Archief van Blog:

Vereniging Medische Staf op de vingers getikt

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 juli jl. geoordeeld dat een Vereniging Medische Staf onrechtmatig heeft gehandeld jegens een medisch specialist. Het komt niet vaak voor dat een medisch specialist zijn pijlen met succes richt op de Vereniging Medische Staf. Dit arrest geeft goed weer hoe het stafbestuur niet moet handelen wanneer het functioneren van een collega ter discussie komt te staan. Dat geldt niet alleen voor vrijgevestigde collega’s maar ook voor dienstverbanders.

Rechtbank en Gerechtshof

De rechtbank kwam tot een geheel ander oordeel: zowel de stichting als de Vereniging Medische Staf waren aansprakelijk jegens de medisch-specialist en moesten hem ruim 1,6 miljoen euro betalen. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof echter dat de rechtbank het werk van het Scheidsgerecht niet in zijn geheel had mogen overdoen. De stichting en de medisch-specialist hadden met elkaar afgesproken dat het Scheidsgerecht een bindend advies zou geven over de opzegging. Dat staat in alle toelatingsovereenkomsten. Volgens de wet mag de gewone rechter dan niet inhoudelijk op de zaak ingaan maar slechts toetsen of de procedure bij het Scheidsgerecht juist is verlopen. Het ziekenhuis ontsprong daarmee de dans en hoefde de eerder opgelegde schadevergoeding niet te betalen. Omdat het Scheidsgerecht niet inhoudelijk had geoordeeld over het handelen van de Vereniging Medische Staf, mocht dat wel door de gewone rechter onder de loep worden genomen.

Onderzoekscommissie

De Vereniging Medische Staf speelde in dit geval een cruciale rol. Allereerst stelde de Vereniging Medische Staf een onderzoekscommissie in die niet bekend maakte met welke personen zij had gesproken, wat deze personen hadden verklaard en hoe de keuze voor de te horen personen tot stand was gekomen. Daardoor was het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en kreeg de medisch-specialist geen kans om zich te verdedigen. Bovendien had de onderzoekscommissie een steunbetuiging van twee derde van het OK-personeel buiten beschouwing gelaten. Tenslotte gingen de conclusies van de onderzoekscommissie veel verder dan de onderzoeksvraag.

Het stafbestuur heeft de conclusies van de onderzoekscommissie, die vernietigend waren voor de medisch specialist, vervolgens direct doorgestuurd naar de Raad van Bestuur van de stichting, zonder de medisch-specialist eerst in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Ook dat is onzorgvuldig. Zeker gezien de gebrekkige wijze waarop het rapport van de onderzoekscommissie tot stand was gekomen. Bovendien stond in het kwaliteitsreglement van de Vereniging Medische Staf dat het stafbestuur diende te bevorderen dat een staflid over wie een functioneringsvraag gesteld was, niet beschadigd zou worden.

Herkansingsfase

Na het onderzoeksrapport gaf het stafbestuur de medisch-specialist toch nog de mogelijkheid om een plan van aanpak in te dienen voor de hervatting van zijn werk. De relevante maatschappen waren kritisch over het plan maar wezen het niet af. Ze stelden voor in gesprek te gaan met de medisch-specialist. Toch oordeelde het stafbestuur dat werkhervatting niet meer mogelijk was en het stafbestuur adviseerde de Raad van Bestuur om de toelatingsovereenkomst op te zeggen. Ook dat was onrechtmatig volgens het gerechtshof.

Causaal verband

Wie onrechtmatig handelt, moet de schade die een ander ten gevolge daarvan lijdt in principe vergoeden. Maar was de schade van de medisch specialist het gevolg van het onrechtmatig handelen van de Vereniging Medische Staf? De stichting had de toelatingsovereenkomst toch opgezegd? Het gerechtshof oordeelde dat het besluit tot opzegging wel degelijk voortvloeide uit het gebrekkige functioneringsonderzoek dat in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Vereniging Medische Staf was uitgevoerd en op het daarop gebaseerde advies van het stafbestuur. Als we het onderzoeksrapport en het advies wegdenken, was er zeker een kans geweest dat de medisch-specialist had kunnen blijven. Die kans is hem nu onthouden. Het gerechtshof beschikte nog over te weinig informatie om te bepalen hoe groot de kans is dat de medisch specialist weer aan het werk had kunnen gaan in de hypothetische situatie dat het stafbestuur (en dus de Vereniging Medische Staf) wel zorgvuldig zou hebben gehandeld. Daarom heeft het gerechtshof nog geen eindoordeel gegeven maar stelde het beide partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over die vraag. Ook mogen zij zich nog uitlaten over de omvang van de schade. Wordt vervolgd dus.

Zorgvisie, 28 augustus 2014

MH17-ramp: een aantal relevante juridische vragen beantwoord

Antoinette Collignon heeft voor de LSA, de Vereniging voor LetselschadeAdvocaten een aantal veel gestelde juridische vragen over de vliegtuigramp met vlucht MH17 van Malaysia Airlines beantwoord. Onderstaande tekst is tevens te vinden op: http://www.lsa.nl/.

Een vliegtuigramp als die van Malaysia Airlines MH17 van 17 juli 2014 brengt onbeschrijflijk leed met zich mee voor iedereen die daarbij betrokken is. Tot dusver zijn er geen aanwijzingen dat het toestel technische problemen had. Het ziet er naar uit dat het toestel neergehaald is door pro-Russische rebellen, met hulp van door Rusland geleverd materiaal. Het onderzoek naar deze ramp, de berging en repatriatie van de slachtoffers is een uitermate complexe en gevoelige zaak. Dit geldt ook voor de afwikkeling van de door de nabestaanden geleden en nog te lijden schade.

In het onderstaande is een negental juridische vragen die kunnen rijzen door deskundigen beantwoord. Daarbij is uitgegaan van de informatie die tot op heden – 22 juli – bekend is.

1. Kan Malaysia Airlines aansprakelijk worden gesteld?

Op grond van het Verdrag van Montreal, waarin een risico aansprakelijkheid bij burgerluchtvaart is opgenomen, is Malaysia Airlines verplicht om een schadevergoeding te betalen van maximaal 113.100 SDR (rond de 114.000 euro) per passagier. Het doet daarbij niet terzake of Malaysia Airlines schuld heeft aan het ongeluk of niet. De schade moeten de nabestaande aantonen. Boven dit bedrag is Malaysia Airlines aansprakelijk indien het ongeval te wijten is aan haar schuld. Of hiervan sprake is kan op dit moment nog niet worden beoordeeld. Hiervoor is van belang dat zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek plaatsvindt.
De vordering dient binnen twee jaar na het ongeval worden ingediend op straffe van verval.

2. Welk recht is van toepassing?

In het verdrag van Montreal zijn geen regels opgenomen over het toepasselijke recht op de overeenkomst en de verbintenis tot schadevergoeding. Een Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uitovereenkomst (Rome I) toepassen.
Artikel 5 lid 2 bepaalt dat in geval de partijen bij een vervoerovereenkomst geen rechtskeuze hebben gedaan, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de passagier zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van vertrek of aankomst in dat land is gelegen.
Voor de meeste Nederlandse slachtoffers geldt dus dat op de vervoersovereenkomst waarschijnlijk Nederlands recht van toepassing is.
Voor buitenlandse slachtoffers moet per geval nagegaan worden welk recht van toepassing is.

3. Waaruit bestaat de schadeclaim van de nabestaanden?

De schadeclaims bestaan, indien Nederlands recht van toepassing is, uit zogenaamde overlijdensschade (kosten repatriatie, begrafenis etc.) en de schade wegens gederfde inkomsten (als bijvoorbeeld één kostwinner of één van de kostwinners is overleden). De berekening van de schade is complex omdat rekening moet worden gehouden met onder andere variabele en vaste lasten.

