Archief van Blog:

Facebook en het recht om niet gebruikt te worden…

Er is de laatste tijd weer veel ophef over de ‘nieuwe’ Facebook (privacy)voorwaarden die op 30 januari 2015 worden ingevoerd. Op basis van die voorwaarden zou Facebook zelfs eigenaar worden van alle content die je plaatst. Dus ook van de foto’s. En met die foto’s mag Facebook dus doen wat ze wil. Ook gebruiken in advertenties. Dat heeft tot grote consternatie en zelfs paniek geleid.

Dat is toch wel opmerkelijk. Iedereen met een Facebook-account plaatst zijn of haar hele hebben en houden op Facebook om allerlei (met name privé)aangelegenheden te delen met zoveel mogelijk mensen zodat letterlijk iedereen kan zien wat je wanneer aan het doen bent, wat je meemaakt, hoe je kinderen eruit zien, hoe ze opgroeien et cetera. Dat wordt door veel mensen volkomen normaal gevonden. Maar op het moment dat Facebook wat (kleine) veranderingen aanbrengt in de voorwaarden, staan gebruikers op hun achterste benen en draait alles opeens om hun privacy.

Dat de privacy van social media gebruikers niet altijd gewaarborgd is, bewijst Koppie Koppie. Daarop worden koffiemokken aangeboden met foto’s van kinderen die wel eens op internet geplaatst zijn. Niet om geld mee te verdienen, maar om mensen bewust te maken van hun gedrag op social media (aldus de oprichters).

Facebook mocht al lang gebruik maken van content die door de gebruikers op hun account wordt geplaatst. In de huidige voorwaarden staat bijvoorbeeld dat je Facebook

“een niet-exclusieve, overdraagbare, royaltyvrije, wereldwijde licentie [geeft] om alle IE-inhoud te gebruiken die je plaatst op Facebook of in verband met Facebook (IE-licentie). Deze IE-licentie eindigt wanneer je jouw IE-inhoud of je account verwijdert, tenzij je jouw inhoud hebt gedeeld met anderen en zij de inhoud niet hebben verwijderd.” en

“Je geeft ons toestemming je naam, profielfoto, inhoud en informatie (zoals een merk dat je leuk vindt) te gebruiken voor commerciële, gesponsorde of gerelateerde inhoud die door ons wordt aangeboden of verbeterd. Dit betekent bijvoorbeeld dat je een bedrijf of een andere entiteit toestaat ons te betalen om je naam en/of profielfoto met je inhoud of informatie te tonen, zonder dat je daarvoor compensatie krijgt. Als je een specifieke doelgroep hebt geselecteerd voor je inhoud of informatie, respecteren we bij het gebruik je keuze.”

Dat gaat dus – in theorie – heel ver. Het Tv-programma Radar besteedde deze week een item aan de (nieuwe) voorwaarden van Facebook. Bij Radar kwam aan de orde dat op Facebook geplaatste foto’s in advertenties op billboards kunnen worden geplaatst. Ook werd de nieuwe app ‘Reclaim’ onder de aandacht gebracht, opgericht door onder andere presentator Sipke Jan Bousema. Met Reclaim kunnen gebruikers een watermerk aanbrengen in hun foto’s zodat die niet meer aantrekkelijk zijn om te worden gebruikt in advertenties. Maar volgens Facebook zelf worden helemaal geen foto’s en dergelijke in advertenties gebruikt. Daar hebben ze helemaal geen belang bij.

Er zijn nog steeds misvattingen over de rechten op geplaatste content en foto’s. Webwereld.nl meldde deze week bijvoorbeeld – net zoals Bousema al liet weten bij Radar – dat Facebook de (eigendoms)rechten zou krijgen op de op Facebook geplaatste content en dus ook op de foto’s die gebruikers op hun Facebook account plaatsen (dit bericht heeft Webwereld inmiddels aangepast). Maar dat kan helemaal niet. Voor het overdragen van je auteursrechten is immers een (schriftelijke en ondertekende) overdrachtsakte nodig. Je geeft Facebook ‘slechts’ de bovengenoemde licentie.

Dus waar is al die ophef voor nodig?

ACM beboet investeringsmaatschappijen voor deelname dochter aan kartel

Op 30 december 2014 maakte de Autoriteit Consument en Markt (ACM) bekend een aantal investeringsmaatschappijen boetes tussen de EUR 450.000,– en EUR 1.500.000,– te hebben opgelegd. De betreffende investeringsmaatschappijen zouden beslissende invloed hebben uitgeoefend op een dochtermaatschappij die in de periode 2001-2007 deel uitmaakte van een kartel. Het bericht van de ACM leest u hier: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/13711/ACM-beboet-investeringsmaatschappij-in-meelzaak/.

Het besluit van de ACM is onder andere opvallend omdat de ACM nog niet eerder investeringsmaatschappijen (in dit geval private equity-fondsen) heeft beboet voor kartelovertredingen van een dochteronderneming. De ACM rekent de investeringsmaatschappijen het gedrag van de dochtermaatschappij toe en beboet hen omdat zij beslissende invloed op de dochter hadden (en dus niet omdat zij zelf de mededingingswet hebben overtreden). De ACM overweegt dat de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij deel uitmaakten van één economische eenheid en daarom één onderneming vormden in de zin van het mededingingsrecht.

Opmerkelijk is ook dat de ACM pas vier jaar na de dochter te hebben beboet de investeringsmaatschappijen in het vizier kreeg en aanvullende boetes heeft opgelegd. Uit de besluiten blijkt dat de investeringsmaatschappijen uitvoerig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanvullende boetes. Zij menen onder andere dat de ACM de betrokkenheid van de investeringsmaatschappijen eerder had kunnen onderzoeken en dat het opleggen van aanvullende boetes aan verbonden ondernemingen nadat jaren eerder alleen de dochter is beboet, in strijd met het vertrouwensbeginsel is. De ACM wuift deze bezwaren echter weg.

Ook het argument van één van de investeringsmaatschappijen dat de zaak verjaard zou zijn omdat de ACM haar meer dan vijf jaar na het staken van het kartel, heeft laten weten dat zij onderzoek zou doen naar haar positie, heeft de ACM terzijde geschoven. De ACM redeneert dat haar onderzoek naar de dochter ook de verjaring ten aanzien van alle andere betrokken ondernemingen heeft gestuit. Hoewel de ACM verwijst naar een zaak van het Europese Gerecht waaruit zou blijken dat dit mogelijk is, lijkt mij twijfelachtig of onderzoek naar het handelen van een dochter de verjaring ten aanzien van een (voormalige) moedermaatschappij kan stuiten.
Tegen de besluiten van de ACM staat nog bezwaar en beroep open, vermoedelijk is hierover het laatste woord dus nog niet gezegd.

