Verlenging NOW: andere voorwaarden

In eerdere nieuwsberichten informeerden wij u over de NOW-regeling die afloopt per 1 juni a.s. Op 20 mei jl. heeft het Kabinet het volgende steunpakket aangekondigd. Onderdeel hiervan is een verlenging van de NOW die opnieuw voor drie maanden geldt, maar waarvoor andere voorwaarden gelden. Het doel blijft gelijk: het voor werkgevers met een terugval in omzet van ten minste 20% mogelijk maken zoveel mogelijk werknemers in dienst te houden. In deze nieuwsbrief geven wij een samenvatting van de verlengde NOW-regeling.

Voorwaarden

  • Aanvragen van subsidie kan per (uiterlijk) 6 juli 2020.
  • Aanvraag geldt voor de loonkosten over de periode juni, juli en augustus.
  • Er moet sprake zijn van ten minste 20% verwacht omzetverlies over een tijdvak van 3 maanden, beginnend op 1 juni, 1 juli of 1 augustus.
  • Als er voor een tweede keer een beroep wordt gedaan op de NOW, moet het gekozen tijdvak aansluiten op het tijdvak dat bij de eerste aanvraag was gekozen.
  • De subsidie betreft maximaal 90% van de loonsom gerelateerd aan het omzetverlies.
  • UWV verstrekt wederom een voorschot van 80% van de aangevraagde subsidie.
  • De referentiemaand voor de loonsom wijzigt van januari naar maart 2020 (peildatum 15 mei).
  • Als loonsom van maart-mei 2020 hoger is dan loonsom januari 2020 x 3 dan geldt de loonsom maart-mei voor de berekening van de subsidie. De loonsommen van april en mei worden dan gemaximeerd op de loonsom van maart (peildatum 15 mei). Dit geldt met terugwerkende kracht ook voor aanvragen gedaan in het eerste NOW-tijdvak.
  • Het aanvraagtijdvak voor de eerste periode NOW wordt vanwege voornoemde wijziging verlengd van 31 mei naar 5 juni.
  • Subsidieaanvragen staan open voor werkgevers die al een aanvraag voor eerste periode van de NOW hebben gedaan én voor werkgevers die voor het eerst een beroep gaan doen op NOW.
  • Werkgevers worden geacht (niet verplicht) om de lonen 100% door te betalen.
  • Bij ontslag tijdens de tweede NOW-periode wegens bedrijfseconomische redenen, geldt geen ontslagboete van 150% van het loon van de ontslagen werknemer, maar wordt 100% van het loon van de werknemer op de subsidie in mindering gebracht.
  • Een werkgever die gebruikmaakt van de tweede periode van de NOW en een subsidiebedrag ontvangt waarvoor een accountantsverklaring vereist is, mag over 2020 geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen (waaronder ook begrepen winstdeling) uitkeren aan bestuur en directie en geen eigen aandelen inkopen. Dit verbod geldt tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening wordt vastgesteld in 2021. Toekenning van bonussen aan overige werknemers is wel toegestaan.
  • Werkgevers die subsidie aanvragen voor de tweede periode van de NOW, krijgen een inspanningsverplichting om hun werknemers te stimuleren aan bij- en omscholing te gaan doen en moeten daarover een verklaring afleggen bij aanvraag van de subsidie.
  • De forfaitaire opslag voor werkgeverslasten wordt per 1 juni 2020 verhoogd naar 40% (was 30%).
  • Als in januari 2020 een dertiende maand is uitbetaald, neemt het UWV deze niet mee bij de berekening van de hoogte van de loonsom. Dit geldt ook als alleen onder de eerste periode van de NOW subsidie is aangevraagd.
  • Vanaf eind juni wordt de naam van de aanvrager van subsidie op de website van het UWV gepubliceerd.

De vaststelling van de subsidie over het eerste tijdvak (maart, april, mei) kan worden aangevraagd vanaf 7 september a.s., mits alleen voor dit tijdvak subsidie is aangevraagd. Is (ook) voor het tweede tijdvak subsidie aangevraagd, dan vindt de vaststelling per een nader bekend te maken datum plaats.