Ook is het in bepaalde gevallen mogelijk om smartengeld te vorderen indien door het ongeval psychisch letsel is ontstaan bij nabestaanden door de confrontatie met het ongeval.

Affectieschade (de schade door het verdriet als gevolg van het verlies van familieleden) kan (nog) niet worden geclaimd. Een wetsvoorstel hiertoe is in 2010 door de Eerste Kamer verworpen. Op dit moment heeft het kabinet een nieuw wetsvoorstel voor vergoeding van affectieschade in voorbereiding.

Indien niet Nederlands recht maar het recht van een ander land van toepassing is is het mogelijk dat niet alleen overlijdensschade maar ook vergoeding van smartengeld voor het verlies van een familielid gevorderd kan worden.

4. Kunnen de separatisten die het vliegtuig hebben neergehaald, aansprakelijk worden gesteld?

Als blijkt dat separatisten het toestel hebben neergeschoten, is het naar Nederlands recht mogelijk om de persoon (of personen) civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het doet niet terzake dat zij niet de bedoeling hebben gehad om een burgervliegtuig neer te halen. De schade dient in dat geval volledig vergoed te worden.

Mogelijk kunnen de betreffende personen ook strafrechtelijk vervolgd worden. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kan een internationaal arrestatiebevel uitvaardigen. Een probleem is natuurlijk dat de Volksrepubliek Donetsk (de door pro-Russische separatisten uitgeroepen staat) niet zal meewerken aan het arrestatie bevel. Ook het Oekraïense centrale gezag heeft te weinig gezag over dit gebied om te kunnen helpen.

Theoretisch is het dus mogelijk om separatisten aansprakelijk te stellen, maar of dit met succes kan is de vraag. Het zal lastig zijn om de aansprakelijke partij te vinden, laat staan tot betaling te dwingen.

Voor het uitkeren van schade is het makkelijker om een land verantwoordelijk te houden dan een groep rebellen. Zo heeft de VS in 1996 schadevergoeding betaald aan de nabestaanden van de slachtoffers van het Iraanse burgervliegtuig dat in 1988 per ongeluk door een Amerikaans oorlogsschip is neergehaald.

5. Kan Rusland aansprakelijk worden gesteld?

Deze vraag is op dit moment nog niet goed te beantwoorden. Als blijkt dat de Russische politieke of militaire leiding directe command and control had om het vliegtuig neer te halen, dan zou Rusland mogelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Ook kan Rusland wellicht (deels) aansprakelijk worden gesteld omdat zij de wapens heeft geleverd waarmee het vliegtuig is neergeschoten. Indien een SA-11 luchtafweergeschut is gebruikt door separatisten, is dit mogelijk door Rusland geleverd. SA-11 grizzly – zogenaamde double digit surface to air missile (BUK) – is luchtafweergeschut van Russische makelij. Dit wapensysteem kan vliegtuigen die op grote hoogte vliegen uit de lucht halen. In de berichtgeving wordt melding gemaakt van het leveren van het materiaal inclusief de personen die het bedienen door Rusland.

Aangetoond moet wel worden dat er een causaal verband is tussen het leveren van de wapens en dit ongeval. Ook moet schuld aan deze gebeurtenis worden vastgesteld. Juridisch is dit lastig maar niet onmogelijk. Verder is het de vraag of op basis van het recht dat van toepassing is op dit ongeval een overheid aansprakelijk gesteld kan worden.

Met andere woorden: als blijkt dat Rusland de wapens hebben geleverd waarmee het vliegtuig is neergehaald dan is Rusland mogelijkerwijs aansprakelijk.

6. Kan Oekraïne aansprakelijk gesteld worden?

Dit hangt van de feiten en omstandigheden af. Indien uit het onderzoek blijkt dat militairen in Oekraïne het vliegtuig neergehaald hebben dan zou Oekraïne aansprakelijk gesteld kunnen worden. Uit de berichtgeving tot op heden lijkt hiervan geen sprake te zijn.

De Oekraïnse luchtvaartautoriteiten zijn mogelijk ook aansprakelijk indien zij toestemming hebben gegeven om over het gebied te vliegen, op een hoogte waarvan zij konden weten dat de raketten het vliegtuig konden neerhalen. Ook hiervoor is nader onderzoek nodig.

7. Kunnen nabestaanden naar de rechter stappen om schadevergoeding te vorderen van een van de genoemde staten?

Er zijn mogelijkheden voor de (Nederlandse) nabestaanden om in Nederland naar de rechter stappen voor vergoeding van hun schade door een van de genoemde staten voor zover deze niet door Malaysian Airlines wordt vergoed. Het is nu echter nog te vroeg om hier een volledig en goed antwoord op te geven.

8. Welk recht is van toepassing op een vordering tegen een van de staten/separatisten?

Dit dient beantwoord te worden aan de hand van het internationale privaatrecht. De Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 865/2007 (Rome II) toepassen. De hoofdregel is de lex loci damni, ofwel de plaats waar de schade is geleden.

Betoogd zou kunnen worden dat de Nederlandse rechter Maleisisch recht moet toepassen omdat de slachtoffer zich op het moment dat zij schade leden aan boord van een Maleisisch vliegtuig bevonden en in het vliegtuig Maleisisch recht van toepassing is. Ook kan betoogd worden dat de schade is geleden buiten het vliegtuig in het Oekraïense luchtruim, in welk geval Oekraïens recht van toepassing is.

Tot slot kan betoogd worden dat Nederlands recht van toepassing is. Stel dat een kostwinner is omgekomen in het vliegtuig. Dan heeft zijn of haar gezin in Nederland, die voor levensonderhoud afhankelijk is van de arbeid van de overledene, inkomstenderving. De schade wordt dan dus in Nederland geleden, ook al ligt de oorzaak bij gebeurtenissen in Oekraïne.

9. Zijn er nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk zijn?

Op grond van het onderzoek dat gedaan wordt naar de ramp zou kunnen blijken dat er mogelijk nog andere partijen zijn die aansprakelijk zijn. Te denken valt aan bedrijven die de vluchtplannen maken of goedkeuren of autoriteiten die de mogelijkheid hebben om bepaalde vliegroutes te verbieden. Ook zou het ongeval (mede) een gevolg kunnen zijn van een technisch mankement waardoor de fabrikant mogelijk aansprakelijk is. Zoals eerder aangegeven lijkt hiervan op het eerste gezicht geen sprake te zijn. Het is nu echter nog te vroeg om hier iets over te zeggen.

Conclusie

Nabestaanden kunnen Malaysia Airlines aanspreken tot vergoeding van de door hen geleden schade met een maximum van ongeveer 114.000 Euro. Boven dit bedrag kan Malaysia Airlines alleen aangesproken worden indien sprake is van schuld. Dat staat op dit moment nog niet vast.

Er zijn ook nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Onderzoek moet uitwijzen welke partijen dit zijn en of met succes een vordering kan worden ingesteld. Van belang is dat per geval bekeken dient te worden welke rechter bevoegd is en welk recht toegepast moet worden. Gezien het feit dat er zoveel slachtoffers uit verschillende landen zijn en er ook meerdere mogelijke aansprakelijke partijen zijn is dit een complexe puzzel.

Het zal nog wel even duren voordat het onderzoek is afgerond en deze puzzel opgelost zal kunnen worden. Het is te hopen dat alle partijen die betrokken zijn de grootst mogelijke zorgvuldigheid en voortvarendheid betrachten om niet nog meer leed te veroorzaken voor de velen die getroffen zijn.

