbieders moet rekening houden met duurzaamheidsrisico’s, dat wil zeggen gebeurtenissen op ESG-gebied die een materieel negatief resultaat op de waarde van de pensioenbeleggingen kunnen hebben. Deze risico’s, zoals het risico van waardeverlies door temperatuurstijging op aarde, moeten in beginsel meewegen in het beleggingsbeleid. Een herziening van dit beleid is daarmee mogelijk vereist, ook al hebben de meeste pensioenaanbieders deze duurzaamheidsrisico’s vermoedelijk al lang in hun beleggingsbeleid verdiscontreerd. Het aangepaste beleid, of een beschrijving daarvan, moet worden gepubliceerd op de website van de pensioenaanbieder.

Due diligencebeleid

Als een pensioenaanbieder ook de belangrijke (niet-financiële) negatieve effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking neemt, moet de pensioenaanbieder een verklaring over het due diligencebeleid op zijn website publiceren. Dit gaat verder dan aanpassing van het beleggingsbeleid omdat in dit geval ook rekening moet worden gehouden met niet-financiële gevolgen van beleggingsbeslissingen, zoals bijvoorbeeld de gevolgen van bepaalde beleggingen voor het milieu. Op zich hebben kleine en middelgrote partijen op grond van de SFDR de mogelijkheid om deze transparantie niet te verschaffen. Aangezien nagenoeg alle pensioenaanbieders al een ESG- of MVB-beleid hebben, lijkt het echter onaannemelijk dat pensioenaanbieders gebruik kunnen maken van deze mogelijkheid. Dat zou namelijk betekenen dat een pensioenaanbieder deze negatieve effecten in het geheel niet (meer) verdisconteert en dat zal niet snel het geval zijn. Belangrijk bij deze verplichting is dat er alleen sprake kan zijn van volledige naleving of in het geheel geen naleving; een middenweg is er niet. Op dit punt zullen op termijn overigens ook nadere gedetailleerde regels gaan gelden, maar die zijn nog niet definitief.

Beloningsbeleid

Het beloningsbeleid van pensioenaanbieders moet eveneens rekening houden met duurzaamheidsrisico’s. Dit betekent dat de (variabele) beloning van het personeel van pensioenaanbieders mede wordt gebaseerd op prestaties op het gebied van duurzaamheid. Op de website van pensioenaanbieders moet worden uitgelegd hoe het beloningsbeleid duurzaamheidsrisico’s integreert. Een verklarende beschrijving lijkt ook hier voldoende. Interessante vraag in dit verband is overigens of een pensioenfonds de aangepaste beginselen van het beloningsbeleid op grond van de uitbestedingsregels dan ook van toepassing moet verklaren op haar (materiële) dienstverleners.

Precontractuele informatie over pensioenen

Een pensioenaanbieder moet mogelijk ook de precontractuele informatie over de pensioenen aanpassen. Daarin moet namelijk worden beschreven op welke manier bij het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s en wat dit voor gevolgen heeft voor het rendement. Ook hier geldt dat de SFDR de mogelijkheid biedt om uit te leggen dat duurzaamheidsrisico’s niet relevant worden geacht, maar het is de vraag of pensioenaanbieders met een bestaand ESG- of MVB-beleid die keuze kunnen maken. Met name op dit punt past een Nederlands pensioenproduct minder goed in de opzet van de SFDR. De gedachte achter deze precontractuele informatie is immers dat een belegger vooraf kan lezen hoe er wordt omgegaan met duurzaamheidsrisico’s en zijn keuze daar mede op kan baseren. Behoudens bij individuele pensioenproducten waarbij de afnemer de beleggingen kan beïnvloeden, heeft inzage vooraf voor de gemiddelde deelnemer echter geen nut omdat de deelnemer de pensioenbeleggingen niet kan beïnvloeden.

Duurzame pensioenen?

In het uitzonderlijke geval dat een pensioenproduct zou kwalificeren als duurzaam omdat het pensioenproduct ESG-factoren promoot of een duurzaam doel heeft, moeten nadere regels over duurzaamheid worden nageleefd. In dat geval moet de pensioenaanbieder nadere informatie over het duurzame kernmerk of doel van het pensioenproduct in de precontractuele en periodieke informatie opnemen. De pensioenaanbieder moet dan onderbouwen hoe het pensioenproduct voldoet aan de diverse eisen voor duurzame producten. Deze informatie moet ook op de website van de pensioenaanbieder worden opgenomen. De kans dat een pensioenproduct als duurzaam of groen kwalificeert lijkt niet al te groot omdat pensioenen normaal gesproken niet als groen of duurzaam in de markt worden gezet. Van belang is dan ook met name dat pensioenaanbieders nagaan dat pensioenproducten niet ten onrechte een groen of duurzaam label voeren. Dat mag vanaf 10 maart 2021 namelijk niet meer als niet aan de eisen uit de SFDR kan worden voldaan.

Wanneer moet dit gereed zijn?