Waar een merk al niet goed voor is

Anderhalve maand geleden oordeelde het Gerecht van de Europese Unie dat de Rubik’s Cube een geldig vormmerk is.

Bij merken denken de meeste mensen al snel aan woordtekens als COCA-COLA en MICROSOFT. Maar zoveel meer kan een merk zijn. Het uitgangspunt is namelijk dat alle voor grafische voorstelling vatbare tekens een merk kunnen zijn. Onder andere benamingen, tekeningen, kleuren, letters, cijfers, vormen van waren, verpakkingen en geluiden worden vandaag de dag als merk geaccepteerd.

Het merkenrecht biedt dus ook bescherming aan onderscheidende vormgeving. Al ruim dertig jaar geleden bevestigde de Hoge Raad dat de vorm van de Wokkel, het welbekende zoutje met de schroefvorm, via het merkenrecht beschermd kon worden. En sindsdien zijn vele vormen als merk geaccepteerd.

Niet alleen productvormgeving komt voor merkbescherming in aanmerking, maar ook vormgeving van bijvoorbeeld een winkelinrichting. De hoogste Europese rechter oordeelde in de zomer van 2014 dat de winkelinrichting van een Apple Flagship Store een merk kan zijn.

Echter, niet alle vormen zijn via het merkenrecht te beschermen. Niet ieder teken kan of mag namelijk een merk zijn. Zo kan een teken alleen een merk zijn als het in staat is om een waar of dienst van een bepaalde onderneming te onderscheiden van waren of diensten van andere ondernemingen. Sommige tekens bezitten deze vereiste onderscheidende kracht direct omdat het publiek het teken van huis uit als onderscheidingsteken zal opvatten.

Volgens het Gerecht bezit ook de Rubik’s Cube van huis uit onderscheidend vermogen. Op de eerste plaats is de kubusvorm namelijk niet de norm voor een 3D-puzzel. De vorm is niet gebruikelijk. Een kubus is immers een van de mogelijke vormen van een dergelijke puzzel. Daarbij komt dat de dikke zwarte lijnen tussen de vlakken, de zogenaamde roosterstructuur, de 3D-puzzel volgens het Gerecht een origineel aspect geven “dat gemakkelijk in het geheugen van de gemiddelde consument kan worden gegrift en deze in staat stelt de door dat merk aangeduide waren te onderscheiden van die met een andere commerciële herkomst”. Met origineel bedoelt het Gerecht dat de vorm niet ‘gebruikelijk’ is en dat de relevante kenmerken van de vorm voldoende ‘specifiek en willekeurig’ zijn.

Voor tekens die geen intrinsiek, dus van huis uit, onderscheidend vermogen hebben, geldt dat deze eerst moeten ‘inburgeren’. Het publiek zal door middel van reclame en dergelijke het teken moeten gaan associëren met de waren of diensten van één onderneming. Het is niet altijd duidelijk in hoeverre dergelijke tekens moeten zijn ingeburgerd om als merk te kunnen worden ingeschreven, maar de lat lijkt vrij hoog te liggen. Recent oordeelde de hoogste Europese rechter bijvoorbeeld dat de herkenningsgraad van een enkele kleur ten minste 70% moet zijn om als merk te kunnen worden ingeschreven. Pas dan is het voldoende ingeburgerd.

Ook tekens die – kort gezegd – uitsluitend beschrijvend zijn worden als merk geweigerd, zolang ze niet zijn ingeburgerd. Bijvoorbeeld werden woordtekens als ECODOOR voor keukenapparaten die voorzien zijn van een energie-efficiënte deur en GLASHELDER voor verzekeringen om deze reden geweigerd. Dat deze regel geldt voor beschrijvende woorden is evident. Maar in de Rubik’s Cube-zaak werd het vormmerk ook aan deze weigeringsgrond getoetst. Er werd in die procedure namelijk gesteld dat dit kubusmerk “louter beschrijvend is voor een driedimensionale puzzel die de vorm van een kubus met de afmetingen ‘3 x 3 x 3’ heeft”, omdat het “een kubus toont met bepaalde elementen die grafisch van elkaar gescheiden zijn door zwarte lijnen”. In dat argument ging het Gerecht niet mee.

Het Gerecht oordeelde dat het relevante publiek het vormmerk “niet spontaan – te weten met name zonder voorkennis van de Rubik’s Cube –, eenduidig en zonder enig nadenken of onderzoek” zou opvatten als een beschrijving voor een 3D-puzzel. Met andere woorden: als je niet eerder een kubuspuzzel hebt gezien dan zal het vormmerk niet herkend worden als een 3D-puzzel. Het doel van de vorm zal niet spontaan worden begrepen. Bij andere vormen, zelf als je die voor het eerst ziet, kan dat anders liggen. Denk bijvoorbeeld aan een origineel gevormd glas. Ook al heb je die vorm niet eerder gezien, toch is de kans groot dat je daarin een glas ziet omdat de vorm bepaalde gebruikelijke kenmerken bezit die in de markt de norm zijn.

Maar zelfs als je in het vormmerk een (of de?) 3D-puzzel zou herkennen, dan nog lijkt het iets meer dan louter een 3D-puzzel, namelijk door de dikke lijnen. Die lijnen zijn immers volgens het Gerecht origineel. Daarvan uitgaande lijkt mij dat het vormmerk hoe dan ook niet uitsluitend beschrijvend is. Leuke stof tot nadenken…

Hoe dan ook is de moraal van dit verhaal: ook het merkenrecht kan bescherming bieden aan onderscheidende vormgeving. Iets om in gedachten te houden.

Olav Schmutzer

NB Er is een wetswijziging op handen die bepaalt dat alle tekens die in het merkenregister kunnen worden vastgelegd in principe een merk kunnen zijn. Daarmee vervalt de expliciete eis van de grafische voorstelbaarheid en wordt de reikwijdte van het merk verder opgerekt.

Ver van huis

“Ver van huis” is de titel van het rapport Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties dat op 30 oktober jl. door de enquêtecommissie aan de Tweede Kamer is aangeboden. Een onderzoek dat sinds 16 april 2013 is begonnen naar het stelsel van woningcorporaties en de incidenten die daarbinnen konden gebeuren. Incidenten die zich sinds de stelselherziening van woningcorporaties, begin jaren ’90 van de twintigste eeuw voordeden: “We zien een stoomschip van een kwart miljard euro, een Maserati als dienstwagen, kolossale grondposities zonder bouwbestemming, aanleg van een tunnelbak, koffers met biljetten, in het kader van de leefbaarheid lenen aan een uitvaartcentrum, adoptie van een aap, een olifantenbeeldenparade, ontwikkelingen van koopwoningen Wallonië, een architect met een honorarium van 14 miljoen euro en een derivaten portefeuille van 23 miljard euro”.