Auteur: Antoinette Collignon
LSA contactpersoon: Mr O.L. Nunes. Tel. 030 – 2122871.
E-mail: ol.nunes@kbsadvocaten.nl
Deze notitie is gebaseerd op de thans bekende informatie en daaraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoogste Europese rechter kent ruime modelrechtelijke bescherming toe aan kleding

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 19 juni jl. een arrest gewezen, dat naar mijn mening met enthousiasme ontvangen mag worden door de mode-industrie.

Naast auteursrechtelijke bescherming, kunnen kledingontwerpen zonder nadere formaliteiten ook (mogelijk) aanspraak maken op modelrechtelijke bescherming: het zogenaamde niet-geregistreerde Gemeenschapsmodel met een geldigheidsduur van drie jaar. Deze modelrechtelijke bescherming heeft een aantal voordelen, waarover ter afsluiting meer.

Wanneer heeft een model een ‘eigen karakter’?

Als model kan worden beschermd het nieuwe uiterlijk van een op industriële of ambachtelijk wijze vervaardigd voorwerp met een eigen karakter. Een kledingstuk is een dergelijk voorwerp. Het is immers op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd. Mits het kledingstuk een nieuw uiterlijk en een eigen karakter heeft, kan het dus (ook) rekenen op modelrechtelijke bescherming.

Een model is nieuw zolang niet eerder een identiek model (in dit geval dus: kledingstuk) voor het publiek beschikbaar is gesteld. Deze eis lijkt mij helder. Minder duidelijk is echter de eis van het ‘eigen karakter’. Het Europese Hof heeft zich nu uitgelaten wanneer daarvan sprake is.

Een model heeft een eigen karakter als de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die door een of meer afzonderlijk beschouwde oudere modellen gewekt wordt, aldus het Hof. Bij de vraag of een bepaald kledingstuk een ‘eigen karakter’ heeft, moet dit kledingstuk dus steeds één-op-één met oudere kledingstukken worden vergeleken en niet met een fictieve indruk die gebaseerd is op een combinatie van afzonderlijke kenmerken van oudere kledingstukken. Deze uitleg strookt overigens met de auteursrechtelijke regel dat de vereiste creativiteit van een kledingontwerp kan zitten in de keuze voor een specifieke combinatie van elementen, ook als deze elementen op zichzelf beschouwd al te kennen zijn uit andere ontwerpen (maar dus niet in combinatie in één ontwerp).

Bewijslast

Daarnaast kwam in de zaak voor het Europese Hof ook de vraag aan bod wie moet bewijzen of het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel een ‘eigen karakter’ heeft. Moet de (mogelijke) houder van het model dit aantonen om zich met succes op zijn modelrecht te kunnen beroepen, of is er een vermoeden van geldigheid en kan de gedaagde het gestelde ‘eigen karakter’ alleen in verweer onderuit halen door het tegendeel te bewijzen? Het Hof kiest voor de laatste insteek en oordeelt dat de rechter in beginsel mag uitgaan van de geldigheid van het model, mits de houder aangeeft welk kenmerk of welke kenmerken volgens hem zijn model een ‘eigen karakter’ geven.

Goed nieuws voor de mode-industrie

Het Hof legt de beschermingsdrempel dus laag. Zolang de beweerdelijke inbreukmaker er niet in slaagt één ouder kledingstuk te vinden dat eenzelfde algemene indruk wekt, dan heeft het nieuwe kledingstuk dus het vereiste eigen karakter en kan het zonder nadere formaliteiten drie jaar lang rekenen op modelrechtelijke bescherming.

De situatie dat een kledingontwerp respectievelijk –stuk wel auteursrechtelijk beschermd zou zijn, maar niet op grond van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, of andersom, lijkt nu moeilijk voorstelbaar. Althans in Nederland, want in sommige andere Europese landen wordt de lat voor auteursrechtelijke bescherming door de rechter een stuk hoger gelegd dan bij ons, in het bijzonder als het gaat om fashion en toegepaste kunst. Met deze beslissing lijkt ook in die landen nu (modelrechtelijke) bescherming van kledingontwerpen beter binnen handbereik te zijn.

Het grote voordeel van (samenlopende) Gemeenschapsmodelrechten is dat een Gemeenschapsmodel gelding heeft in de hele Europese Unie, terwijl auteursrechten nog steeds nationaal bepaald zijn. Anders dan bij auteursrechten resulteert een succesvol beroep op een Gemeenschapsmodel dan ook in principe in een verbod voor de héle Unie.

Goed nieuws dus voor de mode-industrie in haar strijd tegen imitators en meelifters.

Elkaar tot wederzijds voordeel de hand reiken

Wanneer verschillende partijen met elkaar een deal bereiken, wordt dat dikwijls ritueel beklonken met het schudden van de handen. Het vervolgens op papier uitgewerkt en vastgelegd raken van de deal, kan aanleiding geven tot het heffen van champagneglazen.

Dat het geschud van handen in verband staat tot handgeschut, is naar de achtergrond verdrongen. Wie weet dat het aanvankelijk een ritueel was om vast te stellen dat de ander ongewapend was?

Ook het champagneritueel heeft een minder feestelijke achtergrond, dan menigeen zou vermoeden. Het heffen van glazen, hield in de middeleeuwen verband met gif dat werd geschonken om de vijand naar de zaligmakende eeuwigheid te voeren. Middeleeuwse ridders sloegen tijdens vredesbesprekingen de bekers met drank tegen elkaar aan en hieven zo doende ‘het glas’, om vast te stellen dat de drank niet vergiftigd was door de andere zijde. Door de bekers tegen elkaar aan te slaan, kwam er namelijk altijd wel wat drank van de ene in de andere beker. Toen betrof het nog andere zalig smakende – en misschien dus ook zaligmakende – bubbels, namelijk bier. Dit ritueel is naderhand nog een ander doel gaan dienen. Door het heffen en vervolgens klinken van de glazen, kon men vaststellen dat de glazen van echt kristal waren vervaardigd en dat de gastheer dus wel in goeden doen moest zijn.

Voor het middeleeuwse vuistrecht zijn ons burgerlijk wetboek en de Staat in de plaats gekomen. In zekere zin houden de genoemde rituelen verband met wat we nu kennen als de onderzoeks- en informatieplicht van contractspartijen. Die plichten worden tegenwoordig dikwijls vervuld onder begeleiding van advocaten. Advocaten krijgen daarmee een belangrijke rol bij de totstandkoming van een zakelijke relatie.

Goed vervulde onderzoeks- en informatieplichten leiden tot evenwichtige afspraken, zoals die door alle partijen zijn beoogd. Niet goed vervulde onderzoeks- en informatieplichten, kunnen leiden tot onevenwichtige afspraken met niet-beoogde effecten. Aangenomen dat dergelijke afspraken zelden de bedoeling van alle partijen zullen zijn, tenzij sprake is van openlijke machtsuitoefening, kun je wel stellen dat er dan iets is fout gegaan. Dat kan het gevolg zijn van onoplettendheid van de ene partij, al dan niet in combinatie met sluwheid van de andere partij. Hoewel we het vuistrecht hebben uitgebannen, ligt hieraan toch vaak een verschil in macht aan ten grondslag. Met macht doel ik in dit verband op kennis en expertise. Macht wordt door gewone burgers en hun ondernemingen tegenwoordig niet meer uitgeoefend met handgeschut en gif, maar met kennis en expertise.

Vele discussies en geschillen zijn in de afgelopen 17 jaar op mijn bureau terecht gekomen en dikwijls heb ik moeten vaststellen dat de kiem daarvan ligt in een niet goed vervulde onderzoeks- of informatieplicht. In de middeleeuwen was veel duidelijker wanneer sprake was van machtsuitoefening en daar legde je je dan bij neer of je ging de strijd aan. Tegenwoordig ligt het allemaal wat minder duidelijk.