Accountantsverklaring

Werkgevers die een voorschot op de subsidie hebben ontvangen van € 100.000 of meer zijn verplicht een accountantsverklaring te verstrekken. Om te voorkomen dat een aanvrager een laag voorschot krijgt, maar bij de uiteindelijke vaststelling toch een subsidie ontvangt die (veel) hoger is dan € 125.000, wordt ook bij een vastgestelde subsidie van € 125.000 of meer een accountantsverklaring vereist. Werkgevers die een voorschot van minder dan € 100.000 hebben ontvangen, zullen zelf moeten inschatten of de definitieve subsidie op € 125.000 of meer zal worden vastgesteld, waardoor ook zij een accountantsverklaring nodig hebben. Om de berekening die daarvoor nodig is te kunnen maken, zal een online rekentool beschikbaar worden gesteld.

In situaties waarin geen accountantsverklaring vereist is, dient de werkgever met betrekking tot de omzet en de loonsom een zodanig controleerbare administratie te beheren dat achteraf gecontroleerd kan worden of een subsidie terecht is verstrekt. Dit wordt steekproefsgewijs gecontroleerd.

Is geen accountantsverklaring vereist, dan moet bij een verzoek om vaststelling van een subsidie met een voorschot boven de € 20.000 of een vaststellingsbedrag boven de € 25.000 een verklaring van een derde (bijvoorbeeld een administratiekantoor, financieel dienstverlener of branche-organisatie) overgelegd worden die de omzetdaling bevestigt.

Andere steunmaatregelen

Ook andere steunmaatregelen aan bedrijven en zelfstandigen worden verlengd, eveneens onder andere voorwaarden. Zo kunnen MKB-ondernemers tot 250 werknemers die direct getroffen zijn door de crisis (de sectoren uit de TOGS-regeling, waaronder sportscholen, horeca, evenementen en recreatie) in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de vaste lasten. Deze wordt verhoogd naar maximaal € 20.000.

De tegemoetkoming voor zelfstandigen (TOZO-regeling die loopt tot 31 mei) wordt eveneens met drie maanden verlengd. Hiervoor geldt bij de tweede tranche bijvoorbeeld wel een toets komen op het partnerinkomen maar niet op het vermogen.

Tot slot geldt er nog een aantal andere financieringsmaatregelen en fiscale steunmaatregelen. Een overzicht van en toelichting op bovenstaande maatregelen is terug te vinden in de Kamerbrief Noodpakket banen en economie 2.0 van 20 mei 2020.

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit:

Legaltree in het Advocatenblad: ‘Samen Zelfstandig’

De advocaten van Legaltree werkten al vóór corona online. Zelfstandig, en toch samen. Hoe maken zij het verschil?

De directie van Legaltree en een aantal partners gingen eerder deze maand in gesprek met het Advocatenblad voor de rubriek ‘Het Verschil’. Het werd een gesprek over vrijheid en flexibiliteit, maar ook over hoe alle partners zelfstandig maar toch samen het verschil maken. Het resultaat leest u in het meinummer (2020) van het Advocatenblad.

Lees het volledige artikel hier.

Auteur: Erik Jan Bolsius
Fotograaf: Sjoerd van der Hucht | My Eyes4U

Extra informatie over duurzaamheid beleggingen: vereisten voor fondsbeheerders

Zoals eerder aangekondigd treden op 10 maart 2021 extra regels over informatieverschaffing over duurzaamheid van beleggingen in werking op grond van de Europese Verordening 2019/2088 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (in het Engels: Sustainable Finance Disclure Regulation of SFDR). Hieronder worden de gevolgen van de SFDR voor fondsbeheerders besproken.

Fondsbeheerders

De SFDR is van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s). De SFDR is dus ook van toepassing op durfkapitaalfondsen, sociaalondernemerschapsfondsen en lange termijn beleggingsfondsen (hoewel die laatste niet worden genoemd in de lijst met financiëlemarktdeelnemers in de SFDR). Geldmarktfondsen vallen buiten het bereik van de SFDR. Dat is gezien de aard van deze fondsen niet zo vreemd.

