Hoge Raad hoefde geen prejudiciële vragen te stellen over leeftijdsontslag piloten.

Annotatie in JAR 7 februari 2019, aflevering 2 bij het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018.

Lees de annotatie

Landkaart Levensmiddelenrecht (Editie 2019)

Boek Irene Verheijen, Theo Appelhof, Bernd van der Meulen en Sofie van der Meulen, Landkaart Levensmiddelenrecht (Editie 2019), Den Haag: Sdu Uitgevers 2018.

De levensmiddelensector is één van de meest gereguleerde sectoren in de Europese Unie en dus ook in Nederland. Wekelijks komen er twee tot drie nieuwe wetteksten of wijzigingen bij. Met zoveel bomen is het niet moeilijk het zicht op het bos te verliezen. Daarom hebben wij verschillende soorten expertise bij elkaar gebracht om een goede landkaart te maken.

Het eerste deel van dit boek biedt een uitleg van het internationale levensmiddelenrecht (WTO, Codex Alimentarius, SPS, TBT en GATT). Deel II bevat een landkaart levensmiddelenrecht, die is afgebeeld op de uitklapbare kaart van het boek. Op deze landkaart is de opbouw van de levensmiddelenwetgeving – zowel Europees als Nederland – schematisch weergegeven. In deel II van deze praktijkgids wordt uitleg gegeven over deze wetgeving volgens het stramien van de landkaart op de achterflap van het boek. De verschillende onderdelen van de landkaart zijn ook als hulpmiddel bij de betreffende hoofdstukken in de praktijkgids opgenomen. Het boekje vormt samen met de landkaart een doordacht instrument om de weg te vinden in het labyrint van het levensmiddelenrecht.

Ten slotte biedt de gids in deel III een overzicht van de private regulering die naast de publieke wetgeving is ontstaan. Een aantal van de veel gebruikte standaarden voor private regulering wordt kort beschreven. Zo is een helder overzicht ontstaan van alle soorten regels die betrekking hebben op de productie van en de handel in levensmiddelen.

Het boek kunt u onder andere hier bestellen.

Reactie op C.A. Schwarz, ‘Ahold Delhaize en de verlenging van de optie op beschermingsaandelen; enkele observaties’

Artikel mr. dr. R.A.F. Timmermans, Reactie op C.A. Schwarz, ‘Ahold Delhaize en de verlenging van de optie op beschermingsaandelen; enkele observaties’, Ondernemingsrecht 2018/134, Wolters Kluwer.

Onlangs is Schwarz ingegaan op de verlenging van het door Koninklijke Ahold Delhaize N.V. (hierna: Ahold Delhaize) aan Stichting Continuïteit Ahold Delhaize (hierna: SCAD) verleende recht tot het nemen van preferente beschermingsaandelen (hierna: beschermingsprefs) in het kapitaal van Ahold Delhaize. Schwarz verdedigt de opvatting dat een recht tot het nemen van aandelen – in het bijzonder beschermingsaandelen – niet langer kan lopen dan de periode waarvoor het bestuur van de vennootschap is aangewezen als het tot uitgifte van de beschermingsaandelen bevoegde orgaan. Negentien jaar geleden nam Schwarz eenzelfde standpunt in, zij het dat hij dit standpunt thans wat nuanceert door te stellen dat in het delegatiebesluit met zoveel woorden kan worden bepaald dat het optierecht langer loopt dan de uitgiftebevoegdheid van het vennootschapsbestuur.3 Graag maak ik enkele opmerkingen naar aanleiding van dit door Schwarz ingenomen standpunt.

Lees het volledige artikel hier.

Elisa Benhaim

Veiligheid bouw niet beter door plannen Ollongren

Artikel ‘Veiligheid bouw niet beter door plannen Ollongren’ in Bouwwereld.nl, 10 december 2018.

Eén centrale partij contractueel verantwoordelijk maken voor de veiligheid rondom de bouwplaats, zoals minister Ollongren dat wil naar aanleiding van aanbevelingen van de OvV, zal niet bijdragen aan verbetering van de veiligheid. Dat concluderen mr Jan-Paul van Barneveld en Elisa Benhaim van De Haas Advocaten uit Rotterdam. Ook Bouwend Nederland is weinig enthousiast over de plannen van de minister.

Lees het volledige artikel hier.

