Berichten

Nieuwe regels voor aanbieden van effecten vanaf 21 juli 2019

Met ingang van 21 juli 2019 wijzigen de regels voor het aanbieden van effecten door inwerkingtreding van een nieuwe prospectusverordening die een belangrijk deel van de bestaande Nederlandse en Europese regels vervangt. De opzet en de inhoud van het huidige regime blijven echter grotendeels in stand. De vindplaats van diverse regels wijzigt wel.

Prospectusverordening 2017

Op 21 juli 2019 wordt de Prospectusverordening 2017 van toepassing en vervangt deze de Prospectusverordening 2004. Als gevolg van de Prospectusverordening 2017 en de bijbehorende Wet implementatie prospectusverordening wordt het grootste deel van hoofdstuk 5.1 van de Wft over het publiceren van een prospectus bij aanbieding van effecten aan het publiek en het toelaten van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, per die datum geschrapt.

Terwijl de Prospectusverordening 2004 met name ging over de inhoud van een te publiceren prospectus gaat de nieuwe Prospectusverordening 2017 ook over het aanbieden van effecten. Dit heeft tot gevolg dat de regels daarover vanaf 21 juli 2019 niet meer in de Wft staan omdat deze regels zijn opgenomen in de (direct werkende) Prospectusverordening 2017.

Hoofdstuk 5.1 van de Wft zal nog maar vier artikelen over het aanbieden van effecten bevatten. Die artikelen hebben betrekking op de verantwoordelijkheid voor de informatie in een prospectus en de mogelijkheid tot vrijstelling van de prospectusplicht. Voor nagenoeg alle andere aspecten moet dus in de Prospectusverordening 2017 worden gekeken. De Wft zal dus niet meer de belangrijkste bron zijn voor het aanbieden van effecten en het publiceren van een prospectus.

Wijzigingen

De inhoudelijke wijzigingen als gevolg van de inwerkingtreding van de Prospectusverordening 2017 en de implementatiewet zijn relatief beperkt.

Er gelden enkele nieuwe regels voor de inhoud van een prospectus. Zo hoeft de samenvatting niet meer in de vorm van een verplichte tabel te worden opgesteld, maar is er eerder sprake van een ‘Q&A formaat’. Daarnaast wordt benadrukt dat een prospectus en met name de samenvatting, in begrijpelijke taal dient te worden opgesteld. Ter voorkoming van standaardteksten moeten de risicofactoren specifieker zijn. Tot slot gelden bepaalde regels voor reclame in situaties waarin een prospectus wordt opgesteld. Die vereisen onder andere dat reclame ook het woord ‘reclame’ bevat.

Hiernaast worden er twee lichtere prospectusregimes geïntroduceerd. Het eerste regime geldt (onder andere) voor MKB-ondernemingen. Dit zijn ondernemingen die aan twee van de volgende drie vereisten voldoen:

  • minder dan 250 werknemers;
  • een balanstotaal van maximaal € 43 miljoen;
  • een netto jaaromzet van maximaal € 50 miljoen.

Deze ondernemingen mogen een ‘EU-groeiprospectus’ publiceren. Een EU-groeiprospectus is in feite een vereenvoudigde versie van een gewoon prospectus dat mogelijk moet maken dat MKB-ondernemingen geld kunnen ophalen door uitgifte van effecten zonder dat zij daarvoor een gewoon prospectus hoeven te publiceren. Dit wordt immers te bezwaarlijk geacht voor MKB-ondernemingen. Een EU-groeiprospectus blijft wel een prospectus waarvoor de meeste andere regels van de Prospectusverordening 2017 gelden. Een EU-groeiprospectus dient ook te worden goedgekeurd door de bevoegde toezichthouder, hetgeen tijd en moeite kost.

Het tweede lichtere regime creëert een vereenvoudigd prospectus voor secundaire uitgiften door partijen die ten minste 18 maanden tot een gereglementeerde markt of een mkb-groeimarkt zijn toegelaten.

Prospectusplicht

In diverse gevallen geldt, net zoals nu al het geval is, geen verplichting om een prospectus te publiceren (zie artikel 1 van de Prospectusverordening 2017). Voorbeelden hiervan zijn:

  • aanbieden van effecten aan uitsluitend gekwalificeerde beleggers;
  • aanbieden van effecten aan minder dan 150 personen in Nederland;
  • aanbieden van effecten met een nominale waarde van ten minste € 100.000 per stuk of in pakketten van ten minste € 100.000;
  • toelating tot de handel, gerekend over een periode van twaalf maanden, van minder dan 20% van de al genoteerde effecten;
  • aanbieden van effecten, gerekend over een periode van twaalf maanden, met een tegenwaarde van minder dan € 5 miljoen.