Zoals al aangegeven is niet altijd duidelijk of de SFDR van toepassing is op bepaalde partijen omdat ‘materiële’ definities worden gebruikt. Zo is niet duidelijk of een ‘kleine’ beheerder van beleggingsinstellingen die op grond van artikel 2:66a Wft is uitgezonderd van nagenoeg alle Wft-regels, toch onder de SFDR valt. De SFDR lijkt dit voor te schrijven wat vreemd is omdat de extra transparantievereisten uit de SFDR slecht aansluiten bij het gebrek aan transparantieverplichtingen voor dergelijke ‘kleine’ beheerders van beleggingsinstellingen op grond van de Wft. Het is voorlopig afwachten of dit een vergissing blijkt te zijn.

Beheerders van beleggingsinstellingen van buiten de EU zonder vergunning vallen gewoon onder de SFDR als zij op grond van artikel 1:13b Wft in Nederland actief zijn. Zij moeten dan immers ook de prospectusplicht uit artikel 4:37l Wft naleven en dan is het logisch dat zij ook transparantie over duurzaamheid op grond van de SFDR verschaffen.

Extra verplichtingen

De vier hoofdverplichtingen uit de SFDR hebben betrekking op:

  1. Beleid: het beleggingsbeleid moet worden aangepast omdat daarin duurzaamheidsrisico’s moeten worden meegenomen; ook het beloningsbeleid moet worden aangepast.
  2. Website: informatie over het nieuwe beleid en het meewegen van duurzaamheidsrisico’s, inclusief uitleg hoe negatieve effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren worden meegenomen, of waarom dit niet gebeurt, moet op de website worden opgenomen, net als informatie over het nieuwe beloningsbeleid.
  3. Precontractuele informatie: in precontractuele informatie moet worden aangegeven hoe bij beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s, hoe dit invloed heeft op het verwachte rendement en hoe negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren worden meegenomen, of waarom dit niet gebeurt.
  4. Duurzame beleggingen: indien beleggingen als duurzaam worden aangemerkt moet extra voorgeschreven informatie over de duurzaamheid van deze beleggingen worden verschaft, om te voorkomen dat allerlei beleggingen zonder onderbouwing als ‘groen’ of ‘duurzaam’ worden aangeprezen (greenwashing).

Hieronder wordt verder besproken wat deze hoofdverplichtingen betekenen voor fondsbeheerders. Inmiddels is op Europees niveau ook een consultatie gestart over de uitwerking van de hoofdverplichtingen in gedetailleerde technische standaarden (regulatory technical standards of RTS). Die technische standaarden hebben met name betrekking op de vorm waarin informatie moet worden verstrekt (verplichte templates), verplichte onderdelen van die rapportage (indicatoren, eigenschappen uitgedrukt in marktwaarde, getallen of percentages) en nadere eisen voor duurzame beleggingen. Deze uitgebreide technische standaarden worden hier niet nader besproken.

Ter herinnering: duurzaamheidsbegrippen

Duurzaamheidsrisico’s zijn gebeurtenissen op ESG-gebied die een materieel negatief resultaat op beleggingen kunnen hebben. Denk aan de gevolgen van stijging van de temperatuur op aarde of van achterstelling van bepaalde groepen. Indien deze risico’s tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde beleggingen aanzienlijk minder waard kunnen worden, is er sprake van duurzaamheidsrisico’s. Duurzaamheidsfactoren zijn factoren op het gebied van ecologie, sociale zaken, werkgelegenheid, mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping. Dit begrip heeft dus een (nog) ruimer bereik dan duurzaamheidsrisico’s.

Wat te doen?

Beleggingsbeleid

Het beleggingsbeleid van fondsbeheerders moet in beginsel rekening houden met duurzaamheidsrisico’s. Dat betekent dat gebeurtenissen op ESG-gebied die een materieel negatief effect op de waarde van beleggingen kunnen veroorzaken, moeten meewegen bij beleggingsbeslissingen. Overigens is het zo dat hoewel de SFDR dwingend voorschrijft dat beleggingsbeleid duurzaamheidsrisico’s integreert, het strikt genomen mogelijk lijkt dat bij herziening van het beleggingsbeleid wordt geconcludeerd dat (bepaalde) duurzaamheidsrisico’s niet relevant zijn en derhalve niet zullen worden meegenomen. Denk aan verplichte risicoanalyses (zoals een SIRA) die dienen om relevante risico’s in kaart te brengen opdat kan worden bepaald in hoeverre bepaalde risico’s worden meegenomen. De vraag bij duurzaamheidsrisico’s is natuurlijk wel of er situaties denkbaar zijn waarin sprake is van beleggingsbeslissingen die in het geheel niet geraakt worden door duurzaamheidsrisico’s. Er zullen toch altijd bepaalde duurzaamheidsrisico’s moeten worden meegewogen.