Vervolgens kwam begin 2012 het schandaal van Vestia naar buiten; Vestia, de grootste woningcorporatie van Nederland met 90.000 sociale huurwoningen die daarnaast ook voor miljarden aan derivatencontracten met banken had afgesloten, contracten die voor niemand te begrijpen waren en renterisico’s zouden moeten afdekken tot sint-juttemis. Deze keer was het geen bedrijf maar nota bene een semi publieke instelling die in één klap in de mondiale top van financiële schandalen terecht is gekomen. De Nederlandse sociale huurders moesten vervolgens opdraaien voor het miljardenverlies. De maat was vol, reden waarom de Tweede Kamer toen een motie heeft aangenomen tot besluit van een Parlementaire enquête naar het stelsel van woningcorporaties en de misstanden die daar binnen konden gebeuren.

De commissie stelt in haar rapport een samenhangend pakket van 18 maatregelen voor. Zoals verwacht, is de commissie zeer kritisch over het functioneren van de onderzochte corporaties maar er is gelukkig ook lof voor de sector. Volgens de commissie staat “buiten kijf dat woningcorporaties in de afgelopen 20 jaar essentiële bijdragen hebben geleverd aan de sociale volkshuisvesting in Nederland. Zij hebben er mede aan bijgedragen dat van een omvangrijke gettovorming en verpauperde woonwijken in Nederland nagenoeg geen sprake is”. Ondanks dat in veel gevallen sprake is van grote inzet en bevlogenheid bij het dagelijks uitvoeren van de maatschappelijke opdracht door de corporaties is het beeld van de corporatiesector de laatste jaren alleen maar negatiever geworden. De commissie concludeert dat die beeldvorming begrijpelijk is “in de praktijk van de casussen blijkt dat de directeur-bestuurder vaak een te machtige positie inneemt binnen de corporatie en dat de Raad van Commissarissen niet in staat is om als een volwaardige tegenkracht te functioneren tegen een dominante, ambitieuze bestuurder. Daarbij blijken corporaties dankzij hun bezit makkelijk en goedkoop geld te kunnen lenen of in geval van problemen vrij gemakkelijk woningen te kunnen verkopen om verliezen op te vangen of te verdoezelen”. Een cultuuromslag is derhalve noodzakelijk en is daarmee ook één van de achttien maatregelen die door de commissie wordt voorgesteld.

Voorts is van belang dat het werkgebied beter wordt begrensd, dat grote landelijke corporaties defuseren, schaalgrootte van de woningcorporaties wordt begrensd, bindende afspraken worden gemaakt met gemeenten, positie van huurders wordt versterkt, beter en sterker intern toezicht tot stand komt, een evenwichtiger corporatiebestuur, strengere taak van de accountants, vergroten van de controleerbaarheid en transparantie dat fraude en zelfverrijking harder worden aangepakt en dat er geen commerciële nevenactiviteiten meer mogelijk zijn en dat investeringen in leefbaarheid en grond ernstig worden beperkt. Dit is zomaar een greep uit het samenhangend pakket van 18 maatregelen. De kern van het bestaande stelsel wordt door de enquêtecommissie niet ter discussie gesteld maar ze doet uitsluitend aanbevelingen om dat stelsel te verbeteren.

Vereniging van Woningcorporaties Aedes is positief over de hoofdlijnen van het rapport en is blij dat de commissie verder heeft gekeken dan de incidenten en ook heeft gezien dat veel corporaties met grote bevlogenheid hun werk hebben gedaan. In een reactie op de 18 aanbevelingen van de commissie laat Aedes dan ook weten dat een aantal van de aanbevelingen aansluit in de richting op verbeteracties en voorstellen vanuit de sector waarvan een aantal al voor de enquête in gang gezet was. Dat geldt bijvoorbeeld voor cultuurverandering, versterking van de relatie met de Gemeente, vergroten van invloed van huurders en stakeholders, meer transparantie, de keuze voor een sterk en onafhankelijke toezichthouder en verbetering van de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast bevat het rapport ook aanbevelingen die volgens Aedes slecht uitpakken voor de volkshuisvesting. Zo maakt een te rigide afbakening van de activiteiten van corporaties het opknappen van kwetsbare wijken onmogelijk, concludeert Aedes. Standaardregels voor het beperken van het werkgebied of de grootte van corporaties zijn niet logisch, zo meent zij. Er moet worden gekeken naar de manier waarop een corporatie de lokale binding met huurders, gemeente en stakeholders organiseert. Verder komt Aedes tot de conclusie dat een aantal aanbevelingen nog niet volledig is uitgewerkt en vraagt om een nadere bestudering. Dat geldt met name voor de aanbevelingen om het financierings- en garantiestelsel aan te passen.

Deze week heeft de Tweede Kamer uitvoerig gedebatteerd over het eindrapport van de commissie. Over de kerntaak, huurdersparticipatie en toezicht, hadden de Tweede Kamerleden de meeste vragen tijdens het debat over het eindrapport. Belangrijkste discussiepunt was de kerntaak van corporaties. Vooral de aanbeveling van de enquêtecommissie dat woningcorporaties voortaan binnen hun kerntaak (huisvesting voor de lage middeninkomens) moeten blijven zorgde voor veel discussie. Ook de onderwerpen huurdersparticipatie (het nog verder versterken van de positie van de huurder), toezicht en openheid hielden de gemoederen tijdens de debatten goed bezig.

Thans is het de beurt aan de politiek in samenwerking met de sector om te bekijken welke aanbevelingen daadwerkelijk zullen worden doorgevoerd en het stelsel van de woningcorporaties gezonder, transparanter en effectiever moeten gaan maken. Hierover zullen we de komende tijd nog veel in de media kunnen waarnemen.

Mr. Christine van den Berg
06-41029888 (christine.vandenberg@legaltree.nl)

Overheid, gij zult (in beginsel) handhaven!

De overheid houdt toezicht op de naleving van de regels die zij aan haar burgers en bedrijven heeft opgelegd, het zogenaamde bestuursrecht. Wordt er gebouwd zonder bouwvergunning? Beschikt een onderneming over de vereiste vergunningen, vrijstellingen, ontheffingen etc.? En worden de algemene (milieu)regels wel nageleefd? Maar wat als een overtreding is geconstateerd? Het algemeen belang bij naleving van de spelregels, verplicht de overheid om dan in beginsel tot handhaving over te gaan. Ik doel dan op bestuursrechtelijke handhaving gericht op ongedaan making van een overtreding; bestuurlijke boetes en strafrechtelijke handhaving laat ik even buiten beschouwing. Denk aan het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Slechts onder bijzondere omstandigheden moet het bestuursorgaan afzien van handhaving. De ervaring leert dat overheden soms ‘automatisch’ tot handhaving overgaan en (te) weinig oog hebben voor het belang van de overtreder. Het is dus goed om altijd kritisch te blijven en, waar zinvol, verweer te voeren. Doen zich bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan de overheid zou moeten afzien van handhaving?

