Berichten

Conclusie AG inzake Azevedo/CED C-558/15: verdere uitbreiding reikwijdte bevoegdheden van de schaderegelaar bij internationale verkeersongevallen

Bij internationale verkeersongevallen in Europa kan het slachtoffer ervoor kiezen om bij terugkeer in eigen land de vertegenwoordiger van de buitenlandse verzekeraar van de aansprakelijke partij te verzoeken om de schade te regelen.

In het geval een procedure gestart moet worden, kan het slachtoffer ervoor kiezen om in eigen land een procedure te starten tegen de buitenlandse verzekeraar. De dagvaarding kan hij betekenen op het kantoor van de vertegenwoordiger. Zie hiervoor ook het arrest van het Europese Hof van Justitie van 10 oktober 2013 (Spedition Welter/Avanssur C-306/12).

Aangenomen werd dat het niet mogelijk is om de vertegenwoordiger zelf in rechte te betrekken. Hier zou binnenkort wel eens verandering in kunnen komen.

Op 19 oktober 2016 heeft de Advocaat-Generaal bij het Europese Hof van Justitie in de zaak Azevedo/CED Portugal Unipessoal Lda e.a. C-558/15 een conclusie genomen. Daarin geeft hij aan van mening te zijn dat artikel 4 lid 5 van richtlijn 2000/26 (de Vierde Richtlijn Motorrijtuigenverzekering, ook wel: ‘de WAM richtlijn’) aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘voldoende bevoegdheden’ waarover de schaderegelaar moet beschikken, inhoudt dat de schaderegelaar in hoedanigheid van verweerder in rechte kan worden betrokken.

De casus was als volgt. Op 17 oktober 2007 vond een verkeersongeval plaats in Spanje waarbij een Portugees om het leven kwam en een andere gewond raakte. De personenauto waarmee het ongeval was veroorzaakt, was door de eigenaar verzekerd bij Helvetia Seguros, gevestigd in Spanje. De door Helvetia Seguros aangewezen vertegenwoordiger in Portugal is C.E.D. Portugal Unipessoal (CED).

Het slachtoffer en de nabestaanden van het overleden slachtoffer startten een gerechtelijke procedure in Portugal tegen CED en het Fundu de Garantie Automovel (FGA). De rechter heeft de vordering afgewezen omdat CED niet over passieve legitimatie beschikt. Met andere woorden: zij hadden de Spaanse verzekeraar in rechte moeten betrekken.

In hoger beroep stelt de rechter zich de vraag welke betekenis het begrip ‘voldoende bevoegdheid’ heeft, waarover de schaderegelaar moet beschikken in de zin van artikel 4 lid 5 van de WAM richtlijn . Ook vraagt de rechter zich af of de uitleg van dit begrip ook afhangt van concrete bedingen in de vertegenwoordigingsovereenkomst tussen de verzekeraar en de vertegenwoordiger. De rechter heeft hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Net als in de zaak van Spedition Welter/Avanssur stelt de Advocaat-Generaal dat bij bepaling van de reikwijdte van een artikel in de WAM richtlijn rekening gehouden moet worden met de bewoording, de context en de doelstellingen.

Doelstelling van de WAM richtlijn is geweest dat slachtoffers van ongevallen gemakkelijker stappen kunnen ondernemen en in staat zijn hun schadeclaim in te dienen in eigen taal en eigen land. Uit de considerans van de WAM richtlijn (punt 37) blijkt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat de schaderegelaars over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming ten aanzien van slachtoffers te vertegenwoordigen, ook voor nationale instanties, waaronder de rechter, voor zover dit niet in strijd is met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter.

Zijn analyse is onder andere dat de vertegenwoordiger over voldoende bevoegdheid moet beschikken om verzoeken van benadeelden volledig af te handelen. Ook geeft hij aan dat het dagvaarden van de vertegenwoordiger geen strijd zal opleveren met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter noch het toepasselijk recht. Bovendien blijft er altijd de mogelijkheid bestaan om de veroorzaker van het ongeval en/of diens verzekeraar rechtstreeks aan te spreken.

De Advocaat-Generaal is dan ook van mening “dat artikel 4 lid 5 van richtlijn 2000/26 aldus moet worden uitgelegd dat tot voldoende bevoegdheden waarover de schaderegelaar moet beschikken, de bevoegdheid behoort om in hoedanigheid van verweerder in rechter te worden betrokken, in het kader van een door benadeelden van verkeersongevallen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van richtlijn 2000/26 ingestelde rechtsvordering in de bij laatstgenoemde richtlijn vastgestelde omstandigheden waarbij de bepalingen van de overeenkomst tussen de verzekeringsovereenkomst en de schaderegelaar de bevoegdheid tot verdediging in rechte van laatstgenoemde niet kunnen aantasten.”

De verwachting is dat het Europese Hof van Justitie de conclusie van de Advocaat-Generaal zal volgen. In dat geval kan een slachtoffer bij een grensoverschrijdend verkeersongeval in Europa ervoor kiezen om ofwel de buitenlandse verzekeraar rechtstreeks aan te spreken dan wel de schaderegelaar in zijn eigen land. Bij een procedure kan hij er tevens voor kiezen om in eigen land te gaan procederen tegen de schaderegelaar of tegen de verzekeraar waarbij de dagvaarding op het kantoor van de schaderegelaar betekend kan worden.

Dit betekent dat de bevoegdheden van de vertegenwoordigers in dat geval nog verder worden uitgebreid.