Er zijn slimmeriken, met veel kennis en expertise, die veel geld verdienen aan het gebrek aan kennis van een (beoogde) contractspartij. Daarom is aan het juridische jargon het woord “zorgplicht” toegevoegd. Het is een variant op de informatieplicht en wordt vooral gebruikt in de context van zakelijke dienstverlening. Een dienstverlener, bijvoorbeeld een bankier of advocaat, zal om zijn of haar kennis worden ingeschakeld. De klant zal juist om die reden varen op de adviezen van de dienstverlener en voorshands vertrouwen op juistheid daarvan. De dienstverlener dient daarom goed voor zijn of haar klant te zorgen. Wie geacht mag worden over veel kennis of expertise te beschikken (al dan niet via adviseurs), krijgt niet alleen een gewone zorgplicht, maar zelfs een bijzondere zorgplicht. Mijn vorige blog, zie hier, gaat over massaschade als gevolg van schending van de bancaire zorgplicht.

Hoewel onevenwichtigheden op macroniveau ook wel de motor van de vooruitgang heten te zijn, loop ik warm voor het herstellen daarvan op het niveau van contractspartijen. Dat herstel kan al plaatsvinden in de fase die vooraf gaat aan een contract, door middel van goede juridische advisering zodat onderhandelingen leiden tot een evenwichtig en solide resultaat. Herstel kan ook plaatsvinden tijdens de zakelijke relatie of in de afwikkeling of nasleep daarvan. Een contract zou je kunnen zien als een evenwichtsinstrument. Maar ja, dan moet het natuurlijk wel evenwichtig in elkaar steken. Anders is het geen evenwichtsinstrument, maar een machtsinstrument. En dan ligt ‘handgeschud’ opeens niet meer heel ver van handgeschut.

Een contract zal in de ogen van partijen geldig zijn, zolang het strekt tot de voordelen die zij daarmee hebben beoogd. Daarom reikten partijen elkaar ooit de hand. Wordt dat anders, dan is het uit de hand gelopen en tijd voor actie. Afspraak is afspraak, is het typische antwoord van de partij in wiens voordeel de afspraken nog steeds spreken. In anglo-saxische rechtssferen is dat een hoog in het vaandel gedragen adagium. In Nederland wordt dat – wat mij betreft gelukkig – wat minder hoog gedragen. In de Nederlandse rechtssfeer zijn afspraken – op grond van de redelijkheid en billijkheid – eenvoudiger met succes voor heronderhandeling of discussie vatbaar, als die niet meer tot het beoogde voordeel van een partij strekken.

Senaat trekt Wet kwaliteit, klachten en geschillen in twijfel

De Eerste Kamer heeft zich begin dit jaar kritisch uitgelaten over het wetsvoorstel inzake de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Het zou maar zo kunnen dat de wet er nooit komt.

Door invoering van de Wkkgz zullen de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) verdwijnen. Veel artikelen uit die wetten komen gewoon terug in de Wkkgz. De Eerste Kamer-fracties – waaronder die van de regeringspartijen – vragen zich daarom af of de nieuwe wet wel nodig is. De Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Raad van State en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg zijn bovendien van mening dat het klachtrecht reeds goed geborgd is, aldus deze fracties. Behoorlijk fundamentele kritiek.

Volgens het wetsvoorstel biedt een zorgaanbieder ‘goede zorg’ aan. Is dat hetzelfde als ‘verantwoorde zorg’ (wet BIG) en ‘zorg van een goed hulpverlener’ (WGBO)? Ook de reikwijdte van de wet is onduidelijk. Geldt deze ook voor thuiszorg, mantelzorg en zorg door vrijwilligers, bijvoorbeeld in een hospice?

Incidenten melden

De Wkkgz verplicht een zorgaanbieder een incidentenregistratie bij te houden. Als medewerkers het risico lopen dat zij kunnen worden afgerekend op incidenten waarbij zij betrokken waren, zal de bereidheid om te melden afnemen. Daar lijkt de wetgever wel aan te hebben gedacht. De manier waarop krijgt echter kritiek van de Eerste Kamerleden. Zo kunnen de gegevens uit de incidentregistratie voor strafrechtelijk bewijs worden gebruikt indien zij redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen. Volgens de Luchtvaartwet kunnen gegevens uit incidentenregistraties alleen gebruikt worden in strafrechtelijke procedures ingeval van grove nalatigheid of opzet en alleen na toetsing door de rechter-commissaris. Dit punt is al vaker gemaakt en het blijft onduidelijk waarom de minister de Luchtvaartwet op dit punt niet volgt.

Nabestaanden informeren

De cliënt of zijn nabestaanden moeten volgens de Wkkgz onverwijld worden geïnformeerd over aard en toedracht van een incident dat merkbare gevolgen heeft of kan hebben voor de cliënt. Niet iedereen zit erop te wachten dat zijn partner, ouders, kinderen, broers en zussen worden geïnformeerd over een incident en dus over de zorg die hij of zij heeft gekregen. Zorgverleners mogen nabestaanden volgens de huidige jurisprudentie niet zomaar informatie verstrekken over de cliënt, dus ook niet over aard en de toedracht van een incident. Dat mag alleen als de cliënt daar bij leven toestemming voor heeft gegeven, als die toestemming kan worden verondersteld of ingeval van een conflict van plichten. Of dat zo is, moet van geval tot geval worden bekeken. Naar mijn mening sluit de Wkkgz op dit punt niet aan bij de bestaande jurisprudentie.

Klachten en geschillen

Het wetsvoorstel biedt geen wettelijke basis meer voor een klachtencommissie zoals die er nu wel is op grond van de Wkcz. Wel moeten zorgaanbieders klachten binnen zes weken of, als uitvoeriger onderzoek nodig is, binnen tien weken schriftelijk beoordelen. Ook moeten zorgaanbieders zich aansluiten bij een externe geschilleninstantie die onder meer claims kan beoordelen tot een waarde van 25.000 euro.

De Eerste Kamerleden zijn vrijwel allemaal van mening dat niet elke klacht een schriftelijk oordeel nodig heeft. Soms volstaat een goed gesprek. Ik vraag mij bovendien af hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het wetsvoorstel inzake mediation. Dat wetsvoorstel stelt immers regels om het gebruik van mediation ter voorkoming van juridische procedures te bevorderen. Ook in de zorg wordt een geschil regelmatig door mediation opgelost.

Moet deze regelgeving omtrent klachten en geschillen ook gelden voor kleinere zorgaanbieders? Zij zijn mogelijk niet in staat klachten binnen zes weken af te handelen, zeker niet gezien de regeldruk waaronder veel zorgaanbieders toch al gebukt gaan.

Kritiek

Het belangrijkste punt van kritiek is de verplichting van de zorgaanbieder om zich aan te sluiten bij een externe geschillencommissie. Dat is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus een groot aantal Eerste Kamerleden. Het is een grondrecht van een ieder om zich tot de gewone, openbare rechter te mogen wenden. De Wkkgz zou in juli van dit jaar in werking treden. Die termijn word waarschijnlijk niet gehaald. En gezien de fundamentele kritiek van de Eerste Kamer sluit ik niet uit dat van uitstel afstel komt.

Zorgvisie, 19 mei 2014

Collectieve afwikkeling van massaschade en renteswaps

In Nederland is nog niet heel veel ervaring opgedaan met het op een efficiënte wijze afwikkelen van massale schadegevallen. Wij kunnen in dat opzicht leren van de praktijk in de Verenigde Staten. 