Concreet zicht op legalisering

Concreet zicht op legalisering vormt een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de overheid van handhaving moet afzien. Bij milieuzaken is sprake van dergelijk ´concreet zicht´ vanaf het moment dat een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu is ingediend die strekt tot legalisering van de illegale handeling of situatie en aannemelijk is dat de aanvraag kan worden gehonoreerd. Indien illegaal is gebouwd, kan en moet het bevoegd gezag zelfstandig beoordelen of alsnog omgevingsvergunning om te bouwen en/of om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan kan worden verleend. Indien een legaliserend ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd is ook sprake van concreet zicht op legalisatie.

Onevenredige handhaving

Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Echter, bijzondere omstandigheden kunnen slechts tot het oordeel leiden dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, indien sprake is van incidentele overtredingen en/of overtredingen van geringe ernst. Ook de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor de overtreder, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat handhavend optreden onevenredig is. Zelfs een dreigend faillissement maakt niet dat handhaving onevenredig is. De overtreder wordt namelijk geacht het risico op handhaving te hebben aanvaard. In de praktijk zal een beroep op ´onevenredige handhaving´ niet gauw slagen.

Redelijk handhavingsbeleid

In gevallen waarin het bestuursorgaan redelijk te achten handhavingsbeleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het handhavend optreedt, dient het zich ook in beginsel aan dit beleid te houden. De overheid kan dan dus bijvoorbeeld niet de ‘waarschuwing’ overslaan en direct een last opleggen. Bij de handhaving mogen prioriteiten worden gesteld. Wanneer het gevoerde handhavingsbeleid inhoudt dat buiten aangegeven prioriteiten, alleen naar aanleiding van klachten wordt gehandhaafd, kan het ontbreken van een klacht ook in de weg staan aan handhaving. Wanneer om handhaving wordt verzocht, kan daarentegen niet uitsluitend onder verwijzing naar de prioriteitstelling van handhaving worden afgezien. Het bestuursorgaan moet dan een afweging maken in het individuele geval waarbij de belangen van de verzoeker worden betrokken. Hierbij moet het bestuursorgaan bezien of het ondanks de prioritering in dit geval toch handhavend moet optreden.
Indien handhavingsbeleid ontbreekt, kan de weigering om te handhaven niet slechts gemotiveerd worden met de enkele stelling dat handhavend optreden tegen een bepaalde overtreding geen prioriteit heeft.

Gewekt vertrouwen

Ook het zogenaamde vertrouwensbeginsel kan in de weg staan aan handhaving. Echter, ook hiervoor gelden strenge eisen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is blijkens de rechtspraak vereist dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Wanneer burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten tot handhaving overgaan, zijn toezeggingen van een enkele wethouder of gedeputeerde, laat staan een ambtenaar onvoldoende. De omstandigheid dat de overheid bekend was met een overtreding, maar daartegen lange tijd niet handhavend is opgetreden, levert geen gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen op dat tegen de overtreding niet meer handhavend zou worden opgetreden.

Gelijkheidsbeginsel

Tenslotte wijs ik erop dat ook het gelijkheidsbeginsel soms kan nopen tot afzien van handhaving. Namelijk wanneer tegen andere, gelijke, overtredingen niet handhavend wordt opgetreden. Veelal wordt evenwel geconcludeerd dat geen sprake is van ´gelijke´ gevallen. Bovendien is de overheid niet gehouden eerdere fouten te herhalen. In een recentelijk geval waarin de overheid nota bene zelf een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel ter motivering van de afwijzing van een handhavingsverzoek met betrekking tot een illegaal hekwerk, werd overigens geoordeeld dat niet was gebleken van gelijksoortige bouwwerken waartegen evenmin handhavend was opgetreden.

Uit bovenstaande blijkt dat de plicht tot handhaving een aantal uitzonderingen kent, maar een beroep op deze uitzonderingen wordt lang niet altijd gehonoreerd. Wilt u meer weten over de bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overheid van handhaving moet afzien? Bel of mail mij gerust.

mr. Arthur van Rossem
(06 535 28 235 / arthur.vanrossem@legaltree.nl)

MOSZKOWICZ, MOSZKOWICZ of MOSZKOWICZ: wie heeft recht op het gebruik als merk?

De Telegraaf kopt vandaag: Moszkowicz mag Moszkowicz blijven heten.

Er wordt weer geruzied in de familie Moszkowicz. Dit keer over de familienaam Moszkowicz die alle advocaten binnen de familie voeren voor hun praktijk. Het ligt wel iets genuanceerder dan in de Telegraaf is beschreven.

De broers David en Max Moszkowicz (sr.), advocaten in Maastricht, hebben een viertal merkregistraties op hun naam staan:

(i)⇥merk MOSZKOWICZ d.d. november 2002 voor ‘likeuren en advocaat’,
(ii)⇥merk MOSZKOWICZ d.d. juni 2013 voor o.a. ‘juridische diensten’,
(iii)⇥merk MOSZKOWICZ ADVOCATEN d.d. januari 1987 voor ‘advocatuur’, en
(iv)⇥merk MOSZKOWICZ MOSZKOWICZ MOSZKOWICZ en MOSZKOWICZ ADVOCATEN d.d. ⇥januari 1987 voor ‘advocatuur’.

Max Moszkowicz (jr.), advocaat in Amsterdam, heeft in 2012 een merk aangevraagd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (‘BBIE’): MOSZKOWICZ, voor allerlei producten en diensten, maar niet voor juridische diensten. Desondanks een doorn in het oog voor de gebroeders Moszkowicz te Maastricht. Zij startten een oppositieprocedure bij het BBIE, dat wil zeggen dat zij formeel bezwaar hebben gemaakt tegen deze merkaanvrage op basis van hun eerdere merkregistraties (i), (iii) en (iv) (merk (ii) konden ze niet inroepen, want dat merk is van látere datum dan de aanvrage van Max Moszkowicz). Daaraan hebben zij het argument toegevoegd dat ‘hun’ merk MOSZKOWICZ een (algemeen) bekend merk zou zijn en dat Max Moszkowicz het merk te kwader trouw heeft aangevraagd. Hij wist immers dat die naam al gevoerd werd voor de advocatenpraktijk van David en Max (sr.).