Vertegenwoordigers van buitenlandse verzekeraars zullen hiermee rekening moeten houden en de overeenkomsten met de verzekeraars wellicht op punten moeten wijzigen zodat zij hun taak als partij in rechte goed kunnen uitoefenen.

Rome II en overlijdensschade. Uitleg van het begrip schade.

Bij grensoverschrijdende overlijdensschade kan het voorkomen dat nabestaanden in verschillende landen, anders dan het land waar het ongeval plaatsvond, schade lijden. De vraag doet zich in zo’n geval voor welk recht op de vordering van toepassing is. Moet deze schade als directe schade beschouwd worden of moet het worden aangemerkt als indirect gevolg van het ongeval, zelfs indien de schadevergoedingsvordering als een iure proprio (een eigen recht) wordt aangemerkt?

Deze vraag werd recentelijk voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU (verder: HvJEU) in de zaak Florin Lazar/Allianz SpA C-350/14.

De dochter van Florin Lazar, een Roemeens staatsburger, was overleden als gevolg van een verkeersongeval in Italië met een niet geïdentificeerd voertuig.  Zij woonde ten tijde van het ongeval in Italië evenals haar moeder en grootmoeder.

Vader Florin Lazer dagvaardt verzekeringsmaatschappij Allianz SpA in haar hoedanigheid van door het garantiefonds voor verkeersslachtoffers aangewezen vennootschap. Moeder en grootmoeder interveniëren in het geding en vorderen eveneens vergoeding van de door hen geleden materiële en immateriële schade. Op de vordering van moeder en grootmoeder is Italiaans recht van toepassing. De vraag die aan het HvJEU wordt voorgelegd is of op de vordering van Florin Lazar Roemeens recht van toepassing is.

Uit overwegingen 16 en 17 van de Rome II verordening volgt dat bij bepaling van het toepasselijk recht aanknoping gezocht wordt met het land van de plaats waar de directe schade zich heeft gedaan. (de ‘lex loci damni’). Het toepasselijk recht moet worden bepaald volgens de plaats waar de schade zich voordoet, ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Bij letsel- en materieel schade moet het land waar die schade is opgelopen gelden als het land waar de schade zich voordoet.

De uitzondering op de regels zijn gegeven in artikel 4 lid 2 en 3. Ingeval degene wiens aansprakelijkheid in het geding is en degene die de schade lijdt beiden hun gewone verblijfplaats hebben in hetzelfde land op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing. Verder kan het recht van een ander land van toepassing zijn indien hiermee een kennelijk nauwere band bestaat.

Artikel 15 onder c en f bepalen dat het recht dat van toepassing is het bestaan, de aard en de begroting van de schade regelt alsook bepaalt wie er recht heeft op vergoeding van persoonlijk geleden schade.

Het HvJEU overweegt dat uit overweging 17 van Rome II volgt dat wanneer het intreden van directe schade kan worden vastgesteld, de plaats waar deze directe schade zich heeft voorgedaan het relevante aanknopingspunt zal zijn voor het bepalen welk recht van toepassing is. Dit ongeacht de indirecte gevolgen van het ongeval.

In dit geval bestaat de directe schade uit het letsel van de dochter als gevolg waarvan zij is overleden. Deze schade heeft zich in Italië voorgedaan. De schade die vervolgens door de familieleden is geleden moet worden beschouwd als indirect gevolg van het ongeval. Dit betekent dat hierop derhalve dus ook ten aanzien van Florin Lazar Italiaans recht van toepassing is.

Het HvJEU overweegt dat deze uitleg ook strookt met artikel 15 onder f. Hierin wordt immers bepaald dat het toepasselijk recht bepaalt wie schade kunnen vorderen. Het draagt voorts bij tot het verwezenlijken van de doelstelling om te zorgen voor voorspelbaarheid en uniformiteit. Het HvJEU overweegt daarbij dat hiermee ook voorkomen wordt dat de onrechtmatige daad wordt ontleed in verschillende delen die aan verschillend recht onderworpen zijn naargelang de plaats waar andere personen dan het directe slachtoffer schade lijden.

Het HvJEU verklaart dan ook voor recht: dat voor het bepalen van het recht dat van toepassing is op een niet-contractuele verbintenis voortvloeiend uit een verkeersongeval, artikel 4 lid 1 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat schade in verband met overlijden van een persoon bij een verkeersongeval dat zich in de forumstaat heeft voorgedaan, die wordt geleden door de in een andere lidstaat wonende familieleden van die persoon als “indirecte gevolgen” van dat ongeval in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt.

Alhoewel het HvJEU verwijst naar verkeersongevallen zal, gezien de uniformiteit die wordt nagestreefd, dit ook van toepassing zijn op andere overlijdensschade zaken waarop artikel 4 Rome II van toepassing is en waarbij de directe schade kan worden vastgesteld. Bovendien zal deze uitleg van het begrip schade in verband met overlijden ook van toepassing zijn bij vaststelling van de bevoegde rechter op grond van artikel 7 lid 2 Herschikking EEX-Verordening.   

Voor de Nederlandse praktijk is de uitspraak voor wat betreft bepaling van het toepasselijk recht bij grensoverschrijdende verkeersongevallen minder relevant wanneer het Haags Verkeersongevallenverdrag van toepassing is. In die zaken wordt immers aan de hand van de regels van het Haags Verkeersongevallenverdrag bepaald welk recht van toepassing is. Voor andere grensoverschrijdende overlijdensschade waarop artikel 4 Rome II van toepassing is, is dat echter wel het geval.