Met de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade, afgekort WCAM, die op 16 juli 2005 in Nederland van kracht is geworden, wordt – enigszins in navolging van de praktijk in de Verenigde Staten – aan collectieven van gedupeerden de mogelijkheid geboden om overeenkomsten over schadevergoeding algemeen verbindend te laten verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de getroffen overeenkomst ook geldig wordt voor de partijen die niet bij de onderhandelingen waren betrokken. Het is dus opletten geblazen. Verzoeken om overeenkomsten algemeen verbindend te verklaren moeten worden ingediend bij het Amsterdamse Gerechtshof. Een dergelijke procedure bij het Amsterdamse Gerechtshof is in het belang van alle betrokken partijen, mits het allemaal goed en evenwichtig in elkaar is gestoken en uitgevoerd. En daarin ligt een uitdaging voor gedupeerden en de partijen die hen vertegenwoordigen. Bij het goed en evenwichtig in elkaar steken van de overeenkomst en het verzoek komt heel wat kijken. Gebeurt dat niet goed, dan kunnen de gedupeerden nog eens gedupeerd raken.

Voorbeelden van massale schadegevallen in Nederland zijn het seksueel misbruik in de Katholieke kerk, de PIP-borstimplantaten, de zogenaamde asbestkwestie, schade als gevolg van het DES-hormoon en verschillende massale schadegevallen als gevolg van het aan de man brengen van financiële producten door partijen die daarbij niet of onvoldoende hun zorgplicht in acht nemen. Bij een zorgplicht in geval van de verkoop van financiële producten valt te denken aan de bancaire zorgplicht, die in rechtspraak is ingekleurd. 

Bij massale schadegevallen gaat het in de regel om een situatie met aan de ene kant een in bepaald(e) opzicht(en) machtige partij, bijvoorbeeld een bank, tegenover een grote groep aanzienlijk minder machtige partijen. De schade doet zich voor aan de zijde van de grote groep minder machtige partijen. Bij massale schadegevallen doen de gedupeerden er goed aan zich te verzamelen. Eendracht maakt macht. Op die wijze kan een evenwichtige onderhandelingssituatie ontstaan. Een evenwichtige onderhandelingssituatie is een noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van een goed schikkingsresultaat dat kan dienen als basis voor een verzoek op grond van de WCAM bij het Amsterdamse Gerechtshof. 

Een massaschade die in de afgelopen periode veel in het nieuws is geweest, betreft de kwestie rondom de zogenaamde renteswaps, ook wel genoemd rentederivaten, die banken wereldwijd hebben verkocht aan ondernemers. Deze renteswaps werden vanaf circa 2006 aan ondernemers verkocht. Renteswaps, ook wel rentederivaten genoemd, zeggen aan ondernemers zekerheid te geven over een in verband met een lening te betalen rente. Maar wat gezegd wordt, is vaak niet het hele verhaal. Het prijskaartje dat aan die verkochte zekerheid hangt, was in veel gevallen niet makkelijk zichtbaar of leek op het eerste gezicht veel gunstiger dan in werkelijkheid het geval was. Dat komt omdat bij de verkoop van die producten vooral wordt gewezen op de voordelen en (te) weinig op de risico’s. Die nadelen blijven daarom verholen tot het risico zich verwezenlijkt en dan vallen de schellen van de ogen. In dit verband verwijs ik ter illustratie naar de website van Cadension Financial Surgery: http://www.cadension.com/financiele-update/ en een artikel in de Volkskrant: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3475218/2013/07/13/Duizenden-ondernemers-bezitten-giftige-derivaten.dhtml. In het buitenland hebben de renteswaps ook al tot de nodige commotie geleid, zie bijvoorbeeld: http://bully-banks.co.uk/site/.

Onze nationale financiële waakhond, de AFM, deed onderzoek naar de renteswaps en publiceerde daarover in september 2013 een interessant rapport, zie: http://www.afm.nl/~/media/files/rapport/2013/dienstverlening-rentederivaten.ashx

De AFM heeft geconstateerd dat banken hun MKB-cliënten veelal onvoldoende hebben geïnformeerd over de risico’s van de renteswaps. Uit het onderzoek is ook gebleken dat de dossiervorming door banken te wensen overlaat. De banken zullen hier kennis van hebben genomen en – als het goed is – hun werkwijze hebben aangepast. De vele gedupeerde MKB-ondernemers hebben in de afgelopen jaren voor een klein deel en individueel al verschillende pogingen ondernomen om bij een civiele rechter recht te halen en hun schade vergoed te krijgen. Bij de individuele gevallen gaat het vaak al om veel geld. Meest recent is een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:1415) – zie: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2014:1415. Daarin kreeg een individuele MKB-ondernemer een schade van € 169.319,52 plus wettelijke rente toegewezen. Op macroniveau gaat het om een zeer aanzienlijke schade van – mogelijk – vele miljoenen euro’s. Uit onderzoek zou blijken dat de alle renteswaps gezamenlijk een negatieve waarde van ruim EUR 4 miljard hebben. Dat gegeven, gecombineerd met het feit dat de renteswaps belichaamd zijn in standaardcontracten, maakt de kwestie mogelijk geschikt voor een collectieve afwikkeling.

Sandra Frommelt heeft in onderzoek of in de kwestie over de renteswaps een goed model voor een schikking op macroniveau is te formuleren. Een dergelijke schikking zal recht moeten doen aan alle belangen en zal ook verdeelsleutels moeten bevatten waarin individuele omstandigheden worden meegewogen. In de Verenigde Staten is al veel ervaring opgedaan met de logistiek en techniek die komt kijken bij het tot stand brengen van een schikking op macroniveau en de daarin op te nemen verdeelsleutels. Uit die ervaring zal worden geput. 

Sandra Frommelt, die zich als advocaat graag bezighoudt met complexe civiele procedures, heeft zich grondig verdiept in de afwikkeling van complexe schadegevallen en heeft ook een boek in de maak over de schadestaatprocedure.

Gedupeerde MKB-ondernemers, partijen die renteswaps hebben verkocht, financieel experts, en een ieder die zich geroepen voelt, worden hierbij uitgenodigd om hun verhaal te doen en ervaringen of expertise te delen. Daartoe kan contact worden opgenomen met sandra.frommelt@legaltree.nl of telefonisch met 035-5330055.

Nieuws over de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg

Inleiding

Onlangs heeft de Eerste Kamer een voorlopig verslag uitgebracht over het wetsvoorstel inzake de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Dat verslag staat bol van de kritische vragen. Er zijn twijfels over nut en noodzaak van de wet en over de regeling voor het melden van incidenten. De verplichte aansluiting bij een externe geschillencommissie zou zelfs strijdig zijn met het EVRM.

Nut en noodzaak van het wetsvoorstel

Door invoering van de Wkkgz zullen de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector verdwijnen. Veel artikelen uit die wetten komen terug in de Wkkgz. Veel fracties uit de Eerste Kamer (waaronder ook die van de regeringspartijen) hebben vragen aan de minister gesteld over de noodzaak van deze wet. Zij hebben geen aanwijzingen dat de klachtenregelingen en geschillenbeslechting zoals die momenteel plaatsvinden verbeterd moeten worden. De Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Raad van State en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg zouden van mening zijn dat dat patiëntenrechten en dus ook het klachtrecht reeds goed geborgd zijn. Ook is gewezen op de Gedragscode openheid medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid (GOMA) waarvan het effect en de resultaten nog onvoldoende duidelijk zijn. Als er al knelpunten zijn, dan is het volgens diverse Eerste Kamerfracties bovendien de vraag of die zouden moeten worden weggenomen via deze Wkkgz.

Goede zorg

De Eerste Kamer leden stellen ook de nodige vraagtekens bij de term “goede zorg”. Volgens het wetsvoorstel biedt een zorgaanbieder “goede zorg” aan. Is dat hetzelfde als “verantwoorde zorg” die een zorgaanbieder krachtens de wet BIG moet verlenen? En komt dat ook weer overeen met de “zorg van een goed hulpverlener” zoals genoemd in de WGBO?