Beloningsbeleid

Ook in het beloningsbeleid moeten duurzaamheidsrisico’s worden meegenomen. Hier lijkt niet echt een uitzondering te zijn voor het geval er geen sprake zou zijn van bepaalde duurzaamheidsrisico’s. Het beloningsbeleid moet dus altijd rekening houden met duurzaamheidsrisico’s en redelijkerwijs ook met duurzaamheidsfactoren. Dit is waarschijnlijk bij uitstek een onderdeel dat verwerkt wordt als niet-financieel criterium voor variabele beloning zoals bedoeld in artikel 1:118 lid 3 Wft als gevolg waarvan de variabele beloning mede wordt gebaseerd op prestaties op het gebied van duurzaamheidsfactoren.

Website

Het aangepaste beleggingsbeleid, of een beschrijving daarvan, moet worden gepubliceerd op de website. Tevens dient een verklaring over het due diligence-beleid met betrekking tot de in aanmerking genomen materieel negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren, te worden opgenomen. Deze verklaring dient in ieder geval betrekking te hebben op de vaststelling en prioriteit van de belangrijkste materieel negatieve effecten, de geplande maatregelen, eventueel shareholder engagement-beleid en verwijzing naar de naleving van internationaal erkende principes. Als gekozen wordt dergelijke effecten niet in aanmerking te nemen bij due diligence, dient dit in een verklaring te worden uitgelegd.

Voor ‘grote’ fondsbeheerders gelden extra eisen. ‘Groot’ in dit verband betekent dat de fondsbeheerder zelf, of tezamen met haar dochtermaatschappijen, ten minste 500 werknemers in dienst heeft. Dergelijke ‘grote’ fondsbeheerders dienen aanvullende verklaring over het due diligence-beleid op hun website te publiceren.

Daarnaast moet de website informatie over het aangepaste beloningsbeleid bevatten waarbij wordt uitgelegd hoe het beloningsbeleid duurzaamheidsrisico’s integreert. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat het hele beloningsbeleid op de website moet worden vermeld. Een verklarende beschrijving lijkt voldoende.

Precontractuele informatie

Precontractuele informatie voor beleggers moet worden aangepast. Daarin moet worden beschreven in hoeverre, en de wijze waarop, rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s bij beleggingsbeslissingen en welke effecten de duurzaamheidsrisico’s op het rendement zullen hebben. Ook hier bestaat de mogelijkheid om onderbouwd aan te geven dat (bepaalde) duurzaamheidsrisico niet relevant worden geacht. De precontractuele informatie dient onderdeel te zijn van het informatiememorandum of prospectus.

In aanvulling hierop dient voor elke beleggingsinstelling of icbe informatie te worden verschaft of, en zo ja hoe, de belangrijkste ongunstige effecten of duurzaamheidsfactoren in aanmerking worden genomen. Daarnaast moet een verklaring worden verstrekt dat (verdere) informatie over deze effecten beschikbaar is in het jaarverslag van de beleggingsinstelling of icbe. De laatste verplichting geldt echter pas vanaf 30 december 2022.

Duurzame beleggingen

Indien er sprake is van aanbieding van duurzame (of groene) beleggingen (en alleen dan), gelden nadere regels over duurzaamheid. Belangrijk is dat er hierdoor een betere onderbouwing komt in hoeverre een beleggingsinstelling of icbe duurzaam is. Daartoe moet bijvoorbeeld worden onderbouwd in hoeverre aan duurzame kenmerken wordt voldaan en of een gehanteerde index of benchmark daaraan bijdraagt. Bij gebrek aan een duurzame index of benchmark, moet worden uitgelegd hoe de duurzame doelen worden bereikt. Ook dienen de websites van de beheerders informatie te bevatten over de duurzame doelen en de methoden om deze te beoordelen, meten en monitoren. Tot slot dienen ook jaarverslagen de relevante informatie te bevatten. Deze laatste verplichting geldt echter pas vanaf 30 december 2022. Belangrijk is dat deze verplichtingen dus alleen gelden voor ‘duurzame’ (of ‘groene’) beleggingsinstellingen en icbe’s.

