Posts

[DUTCH] Podcast: Vier tips hoe om te gaan met de omvangslimiet van processtukken in hoger beroep

De gerechtshoven in Nederland hebben per 1 april 2021 een limiet gesteld aan de lengte van processtukken. Legaltree-partner Tamara Novakovski, specialist procesrecht en aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht, bespreekt deze maatregel met Legaltree-directeur Ard van der Steur en geeft vier praktische tips voor beter leesbare, duidelijkere en bondigere processtukken.

[DUTCH] Deel 3: Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

deel 3

De Spoedwet KEI[1] introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland golden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In een serie blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit deel (deel 3) sta ik stil bij de mogelijkheid van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. 

Zie ook:

Inleiding: de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling

Met het nieuwe procesrecht in de Spoedwet KEI wordt beoogd de mogelijkheden van de mondelinge behandeling te verruimen. De bepalingen die hierop betrekking hebben zijn rechtstreeks overgenomen uit KEI Rv[2], zoals dat voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gold. In onderstaande infographic zijn deze verruimingsmogelijkheden van de mondelinge behandeling samengevat weergegeven (zie voor een verdere toelichting Deel 1).

Eén van de verruimingsmaatregelen betreft de mogelijkheid om getuigen en partijdeskundigen tijdens de mondelinge behandeling te horen. Zie artikel 87 lid 3 Rv:

  1. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. (…)

In dit blog bespreek ik de implicaties van het horen van getuigen (en partijdeskundigen) tijdens de mondelinge behandeling.[3]

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

De wetgever ziet louter (efficiency) voordelen in het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. Er is geen afzonderlijke zitting nodig om getuigen te horen; de getuige kan ter plekke een aanvulling geven op hetgeen een van partijen stelt, of vragen van de rechter beantwoorden.[4] Op die manier kan efficiënter worden omgegaan met de tijd van partijen, hun advocaten en de rechter, aldus de wetgever.[5]

Kanttekeningen

Op papier is er slechts één drempel voor het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling: partijen hebben voorafgaande toestemming van de rechter nodig. De praktijk lijkt evenwel weerbarstiger. Samen met diverse auteurs meen ik dat er kritische kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij deze verruimingsmogelijkheid.

Voorafgaande toestemming

Het verzoek om getuigen tijdens de mondelinge behandeling te mogen horen dient gemotiveerd te zijn en de rechter beslist daar zo spoedig mogelijk op na de reactie van de wederpartij, aldus de strekking van artikel 4.10 van het nieuwe Procesreglement[6]. Over de gronden waarop de rechter de toestemming kan weigeren, vermeldt het Procesreglement niets. Ook elders zijn de weigeringsgronden niet vastgelegd. Volgens de wetgever is de voorafgaande toestemming bedoeld om te voorkomen dat de mondelinge behandeling wordt verstoord doordat partijen grote aantallen getuigen meenemen.[7] Niet uitgesloten lijkt mij echter dat de rechter ook op andere gronden, bijvoorbeeld wegens de complexiteit van de zaak, toestemming kan weigeren. De weigeringsronden zijn dus niet uitgekristalliseerd. Dit heeft ook tot gevolg dat het voor partijen onduidelijk is of en zo ja, op welke wijze zij invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van de rechter om het horen van getuigen wel of niet toe te stemmen.[8]

Beslissing over horen getuigen ter zitting

Als een partij toestemming heeft gekregen om getuigen te doen horen tijdens de mondelinge behandeling, dan is dat geen garantie dat de getuigen ook daadwerkelijk zullen worden gehoord. Het staat de rechter vrij om het van de mondelinge behandeling te laten afhangen of hij de getuigen ook daadwerkelijk wil horen.[9] De rechter beslist daarover pas tijdens de mondelinge behandeling.

Als de rechter, om welke reden dan ook, afziet van het horen van getuigen die naar de mondelinge behandeling zijn meegenomen, dan brengt dat voor partijen teleurstelling en onnodige kosten met zich. Om aan te sluiten bij de woorden van Hofhuis: het draagt niet bepaald bij aan de klantvriendelijkheid.[10]

 Geen bewijsopdracht

Volgens de wetgever is een bewijsopdracht voorafgaand aan het getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling niet nodig. [11] Een dergelijke praktische insteek van de wetgever is begrijpelijk. Een bewijsopdracht voorafgaand aan de mondelinge behandeling zou in de praktijk niet werkbaar zijn.  Toch kan het ontbreken van een bewijsopdracht onwenselijke implicaties hebben.

De belangrijkste daarvan is mijns inziens dat de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord van tevoren niet afgebakend zijn. Dit werkt langere en mogelijk onnodige getuigenverhoren in de hand. Achteraf kan immers blijken dat de tijdens de getuigenverhoren besproken onderwerpen irrelevant zijn, omdat zij niet dragend zijn voor de beslissing.[12] Daarmee wordt de door de wetgever beoogde efficiëntie ondermijnd.