In het laatste geval moet sinds 1 oktober 2017 in Nederland wel een informatiedocument worden opgesteld dat voorafgaand aan de AFM moet worden verstrekt. Deze verplichting hing overigens ook samen met de verhoging van de vrijstellingsgrens van € 2,5 miljoen naar € 5 miljoen als gevolg van de Prospectusverordening 2017. Datzelfde geldt voor de 20%-grens voor toelating van al genoteerde effecten. Deze grens was vanwege de Prospectusverordening 2017 al in 2017 opgehoogd van 10% tot 20%.

Tot slot

Ook al bestaat er geen verplichting tot het publiceren van een prospectus, de toepasselijke civielrechtelijke regels verplichten een aanbieder tot het verschaffen van voldoende, deugdelijke informatie over de aangeboden effecten. Dus ook een informatiedocument moet aan bepaalde vereisten voldoen.

Nieuwe interpretatie van DNB over verlengde garanties

Op 29 januari 2019 heeft DNB bekend gemaakt dat DNB een nieuwe interpretatie hanteert over verlengde garanties bij koopovereenkomsten. Deze nieuwe interpretatie lijkt een minder strenge interpretatie van de wet door DNB te bevatten. In meer gevallen dan voorheen lijkt een verlengde garantie immers (toch) niet als een verzekering in de zin van de wet te kwalificeren. Dit is een welkome verduidelijking voor de praktijk waarin veelvuldig vragen rijzen over de toelaatbaarheid van verlengde garanties. Helaas blijven er ook nog wel wat vragen onbeantwoord.

 Achtergrond

DNB hanteerde al jaren het uitgangspunt dat als een (verlengde) garantie voldoet aan de criteria van een verzekering, er in beginsel sprake is van een verzekering. Het gevolg hiervan is dat de aanbieder van de verlengde garantie als verzekeraar wordt beschouwd, vaak zonder dat deze daarvoor een vergunning heeft. De criteria die DNB hanteerde waren de criteria uit boek 7 BW namelijk dat (i) er sprake is van een overeenkomst, (ii) waarbij een partij zich verbindt tot het doen van een of meer uitkeringen (al dan niet in natura), (iii) waar de andere partij een premie (of vergoeding) voor betaalt, (iv) waarbij vooraf onzekerheid bestaat over de uitkering en/of de premie, terwijl (v) de uitkering tot doel heeft om vermogensschade te vergoeden.

De consequentie van deze uitleg was dat diverse garanties, met name verlengde garanties, in beginsel kwalificeerden als verzekering. Immers, verlengde garantieovereenkomsten bieden tegen betaling vaak schadevergoeding of reparatie bij mankementen. Deze kwalificatie bezorgde de markt geregeld hoofdbrekens. In diverse gevallen werd er voor de zekerheid gekozen tot onderbrenging van verlengde garanties bij een verzekeraar terwijl de tussenpersonen die bij de totstandkoming van verlengde garanties betrokken waren, bijvoorbeeld werden geregistreerd als verbonden bemiddelaar. Dit om problemen met DNB en de AFM op grond van de Wet op het financieel toezicht te voorkomen.

Aanleiding

Enige tijd geleden kreeg de interpretatie van DNB weer nieuwe input door discussie over de BOVAG-garantie. Naar aanleiding van een subtiele wijziging van de interpretatie door DNB in 2017, zou de BOVAG om verduidelijking hebben gevraagd in antwoord waarop DNB zou hebben aangegeven dat ook de BOVAG-garantie een verzekering is in de zin van de wet. In de loop van 2018 publiceerde DNB vervolgens een concept-Q&A over verlengde garanties in koopovereenkomsten met het oog op consultatie door de markt. De nu gepubliceerde interpretatie (wederom in de vorm van een Q&A maar nu in een definitieve versie die iets afwijkt van het concept) is daar de uitkomst van

Nieuwe Q&A

De nieuwe Q&A begint met herhaling van de al langer gehanteerde criteria van een verzekering. Vervolgens benadrukt DNB dat als aan deze criteria wordt voldaan, er sprake kan zijn van een verzekering maar dat dit niet het geval hoeft te zijn. DNB grijpt hier terug naar de wetgever die indertijd al aangaf dat niet alles wat aan de criteria van een verzekering voldoet, ook een verzekering hoeft te zijn. In het verlengde daarvan geeft DNB nu aan dat zij bij de beoordeling zal kijken of de garantie naar maatschappelijke maatstaven als een schadeverzekering wordt opgevat. Vervolgens gaat DNB nader in op garanties bij koopovereenkomsten en geeft DNB aan een (verlengde) garantie geen verzekering te vinden als aan drie cumulatieve criteria wordt voldaan. Ten eerste moet de garantie een ondergeschikt onderdeel zijn van een koopovereenkomst. Ten tweede moet de garantie betrekking hebben op de aard of een gebrek van het gekochte product. Ten derde moet de garantieperiode niet evident langer zijn dan de economische levensduur van het product. DNB onderstreept daarbij het verschil tussen enerzijds een garantie die ziet op kwaliteit van het product zelf en een verzekering anderzijds die normaal gesproken ziet op schade vanwege externe factoren zoals verlies of diefstal.