De SFDR is vanaf 10 maart 2021 van toepassing. Vanaf die datum moeten pensioenfondsen voldoen aan nagenoeg alle nieuwe regels uit de SFDR. Er is de afgelopen tijd discussie geweest over deze datum. Dat heeft ertoe geleid dat de nadere regels ter uitvoering van de SFDR pas later in werking zullen treden. De meeste regels uit de SFDR zelf zijn echter met ingang van 10 maart 2021 onverkort van toepassing. De pensioenindustrie heeft dus nog drie maanden de tijd om na te gaan of er nog wijzigingen moeten worden doorgevoerd. Mocht dat niet op tijd zijn gebeurd, dan moet rekening worden gehouden met eventueel door de AFM op te leggen sancties, zoals boetes en dwangsommen. De AFM zal namelijk als bevoegde autoriteit worden aangewezen.

Corona(tucht)klachten?

Terwijl gezondheidsrechtelijk Nederland de adem inhoudt in afwachting van mogelijke schadeclaims en/of tuchtklachten verband houdende met langere wachttijden en gesloten afdelingen vanwege het Covid-19-virus, heeft het Centraal Medisch Tuchtcollege (Centraal Tuchtcollege) op 4 december 2020 een eerste uitspraak gedaan die haar oorsprong vindt in de coronacrisis.

Het Regionaal Tuchtcollege

De aangeklaagde zorgverlener was internist. Hij was en is werkzaam als directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM en tevens voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT). Zoals wij de afgelopen maanden hebben geleerd, stelt het OMT adviezen op aan de overheid over de risico’s en de te nemen maatregelen ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus.

De klager was een individuele klager. Hij gaf aan de klacht “namens alle slachtoffers van Nederland qua gezondheid, levensverwachting en financiële schade” te hebben ingediend. De klacht hield in dat de aangeklaagde internist de Nederlandse regering niet heeft geadviseerd de lockdown op te heffen. Volgens klager had hij dit moeten doen toen duidelijk werd dat daardoor meer levensjaren verloren zouden gaan dan er gewonnen zouden worden. Klager stelde dat de lockdown een negatieve invloed heeft gehad op de kwaliteit van het leven van 17 miljoen Nederlanders die twee maanden opgesloten hebben gezeten.

De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in zijn klacht niet-ontvankelijk geacht omdat klager niet behoort tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in art. 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De voorzitter oordeelde dat het feit dat klager het klaarblijkelijk niet eens was met de advisering van het RIVM niet kon worden gezien als een bijzonder eigen belang in het kader van de individuele gezondheidszorg. Klager was dus geen rechtstreeks belanghebbende.

Het Centraal Tuchtcollege

Klager is tegen deze beslissing in beroep gegaan. In beroep heeft hij betoogd dat de klacht inhoudelijk dient te worden beoordeeld en alsnog gegrond moet worden verklaard.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat tussen de klager en de internist geen sprake was van een individuele arts-patiëntrelatie omdat de klacht betrof het handelen van de internist in zijn hoedanigheid van voorzitter van het OMT. Dit brengt met zich dat de eerste tuchtnorm zoals neergelegd in art. 47 lid 1 van de Wet BIG niet van toepassing is.

Vervolgens beoordeelde het Centraal Tuchtcollege de vraag of hier sprake is geweest van handelen in strijd met art. 47 lid 2 BW van de Wet BIG. Het criterium luidt dat sprake moet zijn van enig ander handelen of nalaten in de hoedanigheid van zorgverlener die in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Klager viste ook bij het Centraal Tuchtcollege achter het net.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat de door het OMT uitgebrachte adviezen niet zozeer betrekking hebben op de individuele gezondheidszorg als wel op de publieke gezondheidszorg. Immers zien de adviezen van het OMT op gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit. Van individuele maatregelen is geen sprake geweest zodat het handelen van de aangeklaagde internist niet valt onder de reikwijdte van het tuchtrecht. Klager is door het Regionaal Tuchtcollege terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus het Centraal Tuchtcollege.

Beide colleges komen aldus via een andere route tot hetzelfde oordeel.

Reiskostenvergoeding mag nu nog onbelast worden betaald

Werkgevers hebben de mogelijkheid om werknemers een vaste vergoeding te betalen voor woon-werkverkeer. Hierover hoeft geen loonbelasting te worden geheven, mits er wordt voldaan de (strenge) fiscale voorwaarden. De onbelaste vergoeding wordt bepaald aan hand van de afstand tussen woning en werk en het aantal dagen dat per week wordt gereisd.

Vanwege de coronacrisis heeft de staatssecretaris van Financiën in mei 2020 in het zogenaamde Besluit noodmaatregelen coronacrisis goedkeuring gegeven voor het onbelast blijven betalen van een vaste reiskostenvergoeding, ook al wordt er vanuit huis gewerkt. Dit betekent dat de werkgever mag blijven uitgaan van het reispatroon waarop de onbelaste vaste vergoeding is gebaseerd zo lang de maatregelen vanwege de coronacrisis nog gelden en de vaste reiskostenvergoeding vóór 13 maart 2020 is toegekend aan de werknemer. Veel werkgevers hebben hiervan gebruik gemaakt en hebben de onbelaste vaste reiskostenvergoeding laten doorlopen, mede ter compensatie van de kosten die thuiswerken met zich brengt (zoals voor gebruik van koffie, stroom, verwarming en toiletpapier).

