Bijzonder Beheer tracht executoriale verkoop tegen beter weten in door te drukken

Op 3 november 2015 heeft de Rechtbank Overijssel de goede intenties van de afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank openlijk in twijfel getrokken omdat de bank een huis per se executoriaal wilde verkopen met als gevolg dat de klant zou achterblijven met een omvangrijke restschuld. De Rechtbank steekt daar een stokje voor.

Wat was er aan de hand in deze zaak?

Rabobank gaf in 2006 aan een klant in verband met de aankoop van een woning met een koopsom van EUR 315.000,– een hypotheek van EUR 425.000,–, waarvoor Rabobank vervolgens een eerste recht van hypotheek op de woning vestigde. In 2008 respectievelijk 2010 is er nog tot tweemaal toe een geldleningsovereenkomst gesloten met de betreffende klant waarbij Rabobank in totaal circa EUR 80.000,– leende waarvoor zij een tweede recht van hypotheek op de woning kreeg. In 2010 ontstonden betalingsachterstanden. Betalingsregelingen werden getroffen waarna de bank na een laatste aanmaning liet weten de financieringsrelatie formeel op te zeggen. Dit, onder sommatie van de klant tot betaling van het verschuldigde (inmiddels circa EUR 600.000,–) teneinde openbare verkoop van de woning te voorkomen. Partijen hebben sindsdien veelvuldig contact met elkaar gehad en het executietraject is in 2013 niet doorgezet. In april 2015 vindt er een gesprek tussen Rabobank en de klant plaats waarbij de stand van zaken omtrent de verkoop van de woning is besproken en laat Rabobank weten dat de klant tot uiterlijk 9 juli 2015 de tijd krijgt om de woning onderhands te verkopen en in eigendom over te dragen bij gebreke waarvan Rabobank de notaris zal verzoeken om het pand aan te bieden op de eerstvolgende veiling. De klant levert vervolgens twee kant- en klaar- getekende koopovereenkomsten aan waarbij de kopers aangeven de woning te kopen voor EUR 320.000,– met een leveringsdatum van 1 mei 2016 resp. 28 februari 2016. De koopsommen liggen ver boven de taxatiewaarde van EUR 270.000,– en de executiewaarde van circa EUR 167.000,–. De bank wijst echter beide overeenkomsten af, omdat zij meent dat de data van levering te ver in de toekomst gelegen zijn en het de bank te lang duurt. Een koper die EUR 265.000,– voor de woning biedt en per oktober van 2015 bereid is de woning af te nemen, krijgt wel groen licht. Die verkoop strandt echter doordat een andere schuldeiser beslag heeft gelegd op de woning, waarna de bank opdracht geeft tot executoriale verkoop, waardoor de klant met zo’n EUR 400.000,– restschuld zal blijven zitten.

Wat doet de Rechtbank?

De Rechtbank Overijssel trekt echter een streep door de veiling door middel van haar uitspraak van 2 november 2015. De Rechtbank geeft de bank een duidelijke tik op haar vingers. Voordat zij dat doet, bevestigt ze overigens dat de Rabobank als hypotheekhouder in beginsel het recht van parate executie heeft, maar dat aan de orde is de vraag of de Rabobank, gelet op de geschetste omstandigheden, door uitoefening van dat recht al dan niet misbruik maakt van haar bevoegdheid.

De bank wil uiteraard zo snel mogelijk geld zien maar daar staat het belang van de klant (en de bank) tegenover, namelijk het verkrijgen van een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst van de woning, zo betoogde de klant. Een restschuld in geval van openbare verkoop van EUR 400.000,– is ook niet in het voordeel van de bank. De bank daarentegen stelde dat zij veel geduld heeft getoond maar dat de maat nu vol is en dat er geen vertrouwen meer bestaat dat het nog goed komt. Dit gelet op het langdurig tijdsverloop tussen de verkoop en de levering, de vele betalingsafspraken die niet zouden worden nagekomen, etc. De bank meent dat niet kan worden gezegd dat zij door het ingezette executietraject misbruik maakt van haar bevoegdheid.

Nog los van het feit dat “pijnlijk duidelijk werd dat er verschillen en onjuistheden bleken te bestaan in de informatieverschaffing en stellingen van de afdeling Bijzonder Beheer van de Rabobank enerzijds en (het optreden van) de plaatselijke vestiging van de Rabobank anderzijds” oordeelde de rechter wat betreft de veilingverkoop dat de bank onvoldoende argumenten heeft aangevoerd om niet in te stemmen met de eerdere koopovereenkomsten die boven de taxatiewaarde liggen. Het feit dat de bank coûte te que coûte lijkt aan te sturen op een openbare verkoop die blijkens de taxatie minstens een ton minder opbrengt dan de laagste verkoopprijs uit de koopovereenkomsten, doet vermoeden dat de bank andere drijfveren heeft dan het realiseren van een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst. Een hard oordeel. De bank handelt volgens de rechter nodeloos schadend voor de klant. Beide partijen hebben uiteraard belang bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst en is het zo dat de bank niet eindeloos hoeft te wachten om gebruik te maken van haar recht op executie in afwachting van vage onderhandse verkoopmogelijkheden maar van het laatste was geen sprake. De door de bank opgegeven redenen kwamen in wezen neer op een niet nadere geconcretiseerd “we zijn het vertrouwen verloren”, hetgeen onvoldoende is om niet mee te werken aan onderhandse verkoop. De veiling is van de baan!