Het BBIE wees de oppositie op 27 november jl. af vanwege de volgende redenen:

-⇥Eventuele kwade trouw speelt geen rol in een oppositieprocedure (dit argument kun je alleen aanvoeren in een procedure bij de civiele rechter);
-⇥Dat het eerdere merk MOSZKOWICZ een bekend merk zou zijn, kan eveneens niet worden aangevoerd in een oppositieprocedure;
-⇥Algemene bekendheid (dus nog bekender dan ‘gewoon’ bekend) kan wél een rol spelen, maar daarvan is hier geen sprake, aldus het BBIE. De lat voor het aannemen van algemene bekendheid ligt hoog en wordt hier niet gehaald. De media-optredens van Bram Moszkowicz, één van de maatschapspartners, maken dit niet anders. Bovendien hebben de gebroeders Moszkowicz niet aangetoond dat sprake is van verwarringsgevaar tussen hun merk(en) en de aanvrage van Max Moszkowicz en dat is (ook) een vereiste.

Het merk MOSZKOWICZ van Max Moszkowicz is aangevraagd voor diensten die niets te maken hebben met juridische dienstverlening (en ook niet met het aloude drankje advocaat waarvoor het merk MOSZKOWICZ ook is ingeschreven door de gebroeders Moszkowicz). Van verwarringsgevaar met de oudere merken MOSZKOWICZ is dan ook geen sprake. Een terechte beslissing van het BBIE dus.

Dat neemt overigens niet weg dat de advocatenbroers Moszkowicz best een kans van slagen hebben in een procedure bij de gewone rechter. Daar kunnen ze namelijk alle argumenten aanvoeren die in een oppositieprocedure geen rol kunnen spelen, zoals: kwade trouw/bekend merk.

Overigens is ook de jongste advocatentelg Yuhedi Moszkowicz onlangs gesommeerd te stoppen met gebruik van de naam Moszkowicz Advocaten voor zijn advocatenkantoor in Utrecht, aldus de Telegraaf. De Telegraaf merkt daarbij op dat het gegeven dat Yehudi advocaat is en zijn achternaam toevallig ook Moszkowicz luidt, kennelijk niet terzake doet.

Dat klopt.

Dat je ‘toevallig’ dezelfde achternaam hebt, betekent niet dat je die naam ook als merk en/of handelsnaam mag gebruiken. Dat is een veel gehoorde misvatting. Natuurlijk mag je je eigen naam als persoonsnaam blijven voeren, maar gebruik als handelsnaam of merk is iets waar de oudere rechthebbende wel stappen tegen kan ondernemen. Zo zal het bedrijf Philips met succes kunnen optreden tegen iemand die Philips heet en de naam voor een verlichtingswinkel gaat voeren.

Het zou me dus niet verbazen als de kwestie tegen Yuhedi en Max Moszkowicz (jr.) nog een juridisch vervolg krijgt.

‘De Louboutin schoenen met de rode zool’ – het sprookje zonder einde?

Vorig jaar heb ik al een blog gewijd aan de hooggehakte schoenen met de opvallende rode zool van de Franse ontwerper Christian Louboutin. Louboutin richtte zich toen met succes tegen schoenenwinkelketen Van Haren en tegen de Vlaams-Belang politica Anke Vandermeersch.

In de lente van 2014 verscheen er een uitspraak van de Brusselse rechter in een zaak die Louboutin is gestart tegen de Nederlandse schoenenwinkelketen Van Dalen, dat eveneens hooggehakte schoenen met rode zolen aanbiedt. Louboutin doet daarbij een beroep op een EU- en Beneluxmerk voor: ‘de kleur rood (Pantone 18-1663TP) aangebracht op de zool van een schoen zoals weergegeven (de omtrek van de schoen maakt geen deel uit van het merk maar heeft tot doel om de plaatsing van het merk aan te tonen).’ Volgens Louboutin betreft het een zogenoemd ‘positiemerk’, een op een vaste plaats aangebracht merk (in dit geval de kleur rood op de zool van stiletto’s).

De Brusselse rechter dacht daar anders over. Positiemerken maken geen onderdeel uit van de categorie merken waarvoor bescherming kan worden aangevraagd. Het gaat hier ofwel om een kleurmerk dan wel om een vormmerk. Dat Louboutin met de registratie een kleurmerk voor ogen had, blijkt niet volgens de rechter. De rechter komt tot de conclusie dat het om een vormmerk gaat.

Dat is opmerkelijk, omdat de omschrijving van het merk bij de registratie nu juist vermeldt dat de omtrek van de schoen géén deel uitmaakt van het merk. Kennelijk had de rechter het moeilijk met het definiëren van het type merk waar het hier om gaat. De lijst van merkcategorieën zoals opgenomen in de merkenrechtelijke regelgeving is echter niet limitatief. Alle soorten tekens kunnen als merk worden geregistreerd als ze maar vatbaar zijn voor grafische voorstelling (dit vereiste vervalt in de nabije toekomst, dan kunnen merken worden geregistreerd als – kortweg – duidelijk is wat precies geclaimd wordt). Dat betekent dus dat ook niet traditionele merken – zoals positiemerken of winkelinrichtingen – voor bescherming in aanmerking kunnen komen. De rechter definieerde de rode zool echter als een vormmerk dat bovendien niet voor bescherming in aanmerking komt. De rode zool is namelijk een design dat een ‘wezenlijke waarde’ aan de schoenen geeft. De schoenen worden (mede) om de rode zool gekocht. En dan is bescherming als vormmerk uitgesloten.

Louboutin ging in hoger beroep.

Het hof in Brussel oordeelde op 18 november 2014 dat de rode zool aangemerkt dient te worden als ‘beeldmerk’, dus niet als vormmerk en ook niet als zuiver kleurmerk. Dat het beeldmerk op een vorm (de zool) wordt aangebracht, betekent niet dat het een vormmerk wordt, zeker niet nu geen bescherming voor een zool wordt geclaimd. De rode zool is een geldig beeldmerk dat Louboutin kan inzetten tegen andere partijen. Het hof vond bovendien dat de rode zolen zijn ingeburgerd: door langdurig/intensief gebruik herkent de consument de rode zool stiletto’s als afkomstig van Louboutin.

Van Dalen gebruikt eveneens een rode zool op stiletto’s en dus een identiek (beeld)merk voor identieke producten (schoenen). Daarmee maakt Van Dalen inbreuk op het merk van Louboutin.

Met de uitkomst van deze zaak ben ik het eens. Maar het oordeel dat het hier gaat om een beeldmerk, doet wel wat gekunsteld aan. Naar mijn mening gaat het hier nu juist niet om een beeldmerk (logo). In welke categorie merken de rode zolen vallen, doet er eigenlijk ook niet toe (afgezien van de categorie vormmerken waarvoor strengere eisen gelden). De rode zolen voor stiletto’s kunnen worden gezien als geldig merk waarvan gebruik is voorbehouden aan Louboutin.