Stopzetting regeling onbelast betalen van vaste reiskostenvergoeding tijdens coronacrisis

Deze regeling eindigt per 1 januari 2021. Dit staat in de actualisatie van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. Dit betekent dat met ingang van 1 januari 2021 alleen nog een vaste onbelaste reiskostenvergoeding mag worden betaald voor zover de werknemer minimaal in 36 weken of 128 dagen per jaar naar een vaste werkplek reist. Ook daadwerkelijk gemaakte kosten woon-werkverkeer mogen op declaratiebasis nog onbelast worden vergoed.

Met ingang van 1 januari 2021 heeft een werknemer voor de dagen dat de werknemer thuis werkt dus geen recht meer op een onbelaste reiskostenvergoeding. De verwachting is dat veel werknemers in 2021 (deels) thuis zullen blijven werken. Op de dagen dat de werknemer thuis werkt wordt er niet gereisd maar maakt de werknemer wel kosten. Vakbonden vinden dat werkgevers die kosten zullen moeten vergoeden, zeker als de onbelaste vaste reiskostenvergoeding vervalt. Daarvoor kan de werkgever aansluiten bij het normbedrag van € 2 per dag dat het Nibud heeft berekend. Dat komt neer op € 43,30 per maand bij een fulltime baan.

Maar let op: de regeling voor de vaste vergoedingen voor kleine kosten aan werknemers wordt ook per 1 januari 2021 geschrapt. De werkgever kan een vaste thuiswerkvergoeding dus niet onbelast betalen.

Gevolgen voor de werkgever

Het vervallen van de regeling per 1 januari 2021 zal meer administratieve werkzaamheden voor werkgevers met zich brengen omdat werkgevers het (veranderde) reispatroon woon-werkverkeer van hun werknemers in kaart moeten brengen: een werkgever zal exact moeten bijhouden hoeveel dagen er op kantoor en hoeveel dagen er thuis wordt gewerkt. Alleen als een werknemer aan de 36 weken of 128 dagen-eis voldoet, komt de werknemer in aanmerking komt voor een vaste onbelaste reiskostenvergoeding en dat moet dus ook worden geadministreerd. Werkgevers kunnen ook de kosten van woon-werkverkeer vergoeden op basis van de werkelijk gereisde dagen.

Vaak is dat het reispatroon niet duidelijk aan het begin van het jaar en zal de werkgever de reiskostenvergoeding misschien aan het eind van het jaar opnieuw moeten berekenen.

Adviezen voor de werkgever

Het advies is om al vóór 1 januari 2021 te regelen welke vergoeding een werknemer ontvangt voor de dagen dat de werknemer thuis werkt en welke reiskostenvergoeding voor de dagen dat de werknemer naar kantoor komt. Leg dat goed schriftelijk vast vóór 1 januari 2021.

Als de werknemer gedurende de coronacrisis volledig thuiswerkt zou ook moeten worden opgenomen wat er geldt als de werknemer weer (deels) naar kantoor zal reizen.

Ook is het advies om op te nemen dat de vergoeding voor thuiswerken alleen geldt gedurende de coronacrisis en dus voor de periode dat het kabinet dringend adviseert om thuis te werken. Daarna kan worden bezien of de werknemer deels blijft thuiswerken en welke vergoeding er dan voor de thuiswerkdagen geldt

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

 

Positie opdrachtnemer versterkt

Opdrachtnemers zullen door een uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020 waarschijnlijk vaker met succes kunnen betogen dat zij een arbeidsovereenkomst hebben in plaats van een opdrachtovereenkomst.

Waar ging de uitspraak over?

Een vrouw met een uitkering die deels arbeidsongeschikt en al een aantal jaren werkloos was, kreeg van de gemeente Amsterdam de mogelijkheid om werkzaamheden te verrichten als Medewerker Servicedesk, met het doel haar kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. De overeenkomst werd aangegaan voor zes maanden en daarna nog eens met zes maanden verlengd. De vrouw kreeg geen salaris, maar behield wel haar uitkering en ontving twee keer een stimuleringspremie omdat zij voldoende aan het participatietraject had meegewerkt. Ze vond uiteindelijk dat zij werkzaam was geweest op basis van een arbeidsovereenkomst en maakte aanspraak op het bij de functie van Medewerker Servicedesk behorende loon.

De kantonrechter wees haar vorderingen af. Het hof deed dat ook, waarbij het hof onder meer van belang vond dat de gemeente niet de bedoeling had gehad om met de vrouw een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Dat is ook in lijn met eerdere rechtspraak, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst onder meer wordt bepaald door de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst.

Wat vond de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelde echter dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst niet van belang is of de partijen de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten. Het gaat er volgens de Hoge Raad om of de overeenkomst alle wettelijk omschreven kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (persoonlijke arbeid, loon, gezagsverhouding). Of de overeenkomst alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst heeft, moet dan worden beoordeeld door te kijken naar welke rechten en plichten de partijen zijn overeengekomen. En bij die uitleg (die vooraf gaat aan de kwalificatie van de overeenkomst) speelt de bedoeling van partijen wel degelijk een rol. De bedoeling van partijen is dus nog steeds relevant, namelijk om te bepalen of bijvoorbeeld bedoeld was om loon te betalen.

