Berichten

Deel 3: Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

deel 3

De Spoedwet KEI[1] introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland golden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In een serie blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit deel (deel 3) sta ik stil bij de mogelijkheid van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. 

Zie ook:

Inleiding: de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling

Met het nieuwe procesrecht in de Spoedwet KEI wordt beoogd de mogelijkheden van de mondelinge behandeling te verruimen. De bepalingen die hierop betrekking hebben zijn rechtstreeks overgenomen uit KEI Rv[2], zoals dat voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gold. In onderstaande infographic zijn deze verruimingsmogelijkheden van de mondelinge behandeling samengevat weergegeven (zie voor een verdere toelichting Deel 1).

Eén van de verruimingsmaatregelen betreft de mogelijkheid om getuigen en partijdeskundigen tijdens de mondelinge behandeling te horen. Zie artikel 87 lid 3 Rv:

  1. Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. (…)

In dit blog bespreek ik de implicaties van het horen van getuigen (en partijdeskundigen) tijdens de mondelinge behandeling.[3]

Horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling

De wetgever ziet louter (efficiency) voordelen in het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. Er is geen afzonderlijke zitting nodig om getuigen te horen; de getuige kan ter plekke een aanvulling geven op hetgeen een van partijen stelt, of vragen van de rechter beantwoorden.[4] Op die manier kan efficiënter worden omgegaan met de tijd van partijen, hun advocaten en de rechter, aldus de wetgever.[5]

Kanttekeningen

Op papier is er slechts één drempel voor het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling: partijen hebben voorafgaande toestemming van de rechter nodig. De praktijk lijkt evenwel weerbarstiger. Samen met diverse auteurs meen ik dat er kritische kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij deze verruimingsmogelijkheid.

Voorafgaande toestemming

Het verzoek om getuigen tijdens de mondelinge behandeling te mogen horen dient gemotiveerd te zijn en de rechter beslist daar zo spoedig mogelijk op na de reactie van de wederpartij, aldus de strekking van artikel 4.10 van het nieuwe Procesreglement[6]. Over de gronden waarop de rechter de toestemming kan weigeren, vermeldt het Procesreglement niets. Ook elders zijn de weigeringsgronden niet vastgelegd. Volgens de wetgever is de voorafgaande toestemming bedoeld om te voorkomen dat de mondelinge behandeling wordt verstoord doordat partijen grote aantallen getuigen meenemen.[7] Niet uitgesloten lijkt mij echter dat de rechter ook op andere gronden, bijvoorbeeld wegens de complexiteit van de zaak, toestemming kan weigeren. De weigeringsronden zijn dus niet uitgekristalliseerd. Dit heeft ook tot gevolg dat het voor partijen onduidelijk is of en zo ja, op welke wijze zij invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van de rechter om het horen van getuigen wel of niet toe te stemmen.[8]

Beslissing over horen getuigen ter zitting

Als een partij toestemming heeft gekregen om getuigen te doen horen tijdens de mondelinge behandeling, dan is dat geen garantie dat de getuigen ook daadwerkelijk zullen worden gehoord. Het staat de rechter vrij om het van de mondelinge behandeling te laten afhangen of hij de getuigen ook daadwerkelijk wil horen.[9] De rechter beslist daarover pas tijdens de mondelinge behandeling.

Als de rechter, om welke reden dan ook, afziet van het horen van getuigen die naar de mondelinge behandeling zijn meegenomen, dan brengt dat voor partijen teleurstelling en onnodige kosten met zich. Om aan te sluiten bij de woorden van Hofhuis: het draagt niet bepaald bij aan de klantvriendelijkheid.[10]

 Geen bewijsopdracht

Volgens de wetgever is een bewijsopdracht voorafgaand aan het getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling niet nodig. [11] Een dergelijke praktische insteek van de wetgever is begrijpelijk. Een bewijsopdracht voorafgaand aan de mondelinge behandeling zou in de praktijk niet werkbaar zijn.  Toch kan het ontbreken van een bewijsopdracht onwenselijke implicaties hebben.

De belangrijkste daarvan is mijns inziens dat de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord van tevoren niet afgebakend zijn. Dit werkt langere en mogelijk onnodige getuigenverhoren in de hand. Achteraf kan immers blijken dat de tijdens de getuigenverhoren besproken onderwerpen irrelevant zijn, omdat zij niet dragend zijn voor de beslissing.[12] Daarmee wordt de door de wetgever beoogde efficiëntie ondermijnd.

Contra-enquête

Omdat de wederpartij niet altijd zal kunnen inschatten welke getuigen over welke onderwerpen zullen worden gehoord, bemoeilijkt dit de voorbereiding. De wederpartij heeft recht op een contra-enquête. Maar het anticiperen op die contra-enquête en wie waarover als getuige in contra-enquête zou moeten worden gehoord, zal bij het ontbreken van een afgebakende bewijsopdracht in veel gevallen  bijzonder lastig zijn. Het praktische gevolg zal dan zijn dat er alsnog een extra zitting moet worden gepland voor de contra-enquête. Een contra-enquête die bovendien achteraf eveneens onnodig kan blijken te zijn geweest. Dubbele inefficiëntie aldus.

 Schriftelijke verklaringen

In de huidige praktijk komt het regelmatig voor dat partijen schriftelijke verklaringen van getuigen overleggen. Mijn ervaring is dat de rechter een schriftelijke verklaring veelal meeweegt in zijn beoordeling. Het is eerder uitzondering dan regel dat de rechter naar aanleiding van een schriftelijke verklaring een nader getuigenverhoor noodzakelijk acht. Sterker, mijn indruk is dat in veel gevallen schriftelijke getuigenverklaringen een getuigenverhoor kunnen voorkomen.

De schriftelijke verklaring heeft zijn praktische nut als efficiënt bewijsmiddel inmiddels wel bewezen. Het is evenwel de vraag of de rechter nu anders tegen schriftelijke verklaringen gaat aankijken. De gedachte zou kunnen zijn dat met de – in ieder geval op het eerste gezicht – laagdrempelige mogelijkheid om getuigen mee te nemen naar de zitting een partij niet meer kan volstaan met (alleen) schriftelijke verklaringen. De rechter zou het een partij kunnen tegenwerpen als een schriftelijke verklaring niet wordt gestaafd met een mondelinge getuigenverklaring tijdens de mondelinge behandeling (althans een verzoek daartoe). Een getuigenverhoor, hoewel tijdrovend en daarmee inefficiënt, heeft immers als voordeel dat de rechter en partijen vragen aan de getuige kunnen stellen en zich mogelijk een beter oordeel kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de getuige.

Ik pleit ervoor om de schriftelijke verklaring niet in de ban te doen, maar voor maatwerk te kiezen. Daarbij kan de rechter van geval tot geval beoordelen of een (nader) getuigenverhoor de voorkeur verdient (naast of) boven een schriftelijke verklaring.

Conclusie: beperkte toegevoegde waarde

Heeft een getuigenverhoor tijdens de mondelinge behandeling toegevoegde waarde? Naar mijn mening slechts in beperkte mate. Natuurlijk zullen er zaken zijn waar het nuttig kan zijn om alvast tijdens de mondelinge behandeling getuigen te horen. Ik denk dan aan relatief eenvoudige zaken met een overzichtelijk feitencomplex, waarin de onderwerpen waarover de getuigen kunnen verklaren overzichtelijk en afgebakend zijn. Immers, alleen als de getuigenverhoren zowel in aantal als in tijd kunnen worden beperkt zal het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling praktisch uitvoerbaar en efficiënt zijn. Ik teken daarbij wel aan dat dit doorgaans ook zaken betreft waarin een schriftelijke verklaring afdoende kan zijn, zodat zelfs in die zaken vraagtekens kunnen worden gezet bij de toegevoegde waarde van het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling. In alle andere gevallen stuit het horen van getuigen tijdens de mondelinge behandeling mijns inziens hoe dan ook tegen te veel praktische en inhoudelijke bezwaren.