En zo komt er aan het sprookje van de schoenen met de rode zool een (voorlopig?) einde.

Vereniging Medische Staf op de vingers getikt

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 juli jl. geoordeeld dat een Vereniging Medische Staf onrechtmatig heeft gehandeld jegens een medisch specialist. Het komt niet vaak voor dat een medisch specialist zijn pijlen met succes richt op de Vereniging Medische Staf. Dit arrest geeft goed weer hoe het stafbestuur niet moet handelen wanneer het functioneren van een collega ter discussie komt te staan. Dat geldt niet alleen voor vrijgevestigde collega’s maar ook voor dienstverbanders.

Rechtbank en Gerechtshof

De rechtbank kwam tot een geheel ander oordeel: zowel de stichting als de Vereniging Medische Staf waren aansprakelijk jegens de medisch-specialist en moesten hem ruim 1,6 miljoen euro betalen. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof echter dat de rechtbank het werk van het Scheidsgerecht niet in zijn geheel had mogen overdoen. De stichting en de medisch-specialist hadden met elkaar afgesproken dat het Scheidsgerecht een bindend advies zou geven over de opzegging. Dat staat in alle toelatingsovereenkomsten. Volgens de wet mag de gewone rechter dan niet inhoudelijk op de zaak ingaan maar slechts toetsen of de procedure bij het Scheidsgerecht juist is verlopen. Het ziekenhuis ontsprong daarmee de dans en hoefde de eerder opgelegde schadevergoeding niet te betalen. Omdat het Scheidsgerecht niet inhoudelijk had geoordeeld over het handelen van de Vereniging Medische Staf, mocht dat wel door de gewone rechter onder de loep worden genomen.

Onderzoekscommissie

De Vereniging Medische Staf speelde in dit geval een cruciale rol. Allereerst stelde de Vereniging Medische Staf een onderzoekscommissie in die niet bekend maakte met welke personen zij had gesproken, wat deze personen hadden verklaard en hoe de keuze voor de te horen personen tot stand was gekomen. Daardoor was het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en kreeg de medisch-specialist geen kans om zich te verdedigen. Bovendien had de onderzoekscommissie een steunbetuiging van twee derde van het OK-personeel buiten beschouwing gelaten. Tenslotte gingen de conclusies van de onderzoekscommissie veel verder dan de onderzoeksvraag.

Het stafbestuur heeft de conclusies van de onderzoekscommissie, die vernietigend waren voor de medisch specialist, vervolgens direct doorgestuurd naar de Raad van Bestuur van de stichting, zonder de medisch-specialist eerst in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Ook dat is onzorgvuldig. Zeker gezien de gebrekkige wijze waarop het rapport van de onderzoekscommissie tot stand was gekomen. Bovendien stond in het kwaliteitsreglement van de Vereniging Medische Staf dat het stafbestuur diende te bevorderen dat een staflid over wie een functioneringsvraag gesteld was, niet beschadigd zou worden.

Herkansingsfase

Na het onderzoeksrapport gaf het stafbestuur de medisch-specialist toch nog de mogelijkheid om een plan van aanpak in te dienen voor de hervatting van zijn werk. De relevante maatschappen waren kritisch over het plan maar wezen het niet af. Ze stelden voor in gesprek te gaan met de medisch-specialist. Toch oordeelde het stafbestuur dat werkhervatting niet meer mogelijk was en het stafbestuur adviseerde de Raad van Bestuur om de toelatingsovereenkomst op te zeggen. Ook dat was onrechtmatig volgens het gerechtshof.

Causaal verband

Wie onrechtmatig handelt, moet de schade die een ander ten gevolge daarvan lijdt in principe vergoeden. Maar was de schade van de medisch specialist het gevolg van het onrechtmatig handelen van de Vereniging Medische Staf? De stichting had de toelatingsovereenkomst toch opgezegd? Het gerechtshof oordeelde dat het besluit tot opzegging wel degelijk voortvloeide uit het gebrekkige functioneringsonderzoek dat in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Vereniging Medische Staf was uitgevoerd en op het daarop gebaseerde advies van het stafbestuur. Als we het onderzoeksrapport en het advies wegdenken, was er zeker een kans geweest dat de medisch-specialist had kunnen blijven. Die kans is hem nu onthouden. Het gerechtshof beschikte nog over te weinig informatie om te bepalen hoe groot de kans is dat de medisch specialist weer aan het werk had kunnen gaan in de hypothetische situatie dat het stafbestuur (en dus de Vereniging Medische Staf) wel zorgvuldig zou hebben gehandeld. Daarom heeft het gerechtshof nog geen eindoordeel gegeven maar stelde het beide partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over die vraag. Ook mogen zij zich nog uitlaten over de omvang van de schade. Wordt vervolgd dus.

Zorgvisie, 28 augustus 2014

MH17-ramp: een aantal relevante juridische vragen beantwoord

Antoinette Collignon heeft voor de LSA, de Vereniging voor LetselschadeAdvocaten een aantal veel gestelde juridische vragen over de vliegtuigramp met vlucht MH17 van Malaysia Airlines beantwoord. Onderstaande tekst is tevens te vinden op: http://www.lsa.nl/.

Een vliegtuigramp als die van Malaysia Airlines MH17 van 17 juli 2014 brengt onbeschrijflijk leed met zich mee voor iedereen die daarbij betrokken is. Tot dusver zijn er geen aanwijzingen dat het toestel technische problemen had. Het ziet er naar uit dat het toestel neergehaald is door pro-Russische rebellen, met hulp van door Rusland geleverd materiaal. Het onderzoek naar deze ramp, de berging en repatriatie van de slachtoffers is een uitermate complexe en gevoelige zaak. Dit geldt ook voor de afwikkeling van de door de nabestaanden geleden en nog te lijden schade.

In het onderstaande is een negental juridische vragen die kunnen rijzen door deskundigen beantwoord. Daarbij is uitgegaan van de informatie die tot op heden – 22 juli – bekend is.

1. Kan Malaysia Airlines aansprakelijk worden gesteld?

Op grond van het Verdrag van Montreal, waarin een risico aansprakelijkheid bij burgerluchtvaart is opgenomen, is Malaysia Airlines verplicht om een schadevergoeding te betalen van maximaal 113.100 SDR (rond de 114.000 euro) per passagier. Het doet daarbij niet terzake of Malaysia Airlines schuld heeft aan het ongeluk of niet. De schade moeten de nabestaande aantonen. Boven dit bedrag is Malaysia Airlines aansprakelijk indien het ongeval te wijten is aan haar schuld. Of hiervan sprake is kan op dit moment nog niet worden beoordeeld. Hiervoor is van belang dat zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek plaatsvindt.
De vordering dient binnen twee jaar na het ongeval worden ingediend op straffe van verval.