In de zaak van de Amsterdamse uitkeringsgerechtigde vond de Hoge Raad dat de overeenkomst niet de kenmerken had van een arbeidsovereenkomst, omdat de stimuleringspremie naar de bedoeling van de wetgever niet aan te merken is als beloning voor verrichte arbeid (maar als beloning voor de inspanningen die uitkeringsgerechtigden plegen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten).

Gevolgen voor de praktijk?

Deze uitspraak lijkt de positie van opdrachtnemers bij een beëindiging van de overeenkomst toch wat te versterken, omdat het minder relevant is geworden of de partijen bedoelden een overeenkomst van opdracht aan te gaan, in plaats van een arbeidsovereenkomst. Doorslaggevend is op welke manier aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven en of er wordt voldaan aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst (persoonlijke arbeid, loon, gezagsverhouding).

Opdrachtgevers die willen voorkomen dat zij een arbeidsovereenkomst blijken te hebben gesloten, doen er goed aan om de overeenkomst met de opdrachtnemer zodanig in te richten dat deze niet de drie kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. De opdrachtgever kan nog altijd in de overeenkomst laten staan dat het de nadrukkelijke bedoeling van partijen is om een opdrachtovereenkomst te sluiten en geen arbeidsovereenkomst. Het is echter van belang om ervoor te zorgen dat de feitelijke uitvoering hiermee in lijn is. Immers, als er gedurende een zekere tijd arbeid wordt verricht, loon wordt betaald en een gezagsrelatie bestaat, dan is er sprake van een arbeidsovereenkomst.

Omdat veel opdrachtnemers zelf geen arbeidsovereenkomst willen en de Belastingdienst momenteel niet actief handhaaft, levert dit op dit moment in de meeste gevallen geen problemen op. Maar het blijft voor opdrachtgevers oppassen geblazen. Zo zou bijvoorbeeld een opdrachtnemer die ziek is op het moment dat de opdracht stopt, opeens wel behoefte kunnen hebben aan het vangnet dat een arbeidsovereenkomst biedt (zoals een opzegverbod bij ziekte en recht op een transitievergoeding).

Het wordt tijd dat er wetgeving komt die helderheid biedt over de positie van opdrachtnemers. Wouter Koolmees heeft echter al laten weten dat het volgende kabinet dit moet regelen omdat dit in deze kabinetsperiode niet meer te realiseren is

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

 

SFDR-eisen over duurzaamheid voor de verzekeringsindustrie

Zoals al eerder aangekondigd in deze serie, gelden als gevolg van de SFDR vanaf 10 maart 2021 extra regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen. In geval van verzekeringen met een beleggingscomponent, moeten ook levensverzekeraars en verzekeringsadviseurs aanpassingen doorvoeren in hun beleid, de informatie op hun websites en de informatie voor klanten.

Wanneer valt de verzekeringsindustrie eronder?

De Europese SFDR Verordening (2019/2088) is niet alleen van toepassing op beleggingsfondsen en vermogensbeheerders. Ook levensverzekeraars en verzekeringsadviseurs vallen eronder indien zij verzekeringen met een beleggingscomponent aanbieden of daarover advies verstrekken. Voor andere verzekeringen is de SFDR niet relevant omdat de SFDR focust op duurzaamheid bij beleggen.

De SFDR is niet van toepassing op kleine verzekeringsadviseurs met minder dan drie werknemers. Het staat de lidstaten overigens vrij om de SFDR ook op deze groep van toepassing te verklaren. Het is nog onbekend of Nederland dit zal doen.

Wat is er nieuw?

De SFDR verplicht tot nadere transparantie. De regels gelden voor partijen en voor individuele financiële producten. In het kort:

  1. Beleid: partijen moeten hun beleggings(advies)beleid, hun beloningsbeleid en eventueel hun due diligencebeleid herzien.
  2. Precontractuele informatie: partijen moeten in precontractuele informatie aangegeven hoe zij bij beleggingsbeslissingen en beleggingsadvies rekening houden met duurzaamheidsrisico’s, hoe dit invloed heeft op het verwachte rendement en eventueel hoe negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren in aanmerking worden genomen, of waarom dit niet gebeurt.
  3. Duurzame producten: partijen die duurzame financiële producten aanbieden, moeten nadere precontractuele en periodieke informatie over die producten verstrekken.

De verplichtingen onder (1) en (2) gelden voor verzekeraars en verzekeringsadviseurs. De verplichting onder (3) geldt alleen voor verzekeraars en alleen als er sprake is van verzekeringen met duurzame beleggingen als beleggingscomponent.

Wat te doen?


Beleggingsbeleid of beleggingsadviesbeleid

Het beleggingsbeleid van verzekeraars en het beleggingsadviesbeleid van verzekeringsadviseurs moet rekening houden met duurzaamheidsrisico’s, dat wil zeggen gebeurtenissen op ESG-gebied die een materieel negatief resultaat op de waarde van beleggingen kunnen hebben. Deze risico’s, zoals het risico van temperatuurstijging op aarde, moeten in beginsel meewegen in het beleggings(advies)beleid. Een herziening van dit beleid lijkt daarmee noodzakelijk. Het aangepaste beleid, of een beschrijving daarvan, moet worden gepubliceerd op de website van de verzekeraar of verzekeringsadviseur.