Contra-enquête

Omdat de wederpartij niet altijd zal kunnen inschatten welke getuigen over welke onderwerpen zullen worden gehoord, bemoeilijkt dit de voorbereiding. De wederpartij heeft recht op een contra-enquête. Maar het anticiperen op die contra-enquête en wie waarover als getuige in contra-enquête zou moeten worden gehoord, zal bij het ontbreken van een afgebakende bewijsopdracht in veel gevallen  bijzonder lastig zijn. Het praktische gevolg zal dan zijn dat er alsnog een extra zitting moet worden gepland voor de contra-enquête. Een contra-enquête die bovendien achteraf eveneens onnodig kan blijken te zijn geweest. Dubbele inefficiëntie aldus.

 Schriftelijke verklaringen

In de huidige praktijk komt het regelmatig voor dat partijen schriftelijke verklaringen van getuigen overleggen. Mijn ervaring is dat de rechter een schriftelijke verklaring veelal meeweegt in zijn beoordeling. Het is eerder uitzondering dan regel dat de rechter naar aanleiding van een schriftelijke verklaring een nader getuigenverhoor noodzakelijk acht. Sterker, mijn indruk is dat in veel gevallen schriftelijke getuigenverklaringen een getuigenverhoor kunnen voorkomen.

De schriftelijke verklaring heeft zijn praktische nut als efficiënt bewijsmiddel inmiddels wel bewezen. Het is evenwel de vraag of de rechter nu anders tegen schriftelijke verklaringen gaat aankijken. De gedachte zou kunnen zijn dat met de – in ieder geval op het eerste gezicht – laagdrempelige mogelijkheid om getuigen mee te nemen naar de zitting een partij niet meer kan volstaan met (alleen) schriftelijke verklaringen. De rechter zou het een partij kunnen tegenwerpen als een schriftelijke verklaring niet wordt gestaafd met een mondelinge getuigenverklaring tijdens de mondelinge behandeling (althans een verzoek daartoe). Een getuigenverhoor, hoewel tijdrovend en daarmee inefficiënt, heeft immers als voordeel dat de rechter en partijen vragen aan de getuige kunnen stellen en zich mogelijk een beter oordeel kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de getuige.

Ik pleit ervoor om de schriftelijke verklaring niet in de ban te doen, maar voor maatwerk te kiezen. Daarbij kan de rechter van geval tot geval beoordelen of een (nader) getuigenverhoor de voorkeur verdient (naast of) boven een schriftelijke verklaring.

Conclusie: beperkte toegevoegde waarde

Heeft een getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling toegevoegde waarde? Naar mijn mening slechts in beperkte mate. Natuurlijk zullen er zaken zijn waar het nuttig kan zijn om alvast tijdens de mondelinge behandeling getuigen te horen. Ik denk dan aan relatief eenvoudige zaken met een overzichtelijk feitencomplex, waarin de onderwerpen waarover de getuigen kunnen verklaren overzichtelijk en afgebakend zijn. Immers, alleen als de getuigenverhoren zowel in aantal als in tijd kunnen worden beperkt zal het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling praktisch uitvoerbaar en efficiënt zijn. Ik teken daarbij wel aan dat dit doorgaans ook zaken betreft waarin een schriftelijke verklaring afdoende kan zijn, zodat zelfs in die zaken vraagtekens kunnen worden gezet bij de toegevoegde waarde van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. In alle andere gevallen stuit het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling mijns inziens hoe dan ook tegen te veel praktische en inhoudelijke bezwaren.

[1] Stb. 2019, 241. Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht.

[2] Hiermee wordt bedoeld het procesrecht zoals dat tot 1 oktober 2019 in de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland gold.

[3] In dit blog zal ik verder over “getuigen” spreken, maar daarvoor in de plaats (of daarnaast) kan ook steeds “partijdeskundigen” worden gelezen.

[4] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 23.

[5] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[6] Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken, versie 1 oktober 2019.

[7] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[8] Zie ook: Advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht, pag. 13.

[9] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[10] H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13.

[11] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[12] Vgl. ook: H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13 en K. Teuben & K.J.O.  Jansen, “Het Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht: kanttekeningen vanuit de procespraktijk”, TCR 2015/02,  p. 8

[DUTCH] Belanghebbende-begrip in het omgevingsrecht – checklist

Met de recente uitspraak van 23 augustus jl. (ECL:NL:RVS:2017:2271) heeft de Raad van State voor de praktijk duidelijkheid willen scheppen over de vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit met ruimtelijke impact. Dit is relevant voor de vraag wie wel en niet op kan/mag komen tegen een bestemmingsplan, (omgevings)vergunning en/of handhavingsbesluit welke verband houdt met milieugevolgen. Alleen een persoon, bedrijf of groepering die als ‘belanghebbende’ kan worden aangemerkt mag bezwaar, beroep en/of hoger beroep instellen.

Voor juristen biedt deze uitspraak absoluut bruikbare handvaten, maar een niet-jurist schiet er (vrees ik) weinig mee op. Hieronder een poging om de uitspraak voor niet-juristen te vertalen in een bruikbare checklist.

