Berichten

Gaat de goodwill straks in rook op?

Nog even wil de fiscus aannemen dat vrijgevestigde medisch specialisten ondernemers zijn, mits zij de model toelatingsovereenkomst hebben getekend en deze naleven. Vanaf 2015 is dat afgelopen. Dan kunnen vrijgevestigde medisch specialisten niet meer zelfstandig declareren aan patiënten en zorgverzekeraars. De medisch specialist die ook in 2015 zelfstandig ondernemer wil blijven, moet er dan voor zorgen dat hij (of zij) meerdere opdrachtgevers heeft. Hij moet ook investeringen plegen en ondernemersrisico lopen. De medisch specialist die stil blijft zitten, raakt zijn vrije ondernemerschap kwijt. De fiscus zal zijn rechtsverhouding met het ziekenhuis aanmerken als een arbeidsovereenkomst. Wat betekent dat voor de goodwill?

Verdampt die goodwill meteen op 1 januari 2015? Het antwoord is vermoedelijk nee. De medisch specialist kan vanaf die datum niet meer zelfstandig declareren en hij sluit ook niet meer zelf geneeskundige behandelingsovereenkomsten met zijn patiënten. Dat doet het ziekenhuis. De praktijk van de medisch specialist gaat dus over naar het ziekenhuis. De medisch specialist kan zich dan mogelijk met succes op het standpunt stellen dat sprake is van “overgang van zijn onderneming”. Dat zou betekenen dat het ziekenhuis niet alleen de praktijk van de medisch specialist overneemt maar ook de werknemers die aan die praktijk verbonden zijn. Dat is in ieder geval de medisch specialist zelf. Deze werknemer behoudt dan in beginsel ook nog eens zijn rechten (en plichten) die hij voor 2015 had, waaronder alle arbeidsvoorwaarden en anciënniteit.

Dat de overgang van de praktijk naar het ziekenhuis nu eenmaal het gevolg is van overheidsbeleid betekent niet per se dat er op het ziekenhuis geen verplichting rust om de medisch specialist te compenseren voor het verlies van zijn praktijk. Zou het ziekenhuis de medisch specialist niet compenseren, dan zou sprake kunnen zijn van “ongerechtvaardigde verrijking”. Immers, het ziekenhuis is dan verrijkt met de praktijk, de medisch specialist is verarmd en deze gang van zaken wordt niet gerechtvaardigd door een overeenkomst of een wet. In het verleden hebben apotheekhoudend huisartsen zich met succes beroepen op dit leerstuk toen zij hun apotheekhoudende praktijk ten gevolge van overheidsbeleid verloren aan apothekers. Zij ontvingen voor het verlies van hun apotheek – soms na jarenlange procedures – een compensatie.

Medisch specialisten zullen zich waarschijnlijk op het standpunt stellen dat zij zijn verarmd door het verlies van hun goodwill. De hoogte daarvan kan sterk uiteenlopen. Praktijken die moeilijk verkoopbaar zijn, zullen een lage goodwillwaarde hebben. Maar voor andere praktijken wordt ook nu nog fors betaald, bijvoorbeeld omdat er een overschot is aan medisch specialisten op het betreffende vakgebied. Die willen allemaal geregistreerd blijven, moeten vlieguren maken en zijn blij dat ze ergens aan de slag kunnen. Vooral voor deze jonge starters die nog nauwelijks van hun praktijk hebben kunnen profiteren is het onacceptabel dat zij hun net betaalde goodwill in rook zien opgaan.

Sommige schrijvers betogen dat het goodwillvraagstuk een probleem van de medisch specialisten zelf is. Zij zouden een fonds kunnen oprichten, zoals de huisartsen dat destijds ook hebben gedaan. Een belangrijk verschil is echter dat de praktijken van de huisartsen werden overgenomen door andere huisartsen. De praktijken van de medisch specialisten worden overgenomen door ziekenhuizen.

Al met al biedt de wet aanknopingspunten voor medisch specialisten om hun goodwill te claimen van de partij die hun praktijk zal overnemen. Het is daarom raadzaam om dit probleem voor 2015 op te lossen.