Due diligencebeleid

Als de verzekeraar ook de belangrijke overige negatieve effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking neemt, moet deze een verklaring over het due diligencebeleid op zijn website publiceren. Een vergelijkbare verplichting geldt voor de verzekeringsadviseur die bij zijn advies rekening houdt met deze negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren. Dit gaat verder dan aanpassing van het beleggings(advies)beleid omdat in dit geval ook rekening moet worden gehouden met niet-financiële gevolgen van belegggingsbeslissingen. Kleine en middelgrote partijen kunnen ervoor kiezen om deze negatieve effecten niet in aanmerking te nemen. In dat geval is slechts een uitleg op de website vereist. Grote partijen (met gemiddeld meer dan 500 werknemers) hebben deze keuze vanaf 30 juni 2021 niet meer. Diverse verzekeraars zullen vanwege hun omvang dus geen keus hebben. Op dit punt zullen op termijn ook nadere gedetailleerde regels gaan gelden maar die zijn nog niet definitief.

Beloningsbeleid

Het beloningsbeleid van de verzekeraar en de verzekeringsadviseur moet eveneens rekening houden met duurzaamheidsrisico’s. Dit is waarschijnlijk bij uitstek een onderdeel dat moet worden verwerkt als niet-financieel criterium voor variabele beloning. De variabele beloning van het personeel van de verzekeraar of de verzekeringsadviseur wordt in dat geval mede gebaseerd op prestaties op het gebied van duurzaamheid. Op de website van de verzekeraar of verzekeringsadviseur moet worden uitgelegd hoe het beloningsbeleid duurzaamheidsrisico’s integreert. Een verklarende beschrijving lijkt ook hier voldoende.

Informatie over alle verzekeringen met een beleggingscomponent

De verzekeraar moet de precontractuele informatie voor alle verzekeringen met een beleggingscomponent aanpassen. Daarin moet worden beschreven op welke manier bij het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s en wat dit voor gevolg heeft op het rendement van deze verzekeringen. De verzekeraar heeft echter de mogelijkheid om uit te leggen waarom duurzaamheidsrisico’s niet relevant worden geacht. Als de verzekeraar de belangrijkste negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren in aanmerking neemt, moet de precontractuele informatie vanaf 30 december 2022 ook een verklaring bevatten hoe dit gebeurt. Zoals al aangegeven, zijn de meeste verzekeraars hiertoe vanaf 30 juni 2021 verplicht.

Voor de verzekeringsadviseur geldt dat hij moet aangeven op welke manier hij bij zijn advies rekening houdt met duurzaamheidsrisico’s en wat dit voor een gevolg zal hebben op het rendement van de verzekeringen waarover advies wordt uitgebracht. Ook de verzekeringsadviseur kan hiervan afzien als hij dit niet relevant acht. Bij zijn advies zal de beleggingsadviseur mede gebruik moeten maken van de (aangepaste) precontractuele informatie van de verzekeraar.

Duurzame beleggingen

Indien de verzekering met beleggingscomponent kwalificeert als duurzaam omdat ESG-factoren worden gepromoot of de verzekering een duurzaam doel heeft, moeten nadere regels over duurzaamheid worden nageleefd. Dit betekent dat de verzekeraar nadere informatie over het duurzame kernmerk of doel van de verzekering in de precontractuele en periodieke informatie opneemt. De verzekeraar moet daarbij onderbouwen hoe de verzekering voldoet aan de diverse eisen voor duurzame producten. Deze informatie moet ook op de website van de verzekeraar worden opgenomen. De periodieke informatieplicht geldt overigens pas vanaf 1 januari 2022. Ook op dit punt zullen op termijn nadere gedetailleerde regels gaan gelden maar die zijn nog niet definitief.

Wanneer moet dit gereed zijn?

De SFDR is vanaf 10 maart 2021 van toepassing. Vanaf die datum moeten financiële ondernemingen voldoen aan nagenoeg alle nieuwe regels. Er is de afgelopen tijd discussie geweest over deze datum die ertoe heeft geleid dat de nadere regels ter uitvoering van de SFDR pas later in werking zullen treden. De regels uit de SFDR blijven echter vanaf 10 maart 2021 van toepassing. De industrie heeft dus nog vier maanden de tijd. Daarvoor moet dus in ieder geval het beleid worden herzien en de informatie op websites en de precontractuele informatie worden aangepast.

Mocht dat niet op tijd zijn gebeurd, dan moet rekening worden gehouden met eventueel door de AFM op te leggen sancties zoals boetes en dwangsommen. De AFM zal namelijk als bevoegde autoriteit worden aangewezen.

Foto: Micheile Henderson, Unsplash

Handelsnaamrecht: Four Seasons – hotel of tuincentrum?