Niet helemaal duidelijk is verder wat de reikwijdte van de Wkkgz zal zijn. Gaat het alleen om zorg die vergoed wordt krachtens de Zorgverzekeringswet en de AWBZ of vallen thuiszorg, mantelzorg en zorg door vrijwilligers (bijvoorbeeld in een hospice) er ook onder?

Incidenten melden

Volgens de Wkkgz moet een zorgaanbieder een incidentenregistratie bijhouden. Daarin moeten alle incidenten geregistreerd worden. Het doel van een dergelijke incidentenregistratie is het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Medewerkers moeten zich dus vrij en veilig voelen om incidenten te melden. Als zij het risico lopen dat zij kunnen worden afgerekend op incidenten waarbij zij betrokken waren, zal de bereidheid om te melden afnemen. Daar lijkt de wetgever wel aan te hebben gedacht. Volgens het wetsvoorstel kunnen gegevens uit het incidentenregister niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt. Evenmin kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel daarop worden gebaseerd. Dat is alleen anders als het gaat om gegevens met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie. Ook kunnen de gegevens voor strafrechtelijk bewijs worden gebruikt indien zij redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen. Met name dat laatste kan op kritiek van de Eerste Kamer rekenen. De fracties pleiten er voor om een regeling te treffen die vergelijkbaar is met die in de Luchtvaartwet. Daar gaat het immers ook om mensenlevens. Volgens de Luchtvaartwet kunnen gegevens uit incidentenregistraties alleen gebruikt worden in strafrechtelijke procedures ingeval van grove nalatigheid of opzet en alleen na toetsing door de Rechter-commissaris, aldus de kamerleden.

De cliënt moet volgens de Wkkgz onverwijld worden geïnformeerd over aard en toedracht van een incident dat zich bij de zorgverlening aan de cliënt heeft voorgedaan en dat merkbare gevolgen heeft of kan hebben voor de cliënt. Is de cliënt overleden, dan worden de nabestaanden geïnformeerd. Hiermee wordt naar mijn mening het beroepsgeheim doorbroken. Immers, het beroepsgeheim geldt ook na de dood. Zorgverleners mogen nabestaanden alleen informatie verstrekken over de cliënt (en dus ook over aard en de toedracht van een incident) als de cliënt daar toestemming voor heeft gegeven of als die toestemming kan worden verondersteld. In veel gevallen zal dat laatste aan de orde zijn en kunnen nabestaanden gewoon geïnformeerd worden. Maar dat moet wel van geval tot geval bekeken worden. De wetgever verstaat onder nabestaanden bijvoorbeeld ook ouders, kinderen, broers en zussen. Dat is een ruime kring, voor veel mensen zal die te ruim zijn. Het zou beter zijn geweest als de wetgever op dit punt aansluiting zou hebben gezocht bij de bestaande jurisprudentie op dit punt. Door bijvoorbeeld nabestaanden alleen inzage in informatie omtrent het incident te geven “voorzover de zorgaanbieder de toestemming van de overleden cliënt ter zake kan veronderstellen.”

Klachten en geschillen

Het wetsvoorstel biedt geen wettelijke basis meer voor een klachtencommissie zoals die er nu wel is op grond van de Wet Klachtrecht cliënten zorgsector. Wel moeten zorgaanbieders klachten binnen zes weken of, als uitvoeriger onderzoek nodig is, binnen tien weken schriftelijk beoordelen. Ook moeten zorgaanbieders zich aansluiten bij een externe en onafhankelijke geschilleninstantie die onder meer claims kan beoordelen tot een waarde van € 25.000,-.

Op deze regeling is veel kritiek gekomen. Zo zijn de Eerste Kamerleden vrijwel allemaal van mening dat niet elke klacht een schriftelijk oordeel nodig heeft. Soms is ook een goed gesprek tussen de betreffende zorgverlener en de patiënt voldoende om het probleem op te lossen. De procedure zou te veel gejuridiseerd worden. Dat geldt ook ten aanzien van het samenvoegen van klachten en schadeclaims door deze door een externe geschilleninstantie te laten beoordelen. Het behandelen van een schadeclaim vergt volgens de Eerste Kamerleden een andere (meer juridische) aanpak dan het behandelen van een klacht omtrent bijvoorbeeld bejegening of een onsmakelijke maaltijd.

De vraag is ook gesteld of deze regelgeving omtrent klachten en geschillen zou moeten gelden voor kleinere zorgaanbieders. Zij zijn soms niet in staat om een regeling op te tuigen waarmee klachten binnen zes weken worden afgehandeld, zeker niet gezien de regeldruk waaronder veel zorgaanbieders toch al gebukt gaan.

In dit kader vraag ik mij bovendien af hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het wetsvoorstel inzake mediation. Dat wetsvoorstel stelt immers regels om het gebruik van mediation ter voorkoming van juridische procedures te bevorderen. Ook in de zorg is mediation nu al vaak een manier om een geschil op een voor alle partijen bevredigende manier uit de wereld te helpen.

Het belangrijkste punt van kritiek is evenwel de verplichting van de zorgaanbieder om zich aan te sluiten bij een externe geschillencommissie. Het is een grondrecht van een ieder om zich tot de gewone, openbare rechter te mogen wenden. Daar kan in vrijheid van worden afgeweken, door bijvoorbeeld vrijwillig arbitrage of bindend advies af te spreken. Door de Wkkgz worden zorgaanbieders echter verplicht zich te onderwerpen aan het bindend advies van een Geschilleninstantie. Dat is in strijd met artikel 6 van het EVRM, aldus een groot aantal Eerste Kamerleden.

Conclusie

De Wkkgz zou naar verwachting in juli van dit jaar in werking treden. Gezien het grote aantal vragen van de Eerste Kamer en ook de fundamentele aard van die vragen vraag ik me af of die termijn gehaald gaat worden. Het zal niet de eerste keer zijn dat een wetsvoorstel alsnog in de Eerste Kamer strandt.

Hyperlinken: wat mag nou wel en wat niet?

Mag hyperlinken naar een auteursrechtelijk beschermd werk (zoals beschermde artikelen, foto´s of video´s) nu wel of niet?

Het Hof van Justitie deed daarover een belangrijke uitspraak op 13 februari 2014 in de zaak Svensson / Retriever.

Uit die uitspraak komt het volgende naar voren:

1.⇥Hyperlinken naar publiek toegankelijke website mag

Het is toegestaan om op de eigen website een hyperlink te plaatsen naar een door de auteursrechthebbende geplaatst auteursrechtelijk beschermd werk op een andere website, wanneer die website vrij toegankelijk is voor het internetpubliek. Datzelfde geldt voor embedded links naar die vrij toegankelijke website.

Wanneer de auteursrechthebbende het werk zelf vrij toegankelijk maakt op een bepaalde website, dan mag worden aangenomen dat hij daarmee de bedoeling heeft gehad om het werk aan alle bezoekers van die website beschikbaar te maken. Dat geldt dan dus ook voor gebruikers die via een op een andere website geplaatste hyperlink op die website terecht komen.

Bijvoorbeeld (embedded) linken naar een publiekelijk beschikbaar filmpje op Youtube filmpje mag.

2.⇥Hyperlinken naar website voor abonnees mag niet

Het is niet toegestaan om een hyperlink te plaatsen naar een auteursrechtelijk beschermd werk op een andere website wanneer die website niet vrij toegankelijk is voor het publiek. Hyperlinken kan dus niet naar auteursrechtelijk beschermde werken die bijvoorbeeld alleen voor (betaalde) abonnees toegankelijk zijn. In dat geval kan er namelijk niet van uit worden gegaan dat de auteursrechthebbende de bedoeling had om het werk aan alle gebruikers van diens website te tonen, alleen aan de abonnees. Voor hyperlinks naar dat soort werken is de toestemming van de auteursrechthebbende nodig.