Wanneer moet dit gereed zijn?

De SFDR is van toepassing vanaf 10 maart 2021. Vanaf die datum moeten financiële ondernemingen aan de nieuwe regels voldoen, met uitzondering van de regels over precontractuele informatie op productniveau en informatie over duurzame beleggingen in jaarverslagen, die pas vanaf 30 december 2022 gelden. Het overgrote deel van de verplichtingen uit de SFDR treedt dus op 10 maart 2021 in werking en dat betekent dat fondsbeheerders nog tien maanden hebben om het nodige te doen om op tijd klaar te zijn.

Bij niet-naleving moet rekening worden gehouden met eventueel door de AFM op te leggen sancties. De SFDR bepaalt immers dat Nederland bevoegde autoriteiten aanwijst om toe te zien op naleving. Het ligt voor de hand dat dit de AFM zal zijn en dat de AFM in overeenstemming met het nog aan te passen Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, bijvoorbeeld boetes en dwangsommen kan opleggen bij overtreding.

NOW-regeling versoepeld voor concerns

In de Kamerbrief van 22 april jl. heeft Minister Koolmees een aantal aanvullende maatregelen bekend gemaakt. In deze nieuwsbrief gaan wij hierop kort in.

Toezeggingen Minister Koolmees

  1. Toepassing van NOW bij (buitenlandse) concerns: Voor concerns met minder dan 20% omzetverlies wordt het mogelijk gemaakt dat individuele werkmaatschappijen subsidie voor hun loonkosten aanvragen op basis van de omzetdaling van de betreffende werkmaatschappij. Aan deze mogelijkheid worden voorwaarden verbonden die wij in deze nieuwsbrief hieronder weergeven.
  2. Aanvullend vangnet voor flexwerkers: Het Kabinet verkent de mogelijkheden voor een vangnet voor flexwerkers (met name wanneer zij niet in aanmerking komen voor een uitkering).
  3. Seizoenswerk: Het Kabinet stelt vast dat het complex is om te komen tot een aparte (en uitvoerbare) regeling voor seizoenswerk en zoekt intensief naar een oplossing.
  4. Overwerk en premiedifferentiatie WAB: De bepaling dat voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt de hoge WW-premie moet worden afgedragen wordt voor 2020 voor alle werkgevers opgeschort. Aanleiding vormden de vele zorgverleners en andere werkgevers (zoals supermarkten) die personeel meer uren laten draaien vanwege Covid-19 en daarmee het risico lopen in het hoge WW-tarief te belanden.
  5. Werktijdverkorting en tewerkstellingsvergunningen: De Inspectie SZW zal tijdelijk niet handhaven in situaties waarin vanwege werktijdverkorting niet langer aan het salariscriterium in de kennismigrantenregeling wordt voldaan.

Toepassing NOW bij (buitenlandse) concerns

De NOW-regeling is een loonsubsidie aan ondernemingen die onder de huidige bijzondere omstandigheden te maken hebben met een omzetverlies van meer dan 20% in een periode van drie maanden. Met deze loonsubsidie dienen werkgevers de salarissen van hun werknemers in de maanden maart tot en met mei volledig door te betalen. Uitgangspunt in de regeling is dat bij een grotere samenstelling van rechtspersonen (of natuurlijke personen) de omzetdaling van de groep de basis is. Deze hoofdregeling blijft ongewijzigd.

