Berichten

Keuze voorzieningenrechter of kantonrechter in kort geding

In spoedeisende zaken waarin een snelle beslissing van een rechter is vereist, kan een kort geding procedure worden gevoerd ten overstaan van de voorzieningenrechter van de rechtbank. In ‘gewone’ zaken die door de kantonrechter worden behandeld en beslist, is het tevens mogelijk om een kort geding procedure bij de kantonrechter te voeren. De kantonrechter is bevoegd in ‘gewone’ zaken waarin het geldelijk belang niet meer bedraagt dan EUR 25.000,-. Daarnaast worden huur- en arbeidsrechtelijke zaken door de kantonrechter behandeld en beslist. Alle overige ‘gewone’ zaken worden in eerste instantie door de rechtbank behandeld.

Voor die zaken waarin de kantonrechter bevoegd is, hebben partijen bij een kort geding procedure dus de keuze tussen de voorzieningenrechter en de kantonrechter. Voor de kort geding procedure an sich en mogelijkheid tot hoger beroep maakt het niet uit of een kort geding bij de voorzieningenrechter dan wel bij de kantonrechter wordt gevoerd. De kantonrechter en voorzieningenrechter zijn aan dezelfde wettelijke bepalingen omtrent het kort geding gebonden. Wat wel een verschil maakt is de hoogte van het griffierecht dat verschuldigd is bij een kort geding. Voor een kort geding bij de voorzieningenrechter bedraagt het griffierecht voor de eiser en gedaagde afzonderlijk EUR 589,-. Het griffierecht voor een kort geding bij de kantonrechter bedraagt op dit moment voor de eiser EUR 106,- respectievelijk EUR 71,- voor min- en onvermogenden. De gedaagde is zelf – behoudens een eventuele kostenveroordeling waarin het door de eiser betaalde griffierecht is opgenomen – geen griffierecht verschuldigd bij een kort geding ten overstaan van de kantonrechter. Over dit verschil aan griffierecht en de keuze voor de voorzieningenrechter of kantonrechter, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo onlangs een interessante uitspraak gedaan (voorzieningenrechter rb Almelo d.d. 30 november 2011, LJN: BY 5914).

De zaak betrof een ontruimingskort geding tussen een woningcorporatie en een overlast veroorzakende huurder. De woningcorporatie had ervoor gekozen de huurder in een kort geding procedure ten overstaan van de voorzieningenrechter van de rechtbank te betrekken. Het was evenwel ook mogelijk geweest om dit kort geding te voeren ten overstaan van de kantonrechter. Door dat niet te doen heeft de woningcorporatie de huurder – die in die procedure in het ongelijk is gesteld en tot ontruiming is veroordeeld – onnodig op kosten gejaagd met hogere griffierechten. Hoewel het gebruikelijk is om de partij die de zaak verliest in de kosten te veroordelen (waaronder het griffierecht dat door de andere partij is betaald), heeft de voorzieningenrechter in deze zaak geoordeeld dat het onjuist is om de nadelige financiële gevolgen van de keuze voor de voorzieningenrechter op de verliezende partij af te wentelen. In de proceskostenveroordeling die aan de huurder is opgelegd heeft de voorzieningenrechter het hogere griffierecht dan ook niet meegenomen. Hoewel de woningcorporatie inhoudelijk in het gelijk is gesteld, heeft zij het betaalde griffierecht dus niet teruggekregen.

In zaken waarin kan worden gekozen tussen een kort geding bij de kantonrechter of een kort geding bij de voorzieningenrechter, is het verstandig om deze uitspraak in het achterhoofd te houden. Het is toch jammer om een kort geding te winnen en dan het griffierecht niet vergoed te krijgen.