Overigens geeft DNB aan dat deze Q&A geen kracht van wet heeft en niet juridisch afdwingbaar is. Hoe dan ook, de Q&A is volgens DNB een uiting van de uitvoeringspraktijk van DNB en in zoverre mogen partijen erop vertrouwen dat DNB deze eigen uiting volgt bij beoordeling van (verlengde) garanties.

Betekenis voor de praktijk

Bij de beoordeling van (verlengde) garanties dient vanaf heden dus rekening gehouden te worden met deze nieuwe interpretatie van DNB. Indien aan de drie cumulatieve criteria voor garanties bij koopovereenkomsten wordt voldaan, zal er normaal gesproken geen sprake zijn van een verzekering, wellicht in tegenstelling tot een eerder oordeel op dat punt op basis van de toenmalige interpretatie van DNB. Partijen moeten dus mogelijk hun eerdere oordelen en (ontvangen) adviezen herzien. Helaas blijven er ook wel wat onduidelijkheden over. Tijdens de consultatie is bijvoorbeeld opgemerkt dat ook de nieuwe cumulatieve criteria niet altijd even duidelijk zijn en onderhevig zijn aan interpretatie. Zo zal niet altijd duidelijk zijn wanneer een garantie een “ondergeschikt onderdeel” is van de koopovereenkomst of wanneer een garantieperiode “niet evident langer” is dan de economische levensduur van het product (laat staan wat die economische levensduur is; volgens DNB is dat namelijk niet noodzakelijk dezelfde periode als de periode waarin een beroep op conformiteit kan worden gedaan). Hieraan kan ook nog worden toegevoegd dat DNB spreekt over een product zodat de vraag rijst of deze interpretatie ook ziet op diensten. DNB heeft recent ook een concept-Q&A over abonnementen gepubliceerd die veel gelijkenis vertoont met deze Q&A over verlengde garanties. Het is dus mogelijk dat in de toekomst ook bepaalde diensten minder snel als verzekering worden opgevat. Er blijven echter nog wel wat vragen onbeantwoord.

Collectieve afwikkeling van massaschade en renteswaps

In Nederland is nog niet heel veel ervaring opgedaan met het op een efficiënte wijze afwikkelen van massale schadegevallen. Wij kunnen in dat opzicht leren van de praktijk in de Verenigde Staten. 

Met de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade, afgekort WCAM, die op 16 juli 2005 in Nederland van kracht is geworden, wordt – enigszins in navolging van de praktijk in de Verenigde Staten – aan collectieven van gedupeerden de mogelijkheid geboden om overeenkomsten over schadevergoeding algemeen verbindend te laten verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de getroffen overeenkomst ook geldig wordt voor de partijen die niet bij de onderhandelingen waren betrokken. Het is dus opletten geblazen. Verzoeken om overeenkomsten algemeen verbindend te verklaren moeten worden ingediend bij het Amsterdamse Gerechtshof. Een dergelijke procedure bij het Amsterdamse Gerechtshof is in het belang van alle betrokken partijen, mits het allemaal goed en evenwichtig in elkaar is gestoken en uitgevoerd. En daarin ligt een uitdaging voor gedupeerden en de partijen die hen vertegenwoordigen. Bij het goed en evenwichtig in elkaar steken van de overeenkomst en het verzoek komt heel wat kijken. Gebeurt dat niet goed, dan kunnen de gedupeerden nog eens gedupeerd raken.

Voorbeelden van massale schadegevallen in Nederland zijn het seksueel misbruik in de Katholieke kerk, de PIP-borstimplantaten, de zogenaamde asbestkwestie, schade als gevolg van het DES-hormoon en verschillende massale schadegevallen als gevolg van het aan de man brengen van financiële producten door partijen die daarbij niet of onvoldoende hun zorgplicht in acht nemen. Bij een zorgplicht in geval van de verkoop van financiële producten valt te denken aan de bancaire zorgplicht, die in rechtspraak is ingekleurd. 