Conclusie

Deze uitspraak laat maar weer eens zien dat van banken wordt verlangd dat zij zorgvuldig en rechtvaardig opereren in situaties als de onderhavige. Jarenlang stil zitten (door geen executiemaatregelen voor te stellen en door te zetten) en dan vervolgens op het moment dat er daadwerkelijk zicht is op de haven de executie in te zetten voor eigen gewin daar komt een bank niet langer meer mee weg. Deze uitspraak zal belangrijke consequenties hebben voor de dagelijkse praktijk. Het laatste woord over de handelwijze van de banken in het algemeen en Bijzonder Beheer in het bijzonder is nog niet gezegd.

Safe Harbor biedt niet genoeg privacybescherming: wat nu?

Op 6 oktober 2015 verklaarde het Europese Hof van Justitie de zogenaamde “Safe Harbor regeling” ongeldig. De Safe Harbor regeling zorgt ervoor dat persoonsgegevens van Europese burgers kunnen worden doorgegeven naar de Verenigde Staten.

Wat is het Safe Harbor Programma?

In principe geldt er een verbod om persoonsgegevens naar buiten Europa (officieel: de “Europese Economische Ruimte”) door te geven naar een land waar geen “passend beschermingsniveau” voor de privacy is. In Amerika is er niet een dergelijke passend beschermingsniveau.

De Europese Commissie heeft al enige tijd geleden in samenwerking met de US Department of Commerce een zelf-certificeringsprogramma opgezet waardoor Amerikaanse bedrijven die zich aan bepaalde basis principes houden toch gegevens van Europese burgers kunnen ontvangen. Dit is het Safe Harbor programma. Binnen dat programma, is de gedachte, is er dus wel een “passend beschermingsniveau”. Veel bedrijven maken hier gebruik van. Niet alleen bedrijven die clouddiensten aanbieden aan Europese burgers, zoals Google, Facebook, Microsoft en Amazon maar ook multinationals die hun hoofdkantoor in de VS hebben en gegevens van Europese werknemers in de VS hosten en verwerken.

Maar door de onthullingen van de NSA-praktijken door Edward Snowden is duidelijk geworden dat het Safe Harbor programma geen bescherming biedt tegen de “snuffelpraktijken” van Amerikaanse overheidsinstanties. Interessant detail daarbij is dat Amerikaanse burgers wél een bepaalde mate van bescherming genieten maar Europese burgers niet omdat zij als niet-Amerikaanse burgers geen beroep kunnen doen op de Amerikaanse wetgeving.

Wat nu?

Wat betekent het oordeel van het Hof voor bedrijven die gegevens van Europese burgers doorgeven naar de Verenigde Staten? In feite heeft het oordeel tot gevolg dat de gegevens niet meer mogen worden doorgegeven op basis van het Safe Harbor programma.

Er is een belangrijk alternatief voor handen en dat is het sluiten van een zogenaamd “Model contract voor doorgifte” van de Europese Commissie. Als een dergelijk contract wordt gesloten met de ontvanger van de gegevens, wordt er geacht een “passend beschermingsniveau” te zijn.

Het is echter nog te bezien of ook die modelcontracten de toets van het Europese Hof van Justitie kunnen doorstaan. Want ook die bieden geen volledige bescherming tegen het inzien of opvragen van gegevens door lokale overheidsinstanties. Hoewel in het contract wel dezelfde “toets” wordt voorgeschreven als die we in Europa hebben voor toegang door overheidsinstanties, moet nog maar blijken of lokale overheidsinstanties daar ook zo over denken. We weten dat de Amerikaanse overheidsinstanties dat in ieder geval niet doen.

Desondanks ziet het er op dit moment naar uit dat het sluiten van een modelcontract tussen de Europese “gegevensexporteur” en de Amerikaanse “gegevensimporteur” het realistische alternatief is om de gegevens op een geldige manier naar de Verenigde Staten door te geven. Tenzij het gaat om doorgifte binnen een concern dat zogenaamde “Binding Corporate Rules” heeft, dan kan doorgifte op basis daarvan geschieden.

Het is wachten hoe de Europese Commissie en de nationale toezichthouders op het arrest van het Hof zullen reageren, en of er overleg met de Verenigde Staten zal volgen om te zien hoe doorgifte wel mogelijk kan worden gemaakt. Want dat het arrest belangrijke consequenties voor de trans-Atlantische economie heeft, dat is wel duidelijk.

3D-printen: een revolutie in het modellenrecht?

Over 3D-printen en de consequenties daarvan voor het modellenrecht. In 2/2015 BMM Bulletin jaargang 41.

Lees het artikel

Antoinette Collignon geeft een lezing met als titel Europees recht en verkeersongevallen

 

Op dinsdag 10 november 2015 geeft Antoinette Collignon een lezing met als titel Europees recht en verkeersongevallen. Toepasselijk recht en (letsel)schaderegeling in Europees perspectief. Locatie: Amrâth Hotel Maarsbergen, Maarsbergen. Meer info hier.

Antoinette Collignon geeft een lezing met als titel Europees letselschade en de advocaat

Op 5 okt geeft Antoinette Collignon een lezing met als titel Europees letselschade en de advocaat als. De lezing vindt plaats van 14.15 – 15.00 uur en is onderdeel van het programma van het 9e Gronings Letselschadecongres. Meer info hier.

Verkeersrecht ANWB

Interview Verkeersrecht met het kernteam. In VR 2015/77.

Lees het artikel

Annotatie RvA 9 juni 2015 nr. 35.150

Te lezen in (Kostenverhogende omstandigheden; artikel 7:753 BW ten opzichte van § 47 UAV 1989). In Bouwrecht afl. 9 – september 2015.