Het belang van een goede handelsnaambescherming, (ook) als merk

Het was een historisch weekend; Joe Biden die op 7 november 2020 President Trump verslaat in de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Natuurlijk werd er volop getwitterd. Bijvoorbeeld over het feit dat op het moment dat de media Biden uitriepen als President-elect, Trump op de golfbaan stond. Maar het meest opmerkelijke verhaal was wel dat Trumps campagneteam het Four Seasons (de befaamde luxe hotelketen, bij iedereen wel bekend) had afgehuurd voor een persconferentie. Althans dat dachten ze.

The Guardian schreef er een artikel over en het Four Seasons Hotel in Philadelphia postte de volgende Tweet:

2020-11-10 Driessen - Four Seasons- Hotel of tuincentrum?

De persconferentie bleek dus niet te zijn geboekt bij het hotel, maar bij een hoveniersbedrijf met dezelfde naam – Four Seasons Total Landscaping. Verwarring alom en voer voor grappen. Deze locatie betrof namelijk een parkeerterrein gelegen tussen een crematorium en een dildowinkel. Komiek Zack Bornstein twittert bijvoorbeeld over de talloze grappen die hij hierover kan maken:

Een reactie van het hoveniersbedrijf kon natuurlijk niet uitblijven (zie onderste Tweet). Ze zagen kennelijk geen enkel probleem in ontvangst van Trumps campagneteam voor een persconferentie. Het bedrijf staat in een klap op de kaart.

2020-11-10 Driessen - Four Seasons- Hotel of tuincentrum?

Maar hoe kan het dat twee bedrijven nu precies dezelfde naam hebben? Mag dat juridisch gezien? Voor het antwoord op die vraag moeten we eerst kijken naar de bescherming die je verkrijgt met een handelsnaam.

Handelsnaam

De handelsnaam is ‘de naam waaronder een onderneming wordt gedreven’. Deze definitie komt uit de (Nederlandse) Handelsnaamwet (artikel 1). Het recht op een handelsnaam ontstaat dus door het gebruik van die naam. Veel ondernemers en bedrijven denken ten onrechte dat het recht op een handelsnaam al ontstaat bij de inschrijving van de naam in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dat dat gedacht wordt is niet zo vreemd, maar het is niet juist. De enkele inschrijving in het handelsregister geeft geen enkel recht. Zie hierover o.a. ook dit eerdere blog.

Verwarring?

Het is op zich niet verboden om een handelsnaam te kiezen die al gebruikt wordt door een ander. Maar er zijn wel grenzen. In artikel 5 van de Handelsnaamwet staat:

‘Het is verboden een handelsnaam te voeren die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen te duchten is.’

Of gebruik van een handelsnaam inbreuk maakt op een al bestaande gebruikte handelsnaam, hangt dus van diverse factoren af. In de eerste plaats moet worden gekeken of de namen gelijk(end) zijn, daarnaast of ze voor dezelfde soort activiteiten gebruikt worden en zo ja, of de gebieden waarin ze gebruikt worden overlappen. Als die drie vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, moet nog aan een vierde vereiste worden voldaan: er moet sprake zijn van verwarringsgevaar.

Verwarringsgevaar wordt over het algemeen aangenomen als aan de eerste drie vereisten wordt voldaan, maar er zijn omstandigheden denkbaar waarin dit toch niet het geval is, bijvoorbeeld als het gaat om hele beschrijvende handelsnamen. Zoals het er nu (november 2020) voor staat, zijn er in het geval van beschrijvende handelsnamen nog extra omstandigheden nodig die maken dat er sprake is van inbreuk. Of dat zo blijft, wordt momenteel door de Hoge Raad bekeken. Het helpt in een juridisch conflict hoe dan ook als je kunt laten zien dat er daadwerkelijk verwarring bestaat. Als afnemers zich bijvoorbeeld afvragen of de beide ondernemingen met elkaar te maken hebben (indirecte verwarring) of als gedacht wordt dat het ene bedrijf het andere is en vice versa (directe verwarring).

In het Four Seasons-geval is er ergens iets niet goed gegaan en heeft iemand zich vergist vanwege de naam.[1] Alhoewel beide bedrijven natuurlijk niet in dezelfde branche actief zijn (hotel vs. hovenier) kan er toch verwarring ontstaan vanwege de naam. Dat zal er mee te maken hebben dat het Four Seasons Hotel Resorts zo’n bekende naam/keten is en in feite een bekend merk.

Bescherming als merk

Als bedrijf kun je vertrouwen op je handelsnaam en de rechten die je daarmee opbouwt, maar dat is lang niet altijd voldoende. Het is lastig aan te tonen dat er verwarringsgevaar is met een ander bedrijf met dezelfde naam als dat bedrijf in een hele andere branche actief is, of in een heel ander gedeelte van het land. Handelsnaambescherming strekt zich alleen uit tot die gebieden waar een handelsnaam ook echt is gebruikt.