In feite zou het dan gaan om werken die door omzeiling van beschermingsmaatregelen (“illegale” kopieën dus) aan het publiek ter beschikking worden gesteld. Dit betekent bijvoorbeeld dat (embedded) linken naar een illegale kopie van een Netflix film niet mag.

3.⇥Mag hyperlinken naar een op een andere website “doorgeplaatst” werk?

De vraag is of het is toegestaan om een hyperlink te plaatsen naar een auteursrechtelijk beschermd werk dat één-op-één is doorgeplaatst van de oorspronkelijke, publiekelijk toegankelijke website waarop het was geplaatst naar een andere website. Ik ga er daarbij van uit dat er niet een (wettelijke) uitzondering geldt waaronder wel mag worden doorgeplaatst, zoals in het kader van citeren en ook dat de rechthebbende geen toestemming heeft gegeven voor het doorplaatsen.

Het Hof laat zich hier niet met zoveel woorden over uit. Toch denk ik dat het mogelijk is om die vraag met behulp van het arrest te beantwoorden. Tot die conclusie komt ik als volgt.

Hyperlinken mag niet bij bereiken van nieuw publiek

Voor hyperlinken naar een beschermd werk is volgens het Hof alléén toestemming van de rechthebbende nodig als daarmee een nieuw publiek wordt bereikt. Voor de vraag wanneer met het hyperlinken een nieuw publiek wordt bereikt is beslissend of de auteursrechthebbende dat publiek voor ogen had toen hij het betreffende werk publiceerde.

Geen nieuw publiek bij linken naar site oorspronkelijke mededeling

In de zaak die tot het arrest leidde stelde het Hof vast dat daar geen sprake was van een nieuw publiek. Het ging daar om hyperlinks naar de website waarop de werken met toestemming van de auteursrechthebbende waren geplaatst. De doelgroep van die plaatsing bestond volgens het Hof uit alle potentiële bezoekers van die website.

Wanneer alle gebruikers van de website waarop de hyperlinks staan, rechtstreeks toegang hebben tot de werken “op de website waarop deze oorspronkelijk werden medegedeeld”, dan moeten de gebruikers van de website waarop de hyperlinks staan worden beschouwd als mogelijke ontvangers van de website waarop ze oorspronkelijk werden medegedeeld. Zij zijn en onderdeel van het publiek dat door de houders van het auteursrecht in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling.

Dat betekent niet alle websites waarop de werken staan

Naar mijn mening is van belang dat het Hof vaststelt dat de doelgroep van de oorspronkelijke mededeling op de website bestond uit alle potentiele bezoekers van die website. Naar mijn mening kan hieruit dus niet zonder meer worden afgeleid dat dit ook geldt voor andere websites waarop de werken zijn doorgeplaatst, dus niet die “waarop het oorspronkelijk werd medegedeeld”.

Andere websites: nieuw publiek?

Er is naar mijn mening zeker wat voor te zeggen dat wanneer de auteursrechthebbende werken op een publiekelijk toegankelijke website plaatst of laat plaatsen, het publiek dat hij daarbij in aanmerking neemt bestaat uit bezoekers van die website, en niet ook op bezoekers van andere websites waarop dat werk staat, tenzij blijkt dat die bedoeling wel bestond.

Als bijvoorbeeld RTL op de eigen website een publiekelijk toegankelijk filmpje plaatst, is daarmee dan gezegd dat ze voor ogen had dat het filmpje (niet op basis van toegestane uitzonderingen) wordt gekopieerd en doorgeplaatst naar een andere website, zoals Youtube? Dat lijkt mij niet. Voor het linken naar dat soort websites zou dan de toestemming van de auteursrechthebbende nodig zijn.

Het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid

Het ontslagrecht lijkt eindelijk hervormd te worden. Met het wetsvoorstel Wet Werk en Zekerheid, dat het resultaat is van een compromis tussen werkgevers en werknemers, wil de wetgever onder meer het ontslagrecht vereenvoudigen. Andere doelen zijn: het beperken van ontslagvergoedingen, het versterken van de positie van werknemers met een contract voor bepaalde tijd en met een contract voor wisselende uren en het beperken van de langdurige inzet van flexibele arbeid.

Tijdens een symposium van de Vereniging voor Arbeidsrecht Advocaten, waar 600 advocaten, hoogleraren, rechters en andere arbeidsrechtjuristen vertegenwoordigd waren, bleek de algemene opinie te zijn dat het wetsvoorstel het ontslagrecht juist ingewikkelder maakt en dat het maar zeer de vraag is of de beoogde doelstellingen worden behaald. Het valt dus te verwachten dat het wetsvoorstel nog behoorlijk wat wijzigingen zal ondergaan.

Het kabinet streefde er in ieder geval naar de wijzigingen ter versterking van de positie van flexwerkers al per 1 juli 2014 te laten ingaan. D66 en de VVD hebben inmiddels een amendement ingediend om bepaalde wijzigingen  pas per 1 juli 2015 in te voeren. Minister Asscher verzet zich daar niet tegen, dus waarschijnlijk gaat in ieder geval een deel van de voorgestelde wijzigingen per 1 juli 2015 in. Het gaat om de volgende wijzigingen.

1.⇥Opvolgende arbeidsovereenkomsten
Huidige situatie:
Momenteel mag een werkgever drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aanbieden, binnen een tijdvak van drie jaar. Van een opvolgend contract is sprake als er niet meer dan drie maanden tussen twee contracten zijn gelegen. Bij het vierde opvolgende contract ontstaat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Per 1 juli 2014/2015:
Volgens het wetsvoorstel mogen de drie opvolgende contracten nog slechts een tijdvak van twee jaar beslaan. Bovendien is voortaan van opvolgende contracten sprake als er niet meer dan zes maanden tussen twee contracten zijn gelegen.

TIP: indien u nog vóór 1 juli 2014/2015 een derde opvolgend contract aanbiedt, waarmee een tijdvak van twee jaar overschreden gaat worden, dan wordt de derde arbeidsovereenkomst niet van rechtswege omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Doet u dat na 1 juli 2014/2015, dan ontstaat wèl een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.⇥Proeftijd
Huidige situatie:
Momenteel mag in iedere arbeidsovereenkomst een proeftijd worden opgenomen. In een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag een proeftijd van maximaal 1 maand worden overeengekomen.
In een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mag een proeftijd van maximaal 2 maanden worden overeengekomen.

Per 1 juli 2014:
Volgens het wetsvoorstel is een proeftijd in een tijdelijk contract voor ten hoogste zes maanden niet geldig. Verder wijzigen de regels rond de proeftijd niet.

3.⇥Concurrentiebeding
Huidige situatie:
Momenteel is een concurrentiebeding in iedere arbeidsovereenkomst in beginsel rechtsgeldig.

Per 1 juli 2014:
Een concurrentiebeding is niet langer toegestaan in een tijdelijk contract, tenzij de werkgever schriftelijk motiveert welke bedrijfsbelangen beschermd moeten worden en waarom een concurrentiebeding vereist is.
Een concurrentiebeding in een contract voor onbepaalde tijd blijft rechtsgeldig.

4.⇥Aanzegtermijn
Huidige situatie:
Momenteel zijn werkgevers niet verplicht een werknemer met een contract voor bepaalde tijd tijdig te informeren of het contract al dan niet verlengd wordt.