Elisa Benhaim

Plannen minister dragen niet bij aan betere bouwveiligheid

Opinie ‘Plannen minister dragen niet bij aan betere bouwveiligheid’ in Cobouw, 6 december 2018.

Minister Ollongren wil naar aanleiding van aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) één centrale partij ‘contractueel’ verantwoordelijk maken voor de veiligheid op en rondom de bouwplaats. Maar doet dit wel recht aan de bevindingen van de OvV en leidt dat juist niet tot een diffuus speelveld?

Lees de volledige opinie hier.

Klassieke afvalverwerkingsopdracht of speciale-sectoropdracht?

Titel signalering: Klassieke afvalverwerkingsopdracht of speciale-sectoropdracht?

Instantie en datum: Gerechtshof ’s Hertogenbosch 21-08-2018
Zaaknummer: 200.226.469
ECLI (indien toegewezen): ECLI:NL:GHSHE:2018:3448
Naam annotator (inclusief titels en voorletters): mr. W.M. Ritsema van Eck en mr. V.A.C. de Gier

In onderhavige zaak van het hof wordt ingegaan op de vraag wat de juridische kwalificatie van de opdracht is om na te gaan welk aanbestedingsrechtelijk regime van toepassing is. De aanbestedende dienst, Cure, is van mening dat de gehele opdracht een speciale-sectoropdracht is waardoor deel 3 van de Aanbestedingswet 2012 (“Aw”) van toepassing is. De eiser, Attero, is van mening dat er sprake is van een klassieke afvalverwerkingsopdracht waardoor deel 2 Aw van toepassing is.

De feiten zijn, kort gezegd, als volgt. In het kader van 0% restafval in 2020, is Cure – als gemeenschappelijke regeling waarin de gemeenten Eindhoven, Valkenswaard Geldrop-Mierlo verenigd zijn – een samenwerking met Ørsted gaan verkennen. Partijen hebben samen een Joint Venture Agreement gesloten, waar ook het ontwikkelen van een afvalverwerkingsinstallie onder valt. Met een dergelijke afvalverwerkingsinstallatie wordt afval verwerkt tot bio vloeistof en biogas. Cure heeft de gunning gepubliceerd met de verklaring dat Cure een speciale-sector opdracht gunt.

Om de juridische kwalificatie te bepalen, loopt het hof een aantal vragen af:

  1. Is er sprake van een gemengde opdracht?
  2. Zo ja: is de opdracht objectief deelbaar?
  3. Zo niet: wat is het hoofdvoorwerp van de opdracht?

Ten aanzien van de eerste stap, de soort opdracht, komt het hof al snel tot de conclusie dat er sprake is van afvalverwerking én biogasproductie waardoor de opdracht gekwalificeerd wordt als een gemengde opdracht zoals bedoeld in artikel 3.10d lid 1 Aw. De volgende vraag is derhalve of de opdracht objectief deelbaar is. Voor de vraag of een opdracht deelbaar is, is de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van belang. Daaruit volgt dat meerdere omstandigheden van belang kunnen zijn, zowel economische als technische.[1]

Het hof volgt deze vaste lijn in de jurisprudentie en oordeelt dat er sprake is van een niet deelbare opdracht naar aanleiding van zowel technische als economische omstandigheden. Er zal één fabriek worden gebouwd waarin de verschillende activiteiten (afvalverwerking tot biogas) en fabrieksonderdelen zowel technisch (gebouw en techniek) als economisch (personeel en efficiency) met elkaar zijn verbonden.

Ook de volgende vraag, over het hoofdvoorwerp van de opdracht wordt beantwoord aan de hand van de Europese jurisprudentie. Het hoofdvoorwerp van de odpracht bepaalt vervolgens welk juridisch regime van toepassing is – van de kalssieke overheidsopdracht, of het regime voor de speciale sectoren. Het hoofdvoorwerp van de odpracht kan worden bepaalde aan de hand van een analyse van de overeenkomst[2], of door te kijken naar de essentiele verplichtingen die de overhand hebben en als zodanig kenmerkend zijn voor de betrokken opdracht.[3]

Het hof oordeelt dat de opdracht in hoofdzaak bestemd is voor biogasproductie. Het hof lijkt daarbij vooral waarde te hechten aan de innovatieve technologie van het energiebedrijf Orsted, die ten doel heeft om hernieuwbare energie op te wekken. Daarnaast blijkt uit een overgelegd onderzoek dat met de toepassing van de innovatieve techniek ook het overgrote deel van de inkomsten zal komen uit de biogaswinning. Dit alles rechtvaardigt de uitkomst dat de gemengde opdracht hoofdzakelijk biogasproductie betreft. Het hof volgt hier de vaste lijn van het Europese Hof van Justitie en lijkt zelfs iets verder te gaan dan het enkel analyseren van de overeenkomst door ook de inkomsten uit de biogasproductie hieraan ten grondslag te leggen.