2. Welk recht is van toepassing?

In het verdrag van Montreal zijn geen regels opgenomen over het toepasselijke recht op de overeenkomst en de verbintenis tot schadevergoeding. Een Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uitovereenkomst (Rome I) toepassen.
Artikel 5 lid 2 bepaalt dat in geval de partijen bij een vervoerovereenkomst geen rechtskeuze hebben gedaan, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de passagier zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van vertrek of aankomst in dat land is gelegen.
Voor de meeste Nederlandse slachtoffers geldt dus dat op de vervoersovereenkomst waarschijnlijk Nederlands recht van toepassing is.
Voor buitenlandse slachtoffers moet per geval nagegaan worden welk recht van toepassing is.

3. Waaruit bestaat de schadeclaim van de nabestaanden?

De schadeclaims bestaan, indien Nederlands recht van toepassing is, uit zogenaamde overlijdensschade (kosten repatriatie, begrafenis etc.) en de schade wegens gederfde inkomsten (als bijvoorbeeld één kostwinner of één van de kostwinners is overleden). De berekening van de schade is complex omdat rekening moet worden gehouden met onder andere variabele en vaste lasten.

Ook is het in bepaalde gevallen mogelijk om smartengeld te vorderen indien door het ongeval psychisch letsel is ontstaan bij nabestaanden door de confrontatie met het ongeval.

Affectieschade (de schade door het verdriet als gevolg van het verlies van familieleden) kan (nog) niet worden geclaimd. Een wetsvoorstel hiertoe is in 2010 door de Eerste Kamer verworpen. Op dit moment heeft het kabinet een nieuw wetsvoorstel voor vergoeding van affectieschade in voorbereiding.

Indien niet Nederlands recht maar het recht van een ander land van toepassing is is het mogelijk dat niet alleen overlijdensschade maar ook vergoeding van smartengeld voor het verlies van een familielid gevorderd kan worden.

4. Kunnen de separatisten die het vliegtuig hebben neergehaald, aansprakelijk worden gesteld?

Als blijkt dat separatisten het toestel hebben neergeschoten, is het naar Nederlands recht mogelijk om de persoon (of personen) civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het doet niet terzake dat zij niet de bedoeling hebben gehad om een burgervliegtuig neer te halen. De schade dient in dat geval volledig vergoed te worden.

Mogelijk kunnen de betreffende personen ook strafrechtelijk vervolgd worden. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kan een internationaal arrestatiebevel uitvaardigen. Een probleem is natuurlijk dat de Volksrepubliek Donetsk (de door pro-Russische separatisten uitgeroepen staat) niet zal meewerken aan het arrestatie bevel. Ook het Oekraïense centrale gezag heeft te weinig gezag over dit gebied om te kunnen helpen.

Theoretisch is het dus mogelijk om separatisten aansprakelijk te stellen, maar of dit met succes kan is de vraag. Het zal lastig zijn om de aansprakelijke partij te vinden, laat staan tot betaling te dwingen.

Voor het uitkeren van schade is het makkelijker om een land verantwoordelijk te houden dan een groep rebellen. Zo heeft de VS in 1996 schadevergoeding betaald aan de nabestaanden van de slachtoffers van het Iraanse burgervliegtuig dat in 1988 per ongeluk door een Amerikaans oorlogsschip is neergehaald.

5. Kan Rusland aansprakelijk worden gesteld?

Deze vraag is op dit moment nog niet goed te beantwoorden. Als blijkt dat de Russische politieke of militaire leiding directe command and control had om het vliegtuig neer te halen, dan zou Rusland mogelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Ook kan Rusland wellicht (deels) aansprakelijk worden gesteld omdat zij de wapens heeft geleverd waarmee het vliegtuig is neergeschoten. Indien een SA-11 luchtafweergeschut is gebruikt door separatisten, is dit mogelijk door Rusland geleverd. SA-11 grizzly – zogenaamde double digit surface to air missile (BUK) – is luchtafweergeschut van Russische makelij. Dit wapensysteem kan vliegtuigen die op grote hoogte vliegen uit de lucht halen. In de berichtgeving wordt melding gemaakt van het leveren van het materiaal inclusief de personen die het bedienen door Rusland.

Aangetoond moet wel worden dat er een causaal verband is tussen het leveren van de wapens en dit ongeval. Ook moet schuld aan deze gebeurtenis worden vastgesteld. Juridisch is dit lastig maar niet onmogelijk. Verder is het de vraag of op basis van het recht dat van toepassing is op dit ongeval een overheid aansprakelijk gesteld kan worden.

Met andere woorden: als blijkt dat Rusland de wapens hebben geleverd waarmee het vliegtuig is neergehaald dan is Rusland mogelijkerwijs aansprakelijk.

6. Kan Oekraïne aansprakelijk gesteld worden?

Dit hangt van de feiten en omstandigheden af. Indien uit het onderzoek blijkt dat militairen in Oekraïne het vliegtuig neergehaald hebben dan zou Oekraïne aansprakelijk gesteld kunnen worden. Uit de berichtgeving tot op heden lijkt hiervan geen sprake te zijn.

De Oekraïnse luchtvaartautoriteiten zijn mogelijk ook aansprakelijk indien zij toestemming hebben gegeven om over het gebied te vliegen, op een hoogte waarvan zij konden weten dat de raketten het vliegtuig konden neerhalen. Ook hiervoor is nader onderzoek nodig.

7. Kunnen nabestaanden naar de rechter stappen om schadevergoeding te vorderen van een van de genoemde staten?

Er zijn mogelijkheden voor de (Nederlandse) nabestaanden om in Nederland naar de rechter stappen voor vergoeding van hun schade door een van de genoemde staten voor zover deze niet door Malaysian Airlines wordt vergoed. Het is nu echter nog te vroeg om hier een volledig en goed antwoord op te geven.

8. Welk recht is van toepassing op een vordering tegen een van de staten/separatisten?

Dit dient beantwoord te worden aan de hand van het internationale privaatrecht. De Nederlandse rechter zal EEG Verordening (EG) nr. 865/2007 (Rome II) toepassen. De hoofdregel is de lex loci damni, ofwel de plaats waar de schade is geleden.

Betoogd zou kunnen worden dat de Nederlandse rechter Maleisisch recht moet toepassen omdat de slachtoffer zich op het moment dat zij schade leden aan boord van een Maleisisch vliegtuig bevonden en in het vliegtuig Maleisisch recht van toepassing is. Ook kan betoogd worden dat de schade is geleden buiten het vliegtuig in het Oekraïense luchtruim, in welk geval Oekraïens recht van toepassing is.