Bij een merk werkt dat anders. Merkbescherming ontstaat (op een enkele uitzondering na) niet door gebruik, maar door de registratie van een merk. Een merk wordt ingeschreven in bepaalde landen/een regio, zoals de Benelux of de EU. Het maakt daarbij niet uit of je je merk ook in dat hele gebied gebruikt. Pas na 5 jaar na inschrijving als merk heb je een gebruiksplicht: dan moet je het merk gebruiken voor de producten/diensten waarvoor je het hebt ingeschreven, in elk geval in een deel van het geclaimde gebied, anders loop je het risico dat je merk vervallen wordt verklaard. De bescherming strekt zich uit tot het hele gebied waar het merk is ingeschreven.

Op basis van een merkregistratie kun je tegengaan dat andere bedrijven een identieke of gelijkende merknaam gebruiken, zowel voor dezelfde producten/diensten, als voor soortgelijke producten/diensten. Bij bekende merken is die bescherming nog ruimer. Op basis van een bekend merk kan je als merkhouder optreden tegen identieke en overeenstemmende merken voor soortgelijke en niet-soortgelijke producten of diensten, als door het gebruik ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het bekende merk. Er moet een bepaalde mate van overeenstemming zijn tussen het bekende merk en het aangevallen merk zodat het relevante publiek een verband, een link legt. Je hebt als houder van een bekend merk dus een ruimere bescherming dan als houder van een ‘gewoon’ merk. Zie daarvoor mijn eerdere blog.

Het is dus aannemelijk dat hotelketen Four Seasons op basis van het bekende merk Four Seasons kan optreden tegen andere Four Seasons-bedrijven – hotelketens of niet – zeker als de naam (ook) beschermd is als merk.

Als bedrijf doe je er hoe dan ook goed aan niet alleen te vertrouwen op bescherming van je handelsnaam op basis van het handelsnaamrecht, maar de naam ook in te schrijven als merk. Daarmee sta je een stuk sterker in geval van een conflict.

[1] Tenzij het natuurlijk een grap of fake news blijkt te zijn.


In de praktische handboeken voor ondernemers ‘IE in Bedrijf’ lees je alles over merken en inbreuk, met tal van voorbeelden uit de praktijk. In deel 1 IE in Bedrijf – Handelsnamen en merken wordt uitgebreid ingegaan op het merkenrecht en in deel 6 IE in Bedrijf – Inbreuk op IE-rechten, op het inbreukmakend gebruik van onder meer merken en wat rechthebbenden daaraan kunnen doen, maar ook hoe je je als aangesproken partij kunt verweren tegen claims. De serie is te koop bij de reguliere en online boekhandels (bijvoorbeeld: managementboek.nl) zowel in hard cover als eBook. Kijk voor een (gratis) te downloaden inkijkexemplaar op de website IE in Bedrijf.

 

NOW 3.0

Op 10 oktober 2020 is de NOW 3.0-regeling in werking getreden. In deze nieuwsbrief leest u wat daarvan de hoofdlijnen zijn.

De NOW 3.0 ziet op drie tijdvakken van ieder drie maanden: tranche 3, 4 en 5 (NOW 1.0 en 2.0 zien op de eerste en tweede tranche).

  • De derde tranche loopt van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 16 november 2020 tot en met 13 december 2020.
  • De vierde tranche loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 15 februari 2021 tot en met 14 maart 2021.
  • De vijfde tranche loopt van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 17 mei 2021 tot en met 31 juni 2021.

Voor iedere tranche kan een werkgever besluiten wel of geen aanvraag te doen, ook als een werkgever geen gebruik heeft gemaakt van NOW 1.0 en/of 2.0.

Voorwaarden voor subsidie

  • Percentage omzetverlies
    Om aanspraak te kunnen maken op subsidie moet in de eerste tranche sprake zijn van een omzetverlies van ten minste 20% en in de tweede en derde tranche van ten minste 30%.
  • Hoogte subsidie
    Over de eerste tranche is de subsidie maximaal 80% van de loonsom (bij 100% omzetverlies), over de tweede tranche maximaal 70% en over de derde tranche maximaal 60%. De subsidie wordt vermeerderd met een vaste forfaitaire opslag van 40%.

Berekening omzetdaling

Bij NOW 3.0 wordt de omzetdaling bepaald door een vierde van de omzet van 2019 te vergelijken met de omzet van een door de werkgever te kiezen periode van drie maanden, die binnen een bepaald tijdvak gelegen moet zijn. Voor de derde tranche is dat tijdvak 1 oktober 2020 tot en met 28 februari 2021, voor de vierde tranche 1 januari tot en met 31 mei 2021 en voor de vijfde tranche 1 april tot en met 31 augustus 2021. Is al een aanvraag ingediend onder NOW 2.0 en is subsidie verleend, dan moet de periode van omzetdaling waarvoor subsidie in het kader van NOW 3.0 wordt aangevraagd aansluiten op de periode van omzetdaling waarvoor onder NOW 2.0 subsidie is aangevraagd.
Is de werkgever onderdeel van een groep, dan wordt voor het bepalen van de omzetdaling gekeken naar de omzet van alle rechtspersonen die op 1 oktober 2020 onderdeel zijn van de groep.

Berekening subsidie

De hoogte van de subsidie wordt gebaseerd op de loonsom van juni 2020.
Bij de berekening van de loonsom geldt tot 1 april 2021 een bovengrens van maximaal twee keer het maximumdagloon per werknemer (net als bij NOW 2.0). Vanaf 1 april 2021 wordt de bovengrens maximaal één keer het maximumdagloon per werknemer.