Het hof komt uiteindelijk tot de conclusie dat de gemengde opdracht in hoofdzaak ziet op biosgasproductie en derhalve kwalificeert als een speciale-sectoropdracht. Het hof komt tot deze conclusie door de vaste lijn in de jurisprudentie van het Europese Hof te volgen.[4] Onderhavig arrest is een goede opfrisser met betrekking tot de kwalificatie van opdrachten en kan voor de praktijk fungeren als “stappenplan” om te bepalen welk juridisch regime van toepassing is bij gemengde opdrachten.

[1] HvJ 18 januari 2007, C-220/05, ECLI:EU:C:2007:31 (Auroux/Roanne), punt 41.

[2] HvJ 18 januari 2007, C-220/05, ECLI:EU:C:2007:31 (Auroux/Roanne), punt 46.

[3] HvJ 21 februari 2008, C-412/04, ECLI:EU:C:2008:102 (Commissie/Italie), punt 49.

[4] Zie verder ook nog: HvJ 6 mei 2010, C-145/08 en C149/09, ECLI:EU:C:2010:247 (Loutraki) en HvJ 29 oktober 2009, C-536/07, ECLI:EU:C:2009:664 (Commissie/Duitsland).

Prejudiciële vragen: uitsluiting AOW’ers van recht op transitievergoeding geen verboden onderscheid naar leeftijd

Noot bij uitspraak Hoge Raad van 9 februari en 20 april 2018 ‘Prejudiciële vragen: uitsluiting AOW’ers van recht op transitievergoeding geen verboden onderscheid naar leeftijd’, in: JAR 25-05-2018, afl. 7.

Prejudiciële vragen: uitsluiting AOW’ers van recht op transitievergoeding geen verboden onderscheid naar leeftijd.

Lees de noot.

IE in Bedrijf (deel 5): Online

Boek Marjolein Driessen & Theo-Willem van Leeuwen, ‘IE in Bedrijf Deel 5 – Online’, Legaltree Publishers: mei 2018.

In deel 5 gaan Marjolein Driessen en Theo-Willem van Leeuwen in op verschillende onderwerpen die spelen in de online wereld in relatie tot intellectuele eigendomsrechten. Zo wordt in dit boek behandeld hoe je domeinnamen claimt, wanneer je recht hebt op een bepaalde (domein)naam, wanneer je het merk van een concurrent als AdWord mag gebruiken, welke regels er gelden bij het maken van online reclame door middel van verschillende soorten prijsvragen en acties en in hoeverre je materiaal dat online te vinden is mag gebruiken op bijvoorbeeld je eigen website, via sociale media of door het aanbrengen van een hyperlink. Er is een uitgebreid hoofdstuk gewijd aan ‘apps’: hoe zorg je voor een goede bescherming van een app en hoe zit het met de privacy? Natuurlijk gaan we in op allerlei aspecten rondom sociale media, zoals: wat voor reviews zijn er toegestaan en in hoeverre mag je reclame maken via sociale media? En tot slot: hoe ga je als bedrijf om met online namaak en wie spreek je daarop aan? Kan dat ook een tussenpersoon zijn, zoals Marktplaats of eBay?

Zie website IE in Bedrijf.

Elisa Benhaim

Rapport wel of niet uitleveren?

Artikel ‘Rapport wel of niet uitleveren?’ in Gevaarlijke lading, april 2018.

Als er een incident plaatsvindt bij een bedrijf dat met gevaarlijke stoffen werkt, wordt er veelal een intern onderzoek gestart. Dat wordt gedaan om soortgelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. De medewerkers werken doorgaans mee aan zo’n onderzoek, ze willen immers een veilige werkvloer. Maar wat te doen als het Openbaar Ministerie het onderzoeksrapport vordert?

Lees het volledige artikel hier.