Nieuwe afwijkingsmogelijkheid individuele werkmaatschappijen

Minister Koolmees heeft in de Kamerbrief laten weten dat individuele werkmaatschappijen van een concern subsidie voor hun loonkosten kunnen aanvragen op basis van de omzetdaling (van meer dan 20%) van de individuele werkmaatschappij (in plaats van op concernniveau) als voor het gehele concern sprake is van minder dan 20% omzetdaling. Voor concerns die een omzetdaling hebben van ten minste 20%, geldt de hoofdregeling. Om van de nieuwe afwijkingsmogelijkheid gebruik te kunnen maken, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

Voorwaarden

  1. De werkmaatschappij moet een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Onderdelen van rechtspersonen, zoals een vestiging of business unit, komen niet in aanmerking.
  2. De afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor personeels-B.V.’s. Concerns met een personeels-B.V. moeten uitgaan van omzetdaling op concernniveau.
  3. Concerns moeten verklaren over 2020 geen dividend of bonus uit te keren en geen eigen aandelen terug te kopen, tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening van 2020 wordt vastgesteld.
  4. Een werkmaatschappij met 20 of meer werknemers moet een akkoord sluiten met de (belanghebbende) vakbond(en) (of bij het ontbreken daarvan met een andere vertegenwoordiging van werknemers, zoals een ondernemingsraad) over werkbehoud. Bij werkmaatschappijen met minder dan 20 werknemers volstaat het akkoord van een vertegenwoordiging van werknemers.

Controlewaarborgen

Met het oog op het beperken van misbruik van de afwijkingsmogelijkheid gelden de volgende nader uit te werken waarborgen:

  1. Andere werkmaatschappijen binnen het concern mogen geen opdrachten of projecten uitvoeren die de subsidie vragende werkmaatschappij normaliter zou uitvoeren.
  2. Als werknemers van de subsidie vragende werkmaatschappij tijdens het subsidie-tijdvak activiteiten ondernemen bij een andere werkmaatschappij, dan dient omzet die hieruit voortvloeit bij de omzet van de subsidie vragende werkmaatschappij te worden opgeteld voor de berekening van de subsidie.
  3. Het Transferpricing systeem dat bij de jaarrekening 2019 (of laatst vastgestelde jaarrekening) is gebruikt, mag niet worden aangepast voor de meetperiode 2020.
  4. De ‘mutatie voorraden gereed product’ worden aan de omzet toegerekend. Bijvoorbeeld: een productie-B.V. produceert goederen en verkoopt deze normaal direct aan de verkoop-B.V. De productie-B.V. mag de goederen niet langer in voorraad houden om zo de omzet te drukken.

Inwerkingtreding

Deze aanvulling op de NOW-regeling zal op korte termijn worden gepubliceerd. Na publicatie kunnen werkmaatschappijen een aanvraag bij UWV indienen.

Hoe zat het ook alweer met ‘de hoofdregeling’ wat betreft concerns?

Mocht niet aan voornoemde voorwaarden worden voldaan, dan geldt de zogenoemde eerdere hoofdregeling. Deze hoofdregeling heeft zich in de afgelopen periode steeds verder ontwikkeld. Hieronder in het kort de stand van zaken.

Wat is een concern?

Voor de definitie van concern sluit de NOW-regeling aan bij art. 2:24b Burgerlijk Wetboek: ‘Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden’. Een belangrijk kenmerk hierbij is dat een groep een centrale leiding heeft. Ook een hiermee gelijkgestelde constructie, de moeder-dochtermaatschappij (van art. 2:24a BW) wordt voor de werking van de NOW-regeling behandeld als ware zij een groep. Hierbij valt ook te denken aan samenwerkingsverbanden. Zo kan een joint-venture een groep zijn als een van de partners overwegende zeggenschap heeft en als centrale leiding kan worden gekwalificeerd.

Buitenlandse rechtspersonen

De NOW geldt voor rechtspersonen (of natuurlijke personen) met werknemers die in Nederland sociaal verzekerd zijn (en dus bekend zijn bij de Belastingdienst en UWV). Rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn en werkgever zijn van in Nederland sociaal verzekerde werknemers kunnen dus ook een beroep doen op de NOW-regeling. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij in Nederland gedetacheerde werknemers maar ook bij in Nederland opgerichte branches van buitenlandse rechtspersonen.