Checklist:

      1. Worden als gevolg van het besluit de volgende milieugevolgen ervaren?a. Uitzicht
        b. Geur
        c. Geluid
        d. Licht
        e. Trilling
        f. Emissie
        g. Risico’s als gevolg van gevaarlijke stoffenAls op één van bovenstaande punten aangetoond kan worden dat daarvan sprake is, dan is in beginsel voldaan aan de eisen voor het belanghebbende-begrip.

2. Zijn de milieugevolgen van enige betekenis?

i.  Soort (aard)
a. Uitzicht (voorkant/zijkant/achterkant eigen gebouw etc.)
b. Geur (penetrant/zoet/zuur etc.)
c. Geluid (in dbA’s etc.)
d. Licht (voorkant/zijkant/achterkant eigen gebouw etc.)
e. Trilling (vrachtwagens/machines etc.)
f. Risico’s (brand/explosie etc.)

ii.  Intensiteit
Impact a t/m g ten opzichte van de huidige situatie

iii. Frequentie
Hoe vaak zal/zullen a t/m g zich naar verwachting voordoen

Het bevoegd gezag (gemeente/provincie) zal bovenstaande moeten nagaan om tot de conclusie te kunnen komen dat de gevolgen onvoldoende zijn om ‘van enige betekenis’ te spreken en bezwaar/beroep en hoger beroep niet mogelijk zijn. Daartoe zullen ze vragen moeten stellen aan de betreffende persoon/organisatie en vooral ook zelf onderzoek doen.

3. Welk type besluit is het?

      • Bestemmingsplan
        Ik verwacht dat bij een bestemmingsplan sneller voldaan zal zijn aan het belanghebbende-begrip, omdat een bestemmingsplan een belangrijke toetsingsgrond is voor andere besluiten en het (veelal) om een breder gebied gaat, reden waarom er naar verwachting een grotere kring van belanghebbenden zal zijn.
      • Omgevingsvergunning
        De kring van belanghebbenden zal kleiner zijn naarmate de omgevingsvergunning voor een activiteit wordt afgegeven met minder ruimtelijke impact en andersom groter als het veel impact heeft. Zo zal bij een omgevingsvergunning voor een kerncentrale de kring van belanghebbenden vele mate groter zijn dan voor een bouwplan van een privé persoon.
      • Handhavingsbesluit
        De groep van belanghebbenden zal mede worden bepaald door de milieugevolgen waarop de (potentiële) handhaving ziet. Als het gaat om bouwwerkzaamheden die niet conform het besluit zijn uitgevoerd, dan zal de kring van belanghebbenden kleiner zijn dan als het gaat om een overschrijding van emissiegrenswaarden voor bepaalde (vervuilende) stoffen. De milieugevolgen die feitelijk worden ervaren zullen wel enig verband moeten houden met de overtreding waartegen mogelijk handhavend wordt opgetreden.

Nadere toelichting (voor juristen)

Voornoemde uitspraak van 23 augustus volgt op de uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:737) waarin de Raad van State de terminologie ‘gevolgen van enige betekenis’ heeft geïntroduceerd. Om als belanghebbende te worden aangemerkt moet dus sinds deze uitspraak aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of perceel van de rechtzoekende ‘gevolgen van enige betekenis’ worden ondervonden. De Raad van State constateerde dat deze uitspraak voor de praktijk nog onvoldoende duidelijkheid bood, reden waarom de recente uitspraak expliciet beoogt concrete aanknopingspunten te bieden. In feite komt de kern van de verduidelijking er naar mijn mening op neer dat alle omstandigheden van het geval bij de boordeling moeten worden betrokken. De overwegingen dat ‘de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen’ van belang zijn, alsmede het ‘type besluit’ en dat de ‘geldende milieunorm niet bepalend’ is, wijzen immers op een (zeer) casuïstische benadering. Ik verwacht dan ook dat de motivering bij de gerechtelijke toetsing (geheel in lijn met de bestuursrechtelijke traditie) centraal zal staan.

De meeste duidelijkheid schept de Raad van State naar mijn mening met de overweging dat het de taak van het bevoegd gezag is om de kring van de belanghebbenden vast te stellen. Van de rechtzoekende mag alleen worden verwacht dat hij/zij stelt feitelijke milieugevolgen te ondervinden. Zodra milieugevolgen worden ervaren kwalificeert de persoon, rechtspersoon of groepering in beginsel als belanghebbende. Het ligt vervolgens op de weg van het bevoegd gezag om aannemelijk te maken dat de milieugevolgen geen ‘gevolgen van enige betekenis zijn’. Over de rol van de derde-belanghebbende (veelal de aanvrager) laat de Raad van State zich niet uit. Door de verantwoordelijkheid expliciet bij het bevoegd gezag te leggen ben ik van mening dat de Raad van State een ruime beoordelingsvrijheid aan het bestuursorgaan laat. De derde-belanghebbende zal denk ik van goeden huize moeten komen om de rechter te dwingen het belanghebbende-begrip beperkter vast te stellen dan het bevoegd gezag in het bestreden besluit heeft gedaan.