Simona Tiems, advocaat gezondheidsrecht bij Legaltree

Overgang van onderneming: het Roest/Albron arrest

Overgang van een onderneming

Op 5 april 2013 heeft de Hoge Raad het Roest/Albron-arrest gewezen, dat van belang is voor het leerstuk van de overgang van een onderneming. Door de overgang van een onderneming gaan de rechten en verplichtingen tussen de werkgever in die onderneming en de werknemers die daar werken van rechtswege over op de verkrijger. Tot Roest/Albron was de heersende leer dat alleen werknemers die een arbeidsovereenkomst hadden met de overgedragen onderneming van rechtswege mee over gingen naar de verkrijger. Werknemers die slechts tewerkgesteld waren bij de overgedragen onderneming en een arbeidsovereenkomst hadden met een andere onderneming gingen niet van rechtswege mee over.

De Hoge Raad heeft op deze leer een belangrijke uitzondering geformuleerd: ook de werknemer die permanent tewerk is gesteld bij de over te dragen onderneming en een arbeidsovereenkomst heeft met een andere, tot hetzelfde concern behorende onderneming, gaat van rechtswege mee over.  

De casus

Het arrest is het sluitstuk van een procedure die jaren geleden werd aangespannen door de heer Roest, een voormalig werknemer van Heineken en FNV Bondgenoten. Roest had (zoals alle werknemers van Heineken) een arbeidsovereenkomst met Heineken Nederlands Beheer B.V. Hij was gedetacheerd bij Heineken Nederland B.V., dat tot 1 maart 2005 de cateringactiviteiten van het Heinekenconcern exploiteerde.

Per 1 maart 2005 werden de cateringactiviteiten van Heineken Nederland B.V. uitbesteed aan Albron. Roest kreeg vervolgens een aanbod om bij Albron in dienst te treden, op minder gunstige arbeidsvoorwaarden dan hij bij Heineken had. Roest trad bij Albron in dienst, maar verzocht daarop de kantonrechter voor recht te verklaren dat de overgang van de cateringactiviteiten van Heineken naar Albron een overgang van onderneming was en dat de desbetreffende werknemers, onder wie Roest, van rechtswege in dienst waren getreden van Albron. Ook vorderde Roest dat Albron werd veroordeeld tot uitbetaling van het achterstallig loon.

Hoewel Roest geen arbeidsovereenkomst had met Heineken Nederland B.V., de vervreemder van de cateringactiviteiten, was de kantonrechter van oordeel dat Roest toch van rechtswege mee over was gegaan naar Albron en wees hij de vorderingen van Roest toe. Ook in hoger beroep werd Roest door het Gerechtshof in het gelijk gesteld, nadat het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen van het Gerechtshof had beantwoord.

Het Europese Hof had verklaard dat ook de niet-contractuele werkgever kan worden aangemerkt als een “vervreemder” in de zin van de Richtlijn (die ten grondslag ligt aan de bepalingen in boek 7 BW omtrent de overgang van een onderneming). Volgens het Europese Hof is het bij een overdracht van een concernonderneming niet noodzakelijk dat tussen die onderneming en de werknemer die daar permanent tewerkgeseld is, een arbeidsovereenkomst bestaat, om te kunnen concluderen dat er sprake is van een overgang van onderneming, waardoor de rechten en verplichtingen van de werknemer van rechtswege mee over gaan naar de verkrijger.

Onder verwijzing naar deze uitleg van het Europese Hof, verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van Albron. Ook de Hoge Raad was van oordeel dat de arbeidsvoorwaarden van Roest waren overgegaan op Albron.

Praktijk

Wat betekent dit arrest nu voor de praktijk? In ieder geval dat werknemers die vanuit een personeelsvennootschap permanent tewerkgesteld zijn bij een zustervennootschap, van rechtswege mee over gaan als de onderneming van die zustervennootschap wordt overgedragen.

Vanuit de gedachte dat de Richtlijn beoogt werknemers bescherming te bieden is het arrest begrijpelijk. Het arrest roept echter ook vragen op. Onduidelijk is bijvoorbeeld of het arrest ook ziet op werknemers die permanent tewerkgesteld zijn vanuit een vennootschap die niet tot hetzelfde concern behoort. En wat is de situatie ten aanzien van werknemers die voor langere tijd door een uitzendbureau of payrollbedrijf tewerkgesteld zijn bij de onderneming die overgedragen wordt?

Op deze vragen geeft het Albron/Roest-arrest geen antwoord. Het laatste woord over deze problematiek is nog niet gezegd.