Omzetdaling

Als een werkmaatschappij onderdeel uitmaakt van een groep, dan wordt voor de omzetdaling in beginsel uitgegaan van de omzetdaling van de gehele groep. Hiervoor is aanvankelijk gekozen om te voorkomen dat er geschoven wordt met omzet tussen de verschillende rechtspersonen. Er moet dus in principe sprake zijn van meer dan 20% omzetdaling voor de groep van ondernemingen als geheel. Buitenlandse ondernemingen worden hierin betrokken als sprake is van betaling van loon waarover sociale verzekeringen worden betaald in Nederland. Zie echter hierboven de recent tot stand gekomen voorwaardelijke afwijkingsmogelijkheid voor individuele werkmaatschappijen.

Loonsom

Voor de bepaling van de loonsom wordt niet aangesloten bij een concern-loonsom. De loonsom wordt per werkgever berekend en is bekend bij de Belastingdienst en UWV (het loon waarover sociale verzekeringen worden betaald). Voor een buitenlandse werkgever geldt dat – voor zover zij werknemers in dienst heeft die niet sociaal verzekerd zijn in Nederland – deze lonen niet meegeteld worden voor de berekening van de loonsom waarover subsidie wordt ontvangen.

Aanvrager van de subsidie

De werkgever is degene die de subsidie aanvraagt. Iedere vennootschap (iedere werkgever) moet dus apart subsidie aanvragen, waarbij geldt dat alle vennootschappen binnen een groep die de subsidie aanvragen hetzelfde percentage omzetdaling, en ook een zelfde periode voor de verwachte omzetdaling, moeten hanteren bij de aanvraag. Een subsidie-aanvraag dient per loonheffingennummer te worden ingediend. Als een werkgever meerdere loonheffingennummers heeft, zal de werkgever dus meerdere aanvragen moeten indienen als zij voor de hele loonsom subsidie aan wil vragen (immers per loonheffingennummer).

Tips voor in de praktijk

Het voorgaande geeft inzicht in toepassing van de NOW-regeling binnen een concern. De nieuwe afwijkingsmogelijkheid kan perspectief bieden voor werkgevers in een groep waarin slechts een bepaald onderdeel verlies lijdt.

Wij adviseren u echter niet alleen in zo’n geval, maar te allen tijde te overwegen of gebruikmaking van de NOW-regeling de juiste aanpak betreft of dat er (ook) andere kostenbesparende maatregelen zijn die getroffen kunnen worden. Ook voor werkgevers die op dit moment niet aan de eis van 20% omzetverlies voldoen of werkgevers die verwachten dat de loonsom zodanig daalt in de maanden maart, april en mei 2020 dat het niet loont om een subsidie aan te vragen, kan het wenselijk zijn om andere tijdelijke maatregelen te treffen, zoals:

  • Het maken van afspraken over het opnemen van vakantiedagen of ander verlof.
  • Het maken van afspraken over het uit- of afstellen van de betaling van (variabele) beloning en/of vakantiegeld.
  • Het stopzetten van een reis- en/of onkostenvergoeding.

Tot slot: is het (nog) lastig te bepalen of de omzetdaling over de meetperiode van drie maanden (die kan starten op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020) meer dan 20% zal zijn, dan kan het verstandig zijn om toch zekerheidshalve een aanvraag te doen (dat kan tot 31 mei 2020). Mocht uiteindelijk blijken dat de omzetdaling minder dan 20% was en er ten onrechte een voorschot is betaald, dan dient dit voorschot te worden terugbetaald, maar geldt er geen sanctie voor ‘het onterecht aanvragen van de subsidie’.

Aangezien we in de loop van komende maand pas weten of de NOW-regeling wordt verlengd na 31 mei 2020 en of alleen werkgevers voor die verlenging in aanmerking komen die voor de eerste NOW-periode een aanvraag hebben gedaan, kan het ‘better safe than sorry’ zijn. Het kan daarbij overigens verstandig zijn om nog even te wachten met het daadwerkelijk indienen van de aanvraag als (wanneer de omzetdaling niet aanzienlijk is) op een later moment beter bepaald kan worden over welke drie-maanden periode tussen 1 maart 2020 en 31 juli 2020 de omzetdaling het grootst zal zijn (en dus de subsidie het hoogst).

Heeft u vragen? Wij adviseren u graag

Ons Team Arbeidsrecht bestaat uit: