Legaltree co-founder Ard van der Steur appointed Minister of Security and Justice

Ard van der Steur, co-founder of Dutch law firm Legaltree, has been appointed Minister of Security and Justice in the Netherlands. Established in 2008, Legaltree is the first law firm in the Netherlands to fully integrate new workplace strategies into its organisational model. Combined with a strong emphasis on personal contact with the client, Legaltree’s unique structure allows lawyers the freedom to excel. The company motto is Quality is Personal.

Co-founder Sander Oorthuys: Ard has played a significant role in the formation of this innovative company. We are proud that he has been entrusted with the post of Minister of Security and Justice. He’s an excellent lawyer, hard-working, a fine colleague with a warm personality who, with his insight, has not only helped many clients and innovated modern law office methods, but also during his term in Parliament, has challenged the legal profession to improve quality standards. We wish him every success in his new role.

About Legaltree

Founded in 2008, Legaltree is the first law firm in the Netherlands to fully integrate new workplace strategies into its organisational model. Combined with a strong emphasis on personal contact with the client, Legaltree’s unique structure allows lawyers the freedom to excel. The company motto is Quality is Personal.

Legaltree only works with senior lawyers with a minimum of ten years’ experience. Legaltree guarantees their clients exclusive attention at senior level and aims to deliver highest satisfaction rates within the legal profession. With more than 20 lawyers working both individually and as a team they provide tailor-made solutions for national and international clients.

Medeoprichter Legaltree Ard van der Steur benoemd tot minister van Veiligheid en Justitie

Ard van der Steur, een van de oprichters van het Leidse advocatenkantoor Legaltree, wordt vandaag benoemd tot minister van Veiligheid en Justitie. Advocatenkantoor Legaltree heeft in 2008 als eerste advocatenkantoor in Nederland het nieuwe werken volledig in zijn organisatiemodel doorgevoerd. Legaltree heeft een unieke organisatiestructuur en -cultuur, waarin de vrijheid om te excelleren voor de advocaten en persoonlijk contact met de cliënten centraal staan.

Medeoprichter Sander Oorthuys: “Ard heeft in belangrijke mate vorm gegeven aan ons innovatieve advocatenkantoor. Het vervult ons met grote trots dat hem de zware taak van het ministerschap wordt toevertrouwd. Wij kennen Ard als een uitstekend en hardwerkend advocaat en, bovenal, een heel plezierige collega en warme persoonlijkheid. Met zijn scherpzinnige geest heeft hij niet alleen veel cliënten geholpen en ons advocatenkantoor op vernieuwende leest geschoeid, ook heeft hij, in zijn periode in de Tweede Kamer, de beroepsgroep stevig uitgedaagd om verder te werken aan kwaliteitsverbetering. We wensen hem veel succes en wijsheid bij de vervulling van zijn nieuwe belangrijke taak.”

Over Legaltree

Advocatenkantoor Legaltree uit Leiden heeft de juridische dienstverlening op innovatieve wijze opnieuw vormgegeven. Legaltree heeft vanaf de oprichting in 2008 een unieke organisatiestructuur en -cultuur, waarin de vrijheid om te excelleren voor de advocaten en persoonlijk contact met de cliënten centraal staan. Legaltree werkt onder het motto ‘Quality is personal’.

Legaltree bestaat exclusief uit advocaten met minimaal 10 jaar ervaring. Legaltree garandeert cliënten 100% aandacht op partnerniveau en verzekert een uitstekende kwaliteit van dienstverlening. Legaltree streeft naar de hoogste klanttevredenheid in Nederland. Legaltree wordt gevormd door ruim 20 partners die – individueel en als team – maatwerk leveren aan nationale en internationale cliënten.

Heksenkaas vs. Magic Cheese: over smaak valt niet te twisten?

Bij een auteursrechtelijk conflict zullen de meeste mensen in de eerste plaats denken aan een geschil over een foto, tekst of bijvoorbeeld design kleding, maar in ieder geval niet aan smaak. Want: over smaak valt niet te twisten.

Dat is verleden tijd.

Levola, een bedrijf dat in het oosten van het land is gevestigd en bijvoorbeeld yoghurt in van die gezellige boeren emmertjes produceert, brengt sinds een paar jaar het succesvolle product ‘Heksenkaas’ op de markt, bijvoorbeeld via Albert Heijn. Levola heeft het product, dat gebruikt wordt als dipsaus, broodbeleg alsook smaakversterker in warme gerechten, niet zelf ontwikkeld. Het creatieve brein achter de Heksenkaas is ene meneer Voerman. Hij heeft ‘de rechten’ op Heksenkaas aan Levola overgedragen. Die rechten omvatten het auteursrecht op ‘de smaakzintuiglijke kenmerken’. Oftewel, in gewone mensentaal: ‘de smaak’.

En dat is precies waar nu een zaak over speelt.

Er is namelijk nog een producent van een ‘smeerdip’, de naam die Levola voor de Heksenkaas heeft verzonnen zodat iedereen weet waar Heksenkaas – de merknaam – voor staat. Dat is European Food Company, kortweg: EFC. EFC brengt het product ‘Magic Cheese’ op de markt. Levola is daar niet blij mee. De namen Magic Cheese en Heksenkaas lijken niet op elkaar. Maar wat wel lijkt is de smaak van de Magic Cheese smeerdip. Die blijkt één-op-één te zijn nagebootst!

Levola vraagt EFC vriendelijk de Magic Cheese dip van de markt te halen, maar krijgt nul op rekest. Voor Levola reden om de rechter om toestemming te vragen op allerlei correspondentie, testrapporten en andere documenten die verband houden met (de ontwikkeling van) Magic Cheese beslag te mogen leggen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het is namelijk niet eerder voorgekomen dat een bedrijf een beroep doet op het auteursrecht op een smaak (het gaat dus niet om de receptuur, maar om de – subjectief – waar te nemen smaakzintuiglijke kenmerken van een product). Omdat een geur auteursrechtelijk beschermd kan zijn (zie de uitspraak van de Hoge Raad uit 2006 over het auteursrecht op de geur van parfum), “is voorshands aannemelijk dat er auteursrecht op een smaak kan rusten en dat (de smaak van) het product van verzoekster [Levola] voldoet aan de vereisten voor auteursrechtelijke bescherming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat er inbreuk op haar recht is gemaakt (…).” aldus de kortgedingrechter in Den Haag.

Een smaak kan dus auteursrechtelijk beschermd zijn en EFC maakt (naar het voorlopig oordeel van de rechter) inbreuk op de auteursrechten op de smaak van Heksenkaas.

De vraag is natuurlijk hoe de rechter tot dit oordeel is gekomen? Precies: door de producten te proeven. Over smaak valt dus te twisten!

Niet meetellen van voor het 18e jaar vervulde studietijdvakken bij de berekening van pensioenrechten. Objectieve rechtvaardiging.

JAR. Aflevering 3 – 28 feb 2015 – Jaargang 24

Lees het artikel

Vergeet mij toch maar liever wel

Het “Google arrest” van het Europese Hof van Justitie (Hof van Justitie EU 13 mei 2014, zaaknummer C-131/12) deed vorig jaar veel stof opwaaien. Doordat het Hof van Justitie vaststelde dat het “recht om vergeten te worden” ook geldt voor zoekmachines was de angst dat de informatievrijheid in het geding zou komen en er “internetcensuur” zou ontstaan.

Container kwestie

Dat Google niet alle resultaten “censureert” blijkt onder meer uit een recent vonnis van de rechtbank Amsterdam. Het ging in dit geval over een partner van accountantskantoor KPMG dat een geschil had met zijn aannemer die zijn woonhuis had verbouwd. De partner had een rekening van 200.000 euro niet betaald omdat hij ontevreden was over het schilderwerk. Vervolgens verving de aannemer de sloten van het huis waardoor de partner en zijn gezin langere tijd in “containers” bij het huis moesten wonen.

De Telegraaf pikte het geschil op en vervolgens werd dit min of meer breed uitgemeten in een aantal andere (landelijke) media. Natuurlijk kwamen daardoor allerlei artikelen naar voren in de Google resultaten als de naam van de man werd ingetoetst. De man vroeg daarom om de links naar de artikelen te verwijderen. De man stelde bij de rechter dat het geschil twee en half jaar oud was, dat zijn gezin regelmatig met de kwestie werd geconfronteerd en dat het slecht was voor zijn professionele profiel en carrière.

De rechter gaat hier niet in mee.

Relevantie zoekresultaten

Opvallend is dan dat de rechter zegt dat het bij de toepassing van het zogenoemde ‘verwijderingsrecht’ vooral gaat om de relevantie van de gevonden zoekresultaten, en niet zozeer om de vraag of de inhoud van (in dit geval) de gevonden artikelen zelf ontoereikend, irrelevant of bovenmatig is. Als de man wilde dat de artikelen werden verwijderd dan had hij dat moeten verzoeken op grond van onrechtmatige perspublicatie want het verwijderingsrecht is niet bedoeld om onwegevallige maar niet onrechtmatige artikelen aan het zich van het publiek te onttrekken, aldus de rechter.

Dit is volgens mij in strijd met het oordeel van het Hof van Justitie dat het recht op verwijdering ook bestaat als de artikelen zelf rechtmatig zijn (r.o. 88 arrest). Het Hof zei dit omdat de media zich vaak kunnen beroepen op een wettelijke uitzondering voor het verwerken van persoonsgegevens. Zoekmachines kunnen dat dus juist niet want zij bedrijven geen journalistiek.

Daarnaast: als de inhoud van de artikelen niet relevant is bij de beoordeling of de resultaten relevant zijn, hoe kan dan worden beoordeeld of die resultaten nog relevant zijn? Dat lijkt mij niet juist.

Google en rechter: te grote nieuwswaarde om te verwijderen

Vervolgens gaat de rechter wel ín op de inhoud van de artikelen. Google heeft allerlei redenen aangevoerd waarom de artikelen nieuwswaarde hebben en de resultaten niet zouden moeten worden aangepast. Zij zegt onder andere dat de artikelen verband houden met de discussie over de financiële moraal van topmannen uit het bedrijfsleven, waartoe eiser kan worden gerekend als partner bij KPMG – er staat alleen niet vast dat deze partner ook betrokken was bij de KPMG fraude. En omdat de artikelen zijn verschenen in diverse nationale media vond Google dat het kennelijk zo veel nieuwswaarde had dat de resultaten niet moesten worden verwijderd. Ook zegt Google dat de artikelen nog relevant zijn omdat ze stammen uit de periode 2012-2014. Terzijde: er is volgens mij niet veel nieuwswaarde nodig om in de Telegraaf te worden genoemd en de artikelen hebben meer weg van leedvermaak dan daadwerkelijke nieuwswaarde.

De rechter volgt de argumenten van Google en zegt dat, hoewel het goed voorstelbaar is dat eiser het onprettig vindt om steeds door kennissen of zakelijke contacten te worden geconfronteerd met de ‘container-kwestie’, dit niet opweegt tegen “het recht van Google op informatievrijheid”. Daarbij speelt voor de rechter een rol dat niet valt in te zien dat de genoemde artikelen, zoals de man stelt, onnodig diffamerend zijn voor hem. Dat hij een geschil had met een aannemer, zoals de verschillende media berichten, zegt niets over zijn verwijtbaarheid. Ook valt niet in te zien dat het feit dat de man langer dan nodig in een noodwoning met containers heeft moeten wonen diffamerend is voor hem, “hij woonde daar immers al maanden”.

Doorstaat het oordeel de toets van het Google arrest?

Hoewel het oordeel van de rechter niet verrassend is, mede gezien de storm van kritiek na het Google arrest omdat het internet gecensureerd zou worden maar ook wel door de manier waarop de KPMG-partner in de media neer wordt gezet (als een “rode bretels drager” die veel geld uit geeft), denk ik niet dat het in dit geval de toets van het Google-arrest van het Hof van Justitie zal doorstaan.

Wat vooral opvallend is, is dat de rechter de volgende algemene overweging maakt, die ook al eerder in een uitspraak van de Amsterdamse rechter terugkwam:

“Allereerst wordt overwogen dat terughoudendheid is geboden bij het opleggen van beperkingen aan de werking van een zoekmachine als Google Search. Zoekmachines als Google Search vervullen immers een belangrijke maatschappelijke functie. De functie van catalogus, die de zoekmachine in feite is, zou ernstig worden belemmerd indien strenge beperkingen aan de werking ervan zou worden opgelegd en daarmee zou de zoekmachine aan geloofwaardigheid inboeten. Het ‘verwijderingsrecht’is een uitzondering op het algemene uitgangspunt op het recht van Google Inc op informatievrijheid, waaraan strenge eisen worden gesteld.”

Dit staat volgens mij lijnrecht tegenover de interpretatie die het Hof van Justitie in het Google arrest aan de afweging van de belangen geeft.

Het Hof stelde daarin eerst vast dat Google zoekresultaten de persoonlijke levenssfeer ernstig kunnen aantasten omdat daardoor op eenvoudige wijze wereldwijd een min of meer gedetailleerd profiel van een persoon kan worden verkregen. Dit wordt nog versterkt door de rol die zoekmachines spelen in de moderne maatschappij. Gelet op de potentiële ernst van de inmenging moet worden vastgesteld dat zij niet kan worden gerechtvaardigd door louter het economisch belang dat de exploitant van een dergelijke zoekmachine bij deze verwerking heeft.

Maar, omdat de verwijdering van de koppelingen uit de resultatenlijst, naargelang van de betrokken informatie, gevolgen kan hebben voor het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die potentieel toegang daartoe willen krijgen (het Hof van Justitie zegt hier niet het “grondrecht” op “informatievrijheid” van internetgebruikers of van Google), moet worden gezocht naar een juist evenwicht tussen dat belang en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Van belang is dat het Hof vervolgens vaststelt dat in de regel het recht op eerbiediging van de levenssfeer voorrang heeft boven de belangen van internetgebruikers en in bijzondere gevallen daar een uitzondering voor kan worden gemaakt. Of dat het geval is zal afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.

Het uitgangspunt is dus eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en daarop kan een uitzondering op worden gemaakt in het belang van het publiek op toegang tot de informatie. De rechtbank draait dit dus om en zegt dat “het recht van Google op informatievrijheid” als uitgangspunt geldt waar bovendien “strenge eisen” aan worden gesteld (niet duidelijk is wat die eisen dan zijn) en – in feite – de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als uitzondering geldt.

Persoonlijke mening

Als je in dit geval de impact bekijkt op de privé-sfeer van de KPMG-partner en van zijn familie en op zijn professionele leven: het gaat om een privé-geschil dat niet relevant is voor zijn professionele leven, het is min of meer toevallig dat er in die periode een affaire was rond het kantoor waar hij partner is (maar waar hij kennelijk niet betrokken bij was) en het is inderdaad niet bepaald bevordelijk voor je professionele profiel als dit soort artikelen naar voren komen wanneer klanten je naam intoetsen – dan lijkt mij die impact vele malen groter dan het belang van het publiek om iets te weten over een eigenlijk oninteressante privékwestie van een KPMG partner, dat al twee en half jaar eerder is opgelost. Bovendien kunnen mensen die wel geïnteresseerd zijn in de kwestie de artikelen via Google vinden met zoekwoorden als “KPMG-partner” en “container” (probeer het maar eens) dus de informatievrijheid komt daardoor naar mijn mening niet in het geding.

Annotatie RvA 12 december 2014 nr. 71.875

Te lezen in (beëindigingsgronden aannemingsovereenkomst) In Bouwrecht afl. 3 – maart 2015.