Bij massale schadegevallen gaat het in de regel om een situatie met aan de ene kant een in bepaald(e) opzicht(en) machtige partij, bijvoorbeeld een bank, tegenover een grote groep aanzienlijk minder machtige partijen. De schade doet zich voor aan de zijde van de grote groep minder machtige partijen. Bij massale schadegevallen doen de gedupeerden er goed aan zich te verzamelen. Eendracht maakt macht. Op die wijze kan een evenwichtige onderhandelingssituatie ontstaan. Een evenwichtige onderhandelingssituatie is een noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van een goed schikkingsresultaat dat kan dienen als basis voor een verzoek op grond van de WCAM bij het Amsterdamse Gerechtshof. 

Een massaschade die in de afgelopen periode veel in het nieuws is geweest, betreft de kwestie rondom de zogenaamde renteswaps, ook wel genoemd rentederivaten, die banken wereldwijd hebben verkocht aan ondernemers. Deze renteswaps werden vanaf circa 2006 aan ondernemers verkocht. Renteswaps, ook wel rentederivaten genoemd, zeggen aan ondernemers zekerheid te geven over een in verband met een lening te betalen rente. Maar wat gezegd wordt, is vaak niet het hele verhaal. Het prijskaartje dat aan die verkochte zekerheid hangt, was in veel gevallen niet makkelijk zichtbaar of leek op het eerste gezicht veel gunstiger dan in werkelijkheid het geval was. Dat komt omdat bij de verkoop van die producten vooral wordt gewezen op de voordelen en (te) weinig op de risico’s. Die nadelen blijven daarom verholen tot het risico zich verwezenlijkt en dan vallen de schellen van de ogen. In dit verband verwijs ik ter illustratie naar de website van Cadension Financial Surgery: http://www.cadension.com/financiele-update/ en een artikel in de Volkskrant: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3475218/2013/07/13/Duizenden-ondernemers-bezitten-giftige-derivaten.dhtml. In het buitenland hebben de renteswaps ook al tot de nodige commotie geleid, zie bijvoorbeeld: http://bully-banks.co.uk/site/.

Onze nationale financiële waakhond, de AFM, deed onderzoek naar de renteswaps en publiceerde daarover in september 2013 een interessant rapport, zie: http://www.afm.nl/~/media/files/rapport/2013/dienstverlening-rentederivaten.ashx

De AFM heeft geconstateerd dat banken hun MKB-cliënten veelal onvoldoende hebben geïnformeerd over de risico’s van de renteswaps. Uit het onderzoek is ook gebleken dat de dossiervorming door banken te wensen overlaat. De banken zullen hier kennis van hebben genomen en – als het goed is – hun werkwijze hebben aangepast. De vele gedupeerde MKB-ondernemers hebben in de afgelopen jaren voor een klein deel en individueel al verschillende pogingen ondernomen om bij een civiele rechter recht te halen en hun schade vergoed te krijgen. Bij de individuele gevallen gaat het vaak al om veel geld. Meest recent is een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:1415) – zie: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2014:1415. Daarin kreeg een individuele MKB-ondernemer een schade van € 169.319,52 plus wettelijke rente toegewezen. Op macroniveau gaat het om een zeer aanzienlijke schade van – mogelijk – vele miljoenen euro’s. Uit onderzoek zou blijken dat de alle renteswaps gezamenlijk een negatieve waarde van ruim EUR 4 miljard hebben. Dat gegeven, gecombineerd met het feit dat de renteswaps belichaamd zijn in standaardcontracten, maakt de kwestie mogelijk geschikt voor een collectieve afwikkeling.

Sandra Frommelt heeft in onderzoek of in de kwestie over de renteswaps een goed model voor een schikking op macroniveau is te formuleren. Een dergelijke schikking zal recht moeten doen aan alle belangen en zal ook verdeelsleutels moeten bevatten waarin individuele omstandigheden worden meegewogen. In de Verenigde Staten is al veel ervaring opgedaan met de logistiek en techniek die komt kijken bij het tot stand brengen van een schikking op macroniveau en de daarin op te nemen verdeelsleutels. Uit die ervaring zal worden geput. 

Sandra Frommelt, die zich als advocaat graag bezighoudt met complexe civiele procedures, heeft zich grondig verdiept in de afwikkeling van complexe schadegevallen en heeft ook een boek in de maak over de schadestaatprocedure.

Gedupeerde MKB-ondernemers, partijen die renteswaps hebben verkocht, financieel experts, en een ieder die zich geroepen voelt, worden hierbij uitgenodigd om hun verhaal te doen en ervaringen of expertise te delen. Daartoe kan contact worden opgenomen met sandra.frommelt@legaltree.nl of telefonisch met 035-5330055.