Loonsom hoeft niet gelijk te blijven

Onder NOW 3.0 is de werkgever niet verplicht de loonsom gelijk te houden. In de derde tranche mag de loonsom maximaal 10% lager uitvallen dan de loonsom in juni 2020, zonder dat dit gevolgen heeft voor de hoogte van de verstrekte subsidie. In de vierde tranche mag de loonsom maximaal 15% lager zijn en in de vijfde tranche maximaal 20%. Pas als de loonsom nog lager dan genoemde percentages uitvalt, moet de werkgever de teveel betaalde subsidie boven dat percentage terugbetalen.

Verplichtingen voor de werkgever

Verbod tot uitkering bonus, dividend, inkoop eigen aandelen

Net als bij NOW 2.0 geldt onder NOW 3.0 een verbod op het uitkeren van bonussen en dividend aan het bestuur en de directie en het inkopen van eigen aandelen, indien de werkgever (of het concern gezamenlijk) een subsidievoorschot van € 100.000 of meer ontvangt of de subsidie op € 125.000 of meer wordt vastgesteld. Is subsidie aangevraagd in tranche 3, dan geldt dit verbod voor het jaar 2020 (maar niet voor dividend, bonussen en aandelen met betrekking tot 2019). Is subsidie aangevraagd in tranche 4 of 5, dan geldt het verbod voor het jaar 2021. Het begrip directie/bestuur omvat niet alleen de statutair bestuurders, maar ook andere personen die (al dan niet tijdelijk) het beleid bepalen. Dit verbod ziet dus niet op het overige ‘reguliere’ personeel dat in het bedrijf werkzaam is zodat aan hen wel bonussen mogen worden betaald.

Scholingsverplichting en begeleiding naar ander werk

Net als onder NOW 2.0 is de werkgever verplicht om zijn werknemers te stimuleren een ontwikkeladvies aan te vragen of deel te nemen aan scholing. De werkgever moet bij de aanvraag van NOW 3.0-subsidie verklaren aan deze inspanningsverplichting te zullen voldoen. De werkgever heeft ook een inspanningsverplichting om werknemers van wie het dienstverband eindigt te begeleiden naar een andere baan.

Verplicht contact met UWV

Een werkgever die een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen indient bij het UWV, krijgt niet langer een boete van 5%, mits de werkgever in het kader van de ontslagaanvraag telefonisch contact opneemt met het UWV. Doet de werkgever dat niet, dan wordt de subsidie alsnog met 5% verlaagd.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Brexit: three months and counting

Following Brexit on 1 February 2020, the end of the transition period on 31 December 2020 is rapidly approaching. At this stage it is still uncertain if an agreement between the EU and the UK will be reached on the period thereafter so the risk of a hard or no deal Brexit is increasing and mitigating action may be advisable, especially by investment firms who may not be able to rely on an exemption anymore.

Transition period

The Withdrawal Agreement agreed upon between the EU and the UK provided for a transition period that will end on 31 December 2020. At present, only three months of this period are left. However, as there is still no agreement between the EU and the UK on the period following the transition period, the risk of a hard Brexit remains and increases as time lapses.

In case of a hard Brexit, certain EU and Dutch rules and regulations will apply in order to assist UK financial institutions to continue to do business in the Netherlands. Apart from that, certain EU rules and regulations provide for mitigating effects.

Dutch statutory regimes for investment firms and AIFMs

Earlier, two particular Dutch regimes were suggested to mitigate the effects a hard Brexit:

  • UK investment firms would be able to (temporarily) continue to actively service Dutch professional clients on the basis of a proposed amendment of the existing exemption for certain foreign investment firms, thereby allowing UK investment firms to temporarily continue to provide services in the Netherlands. This regime would be similar to the temporary permissions regime in the UK and was expected to last for (at least) two years.
  • UK AIFMs may (temporarily) continue to market their AIFs to qualified investors in the Netherlands on the basis of the existing Dutch national private placement regime under the AIFMD. The AIFMD provided for an end to this regime (originally already in 2018) so also this regime is likely to be of a temporary nature.

However, recently the Minister of Foreign Affairs and the AFM have indicated that the temporary exemption for UK investment firms will not be entering into force upon a hard Brexit. The main reason apparantely being that due to the esarlier postponement of Brexit and the transitition period now ending on 31 December 2020, ample time has been available to UK investment firms and their Dutch client to take the necessary action, thereby taking away the necessity for this temporary exemption.

Private placement to qualified investors will remain possible for UK AIFMs upon a hard Brexit. This requires a registration with the Dutch regulator AFM which is free of charge. In addition, certain ongoing requirements must be met by the UK AIFMs s registered.

Action required?

Now that the end of the transition period is rapdily approaching and there is still no agreement on a soft Brexit, it is advisable to take any further mitigation action required. For UK AIFMs this can be a simple registration with the AFM. UK investment firms actively servicing Dutch clients will now have to consider how they may be able to continue their services. This may require a license in the EU or altogether ceasing actively servicing Dutch clients.