Tot slot kan betoogd worden dat Nederlands recht van toepassing is. Stel dat een kostwinner is omgekomen in het vliegtuig. Dan heeft zijn of haar gezin in Nederland, die voor levensonderhoud afhankelijk is van de arbeid van de overledene, inkomstenderving. De schade wordt dan dus in Nederland geleden, ook al ligt de oorzaak bij gebeurtenissen in Oekraïne.

9. Zijn er nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk zijn?

Op grond van het onderzoek dat gedaan wordt naar de ramp zou kunnen blijken dat er mogelijk nog andere partijen zijn die aansprakelijk zijn. Te denken valt aan bedrijven die de vluchtplannen maken of goedkeuren of autoriteiten die de mogelijkheid hebben om bepaalde vliegroutes te verbieden. Ook zou het ongeval (mede) een gevolg kunnen zijn van een technisch mankement waardoor de fabrikant mogelijk aansprakelijk is. Zoals eerder aangegeven lijkt hiervan op het eerste gezicht geen sprake te zijn. Het is nu echter nog te vroeg om hier iets over te zeggen.

Conclusie

Nabestaanden kunnen Malaysia Airlines aanspreken tot vergoeding van de door hen geleden schade met een maximum van ongeveer 114.000 Euro. Boven dit bedrag kan Malaysia Airlines alleen aangesproken worden indien sprake is van schuld. Dat staat op dit moment nog niet vast.

Er zijn ook nog andere partijen die mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Onderzoek moet uitwijzen welke partijen dit zijn en of met succes een vordering kan worden ingesteld. Van belang is dat per geval bekeken dient te worden welke rechter bevoegd is en welk recht toegepast moet worden. Gezien het feit dat er zoveel slachtoffers uit verschillende landen zijn en er ook meerdere mogelijke aansprakelijke partijen zijn is dit een complexe puzzel.

Het zal nog wel even duren voordat het onderzoek is afgerond en deze puzzel opgelost zal kunnen worden. Het is te hopen dat alle partijen die betrokken zijn de grootst mogelijke zorgvuldigheid en voortvarendheid betrachten om niet nog meer leed te veroorzaken voor de velen die getroffen zijn.

Auteur: Antoinette Collignon
LSA contactpersoon: Mr O.L. Nunes. Tel. 030 – 2122871.
E-mail: ol.nunes@kbsadvocaten.nl
Deze notitie is gebaseerd op de thans bekende informatie en daaraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoogste Europese rechter kent ruime modelrechtelijke bescherming toe aan kleding

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 19 juni jl. een arrest gewezen, dat naar mijn mening met enthousiasme ontvangen mag worden door de mode-industrie.

Naast auteursrechtelijke bescherming, kunnen kledingontwerpen zonder nadere formaliteiten ook (mogelijk) aanspraak maken op modelrechtelijke bescherming: het zogenaamde niet-geregistreerde Gemeenschapsmodel met een geldigheidsduur van drie jaar. Deze modelrechtelijke bescherming heeft een aantal voordelen, waarover ter afsluiting meer.

Wanneer heeft een model een ‘eigen karakter’?

Als model kan worden beschermd het nieuwe uiterlijk van een op industriële of ambachtelijk wijze vervaardigd voorwerp met een eigen karakter. Een kledingstuk is een dergelijk voorwerp. Het is immers op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd. Mits het kledingstuk een nieuw uiterlijk en een eigen karakter heeft, kan het dus (ook) rekenen op modelrechtelijke bescherming.

Een model is nieuw zolang niet eerder een identiek model (in dit geval dus: kledingstuk) voor het publiek beschikbaar is gesteld. Deze eis lijkt mij helder. Minder duidelijk is echter de eis van het ‘eigen karakter’. Het Europese Hof heeft zich nu uitgelaten wanneer daarvan sprake is.

Een model heeft een eigen karakter als de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die door een of meer afzonderlijk beschouwde oudere modellen gewekt wordt, aldus het Hof. Bij de vraag of een bepaald kledingstuk een ‘eigen karakter’ heeft, moet dit kledingstuk dus steeds één-op-één met oudere kledingstukken worden vergeleken en niet met een fictieve indruk die gebaseerd is op een combinatie van afzonderlijke kenmerken van oudere kledingstukken. Deze uitleg strookt overigens met de auteursrechtelijke regel dat de vereiste creativiteit van een kledingontwerp kan zitten in de keuze voor een specifieke combinatie van elementen, ook als deze elementen op zichzelf beschouwd al te kennen zijn uit andere ontwerpen (maar dus niet in combinatie in één ontwerp).

Bewijslast

Daarnaast kwam in de zaak voor het Europese Hof ook de vraag aan bod wie moet bewijzen of het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel een ‘eigen karakter’ heeft. Moet de (mogelijke) houder van het model dit aantonen om zich met succes op zijn modelrecht te kunnen beroepen, of is er een vermoeden van geldigheid en kan de gedaagde het gestelde ‘eigen karakter’ alleen in verweer onderuit halen door het tegendeel te bewijzen? Het Hof kiest voor de laatste insteek en oordeelt dat de rechter in beginsel mag uitgaan van de geldigheid van het model, mits de houder aangeeft welk kenmerk of welke kenmerken volgens hem zijn model een ‘eigen karakter’ geven.

Goed nieuws voor de mode-industrie

Het Hof legt de beschermingsdrempel dus laag. Zolang de beweerdelijke inbreukmaker er niet in slaagt één ouder kledingstuk te vinden dat eenzelfde algemene indruk wekt, dan heeft het nieuwe kledingstuk dus het vereiste eigen karakter en kan het zonder nadere formaliteiten drie jaar lang rekenen op modelrechtelijke bescherming.

De situatie dat een kledingontwerp respectievelijk –stuk wel auteursrechtelijk beschermd zou zijn, maar niet op grond van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, of andersom, lijkt nu moeilijk voorstelbaar. Althans in Nederland, want in sommige andere Europese landen wordt de lat voor auteursrechtelijke bescherming door de rechter een stuk hoger gelegd dan bij ons, in het bijzonder als het gaat om fashion en toegepaste kunst. Met deze beslissing lijkt ook in die landen nu (modelrechtelijke) bescherming van kledingontwerpen beter binnen handbereik te zijn.

Het grote voordeel van (samenlopende) Gemeenschapsmodelrechten is dat een Gemeenschapsmodel gelding heeft in de hele Europese Unie, terwijl auteursrechten nog steeds nationaal bepaald zijn. Anders dan bij auteursrechten resulteert een succesvol beroep op een Gemeenschapsmodel dan ook in principe in een verbod voor de héle Unie.

Goed nieuws dus voor de mode-industrie in haar strijd tegen imitators en meelifters.