Per 1 juli 2014:
Het wetsvoorstel introduceert bij tijdelijke contracten die langer duren dan 6 maanden een aanzegtermijn. De werkgever moet de werknemer uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk informeren of de arbeidsovereenkomst al dan niet wordt voorgezet. Wil de werkgever de arbeidsovereenkomst voortzetten, dan moet hij de werknemer ook informeren onder welke voorwaarden hij wil voortzetten. Doet de werkgever dat niet, dan is hij de werknemer een vergoeding verschuldigd van een maandsalaris.

TIP: wijs iemand aan die verantwoordelijk is voor de aanzeggingen (bijvoorbeeld een HR manager). Laat deze persoon agenderen dat uiterlijk een maand voor afloop van ieder tijdelijk contract dat langer duurt dan 6 maanden schriftelijk aan de medewerker moet worden meegedeeld of de arbeidsovereenkomst eindigt dan wel wordt voortgezet en onder welke voorwaarden. Het is toegestaan om de werknemer al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst te informeren dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen periode niet verlengd zal worden.

De belangrijkste voorgestelde wijzigingen die per 1 juli 2015 in werking moeten treden komen in de volgende update aan de orde.

Zero tolerance in Arboland

Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Deze wet brengt onder meer wijziging in de regeling van de bestuurlijke boete in de Arbeidsomstandighedenwet. De aanscherping voorziet in:
– Hogere boetes en strafverzwaring bij recidive;
– Verruiming van het recidivebegrip;
– Verlenging van de recidivetermijn; en
– De mogelijkheid om bij de tweede of derde overtreding preventief de werkzaamheden stil te kunnen leggen.

Hiermee geeft de regering invulling aan het zero-tolerance beleid ten aanzien van werkgevers die herhaaldelijk de arbeidswetten overtreden.

Boete maxima

Het niet naleven van de belangrijkste verplichtingen van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit is als ‘overtreding’ aangemerkt. Denk aan het voeren van een arbobeleid, het opstellen van een risico inventarisatie & evaluatie, voorlichting en onderricht en het melden van bepaalde arbeidsongevallen (maar overigens ook bepaalde verplichtingen van werknemers). Voor deze overtredingen kan nu een bestuurlijke boete worden opgelegd van maximaal EUR 81.000 (artikel 34 lid 3 Arbowet). Voor overtreding van een aantal specifieke voorschriften van de Arbowet die betrekking hebben op het voorkomen en beperken van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, kan zelfs een maximale bestuurlijke boete worden opgelegd van EUR 810.000 (artikel 34 lid 4).

Boetenormbedragen

In de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving zijn boetenormbedragen opgenomen variërend van EUR 340 tot EUR 13500. Deze bedragen vormen het uitgangspunt voor de berekening van op te leggen boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Kleinere bedrijven betalen een percentage hiervan, variërend van 10% tot 80%. In de Beleidsregel wordt een onderscheid gemaakt tussen Zware Overtredingen (ZO), Overtredingen met Directe Boete (ODB) en Overige Overtredingen (OO). Bij die laatste wordt eerst een waarschuwing gegeven of een eis gesteld en pas in tweede instantie een boete opgelegd.

Een aantal factoren resulteren in verhoging van het normbedrag. Zo wordt het normbedrag bij een dodelijk arbeidsongeval vermenigvuldigd met vijf, in geval van blijvend letsel of een ziekenhuisopname met vier. In geval van een zware overtreding wordt het normbedrag verdubbeld. Hiertegenover staan drie, achtereenvolgens toe te passen, matigingsfactoren. Indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd, een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbeidsomstandighedenwetgeving, deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld en de verdere nodige maatregelen heeft getroffen wordt de bestuurlijke boete gematigd met een derde. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete gematigd met nog een derde. Indien de werkgever, tenslotte, bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.

Rechtspraak

Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op de matigingsfactoren niet gauw wordt gehonoreerd. Ter illustratie wijs ik op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2). Hoewel gewezen onder oud recht (en oude beleidsregels) is deze uitspraak ook nu nog relevant, met name omdat de matigingsfactoren vrijwel ongewijzigd zijn overgenomen. In casu had een werknemer bij een poging om rubberen tegels met een zaagmachine door te snijden per ongeluk een deel van zijn wijsvinger afgezaagd.

De Afdeling constateert dat het zagen van rubberen tegels niet is behandeld in de risico inventarisatie & evaluatie (RI&E), zodat werkgever niet heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond. Dat de werknemer een ervaren medewerker is met voldoende scholingsniveau maakt niet dat van werkgever niet behoeft te worden verwacht dat zij de risico’s van het gebruik van de zaagmachine bij de door de werknemer te verrichten specifieke werkzaamheden inventariseert. Aan de tweede en derde matigingsgrond wordt bijgevolg niet toegekomen.

Werkgever doet ook nog een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals verwoord in artikel 5:46 Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge hiervan moet het bestuursorgaan de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, en voorts rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst ‘vol’ of een boetebesluit leidt tot een evenredige sanctie. Met de enkele stelling dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat tot de aard van het letsel, de bedrijfsomvang en de financiële positie van het bedrijf, heeft werkgever echter, aldus de Afdeling, geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die meebrengen dat zij door de boete onevenredig wordt benadeeld.

Tot slot betoogt werkgever dat geen sprake is van blijvend letsel. Echter, het ontstaan van een lengteverschil aan een vinger is volgens de Afdeling blijvend van aard, ook als dit verschil slechts millimeters bedraagt.

Al met al geen bevredigend resultaat voor deze werkgever, temeer nu de beschermkap van de zaagmachine kennelijk door de werknemer zelf was verwijderd en deze de tegels, in afwijking van het advies van de leverancier, had getracht op maat te snijden met de zaagmachine.

Uitspraak: klik hier.

Recidive

De op te leggen boete wordt met 100% verhoogd, indien binnen vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding is geconstateerd. Hierbij gaat het niet alleen om overtreding van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod, maar ook om overtreding van (bepaalde) soortgelijke verplichtingen en verboden. In geval reeds tweemaal een eerdere (soortgelijke) overtreding is geconstateerd wordt de boete met 200% verhoogd. Bovendien geldt voor ernstige overtredingen nu een recidivetermijn van 10 jaar.

Preventieve stillegging

Als sluitstuk krijgen de toezichthouders de mogelijkheid om – na waarschuwing – bij de tweede of derde overtreding werkzaamheden preventief stil te leggen voor een maximum duur van drie maanden (artikel 28a Arbowet). Nu kunnen werkzaamheden ook al stilgelegd worden wanneer zij naar het oordeel van de toezichthouder een ernstig gevaar opleveren voor personen (artikel 28 Arbowet). Echter, deze stillegging wordt opgeheven zodra het ernstig gevaar is weggenomen. Omdat preventieve stillegging een zeer ingrijpende maatregel is, vergt dit een gedegen belangenafweging. Hierbij kunnen de maatschappelijke en economische gevolgen van het stilleggen een rol spelen, maar ook de positie van de werknemers. Verwacht mag worden dat de bevoegdheid tot preventieve stillegging slechts als uiterste middel zal worden toegepast.

Resumé

Alles overziend kan met recht gesproken worden over ‘zero-tolerance’! Omdat opzet of schuld veelal niet vereist is, zal overtreding van de arboregels gauw gegeven zijn. En dat zal veelal direct in een boete resulteren. Met name bij ‘zware overtredingen’ of arbeidsongevallen zijn de op te leggen boetes (na verhoging) aanzienlijk, zeker wanneer sprake is van recidive. Bovendien zal in geval van een meldingsplichtig arbeidsongeval op zijn minst een boete worden opgelegd wanneer niet (tijdig) is gemeld. Genoeg reden dus om extra aandacht te besteden aan correcte en tijdige naleving. Ook in Arboland geldt: voorkomen is beter dan genezen.