[1] Stb. 2019, 241. Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht.

[2] Hiermee wordt bedoeld het procesrecht zoals dat tot 1 oktober 2019 in de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland gold.

[3] In dit blog zal ik verder over “getuigen” spreken, maar daarvoor in de plaats (of daarnaast) kan ook steeds “partijdeskundigen” worden gelezen.

[4] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 23.

[5] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[6] Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken, versie 1 oktober 2019.

[7] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[8] Zie ook: Advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht, pag. 13.

[9] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 72.

[10] H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13.

[11] TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[12] Vgl. ook: H.F.M. Hofhuis, “Vernieuwing van het civiele proces (De regie van de rechter en de versnelling van de procedure: enkele observaties uit de praktijk)”, TREMA 2015, p. 13 en K. Teuben & K.J.O.  Jansen, “Het Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht: kanttekeningen vanuit de procespraktijk”, TCR 2015/02,  p. 8

Deel 2: Afschaffing van het recht op pleidooi

Afschaffing van het recht op pleidooi

Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

deel 2

Op dit moment zijn in Nederland twee procesrechtelijke regimes in civiele zaken van toepassing, afhankelijk van bij welke rechtbank wordt geprocedeerd. Wetsvoorstel 35 175[1] [2] maakt hier een einde aan en introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die op dit moment alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gelden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In een serie blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit deel (deel 2) sta ik stil bij de afschaffing van het recht op pleidooi.

 Zie ook:

Inleiding: de mondelinge behandeling onder het nieuwe procesrecht

Conform KEI Rv[3] zoals dat op dit moment nog voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland geldt, is de mondelinge behandeling een verplichte en centrale stap in de procedure. Opvallend genoeg is die verplichting niet in het nieuwe procesrecht (NRv)[4] doorgevoerd. De rechter kan, op verzoek van (een van de) partijen of ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling bevelen, aldus artikel 87 lid 1 NRv. Het gaat dus – net als in het huidige procesrecht (Rv)[5] – om een bevoegdheid, en niet om een verplichting van de rechter. In de praktijk is het echter nu al regel dat in civiele dagvaardingszaken een comparitie van partijen wordt gehouden. Onder het nieuwe procesrecht zal die praktijk zich ongetwijfeld, en waarschijnlijk zelfs in sterkere mate, voortzetten voor de mondelinge behandeling.

Wat in het nieuwe procesrecht (in artikel 87 lid 2 NRv) wel één op één is overgenomen uit KEI Rv, zijn de bepalingen inzake de verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling, zoals weergegeven in onderstaande infographic. Voor een toelichting verwijs ik naar Deel 1. In dit blog zoom ik in op de in de infographic met geel aangeduide bepalingen over de mondelinge toelichting tijdens de mondelinge behandeling. Deze bepalingen hangen rechtstreeks samen met de – eveneens uit KEI Rv afkomstige – afschaffing van het recht van pleidooi.

Het recht op mondelinge toelichting in plaats van het recht op pleidooi

Uitgangspunt voor de mondelinge behandeling is dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten (artikel 87 lid 2 aanhef NRv). Daarnaast kan de rechter partijen gelegenheid geven hun stellingen tijdens de mondelinge behandeling nader te onderbouwen (artikel 87 lid 2 sub b NRv). Met andere woorden, partijen hebben het recht op een mondelinge toelichting. Dat recht heeft echter wel een prijs: het recht op pleidooi komt erdoor te vervallen.

De wetgever merkt daarover op dat het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling niet nodig is, omdat de rechter partijen in de gelegenheid moet stellen om hun standpunt over de zaak mondeling toe te lichten.[6] Deze mogelijkheid, imperatief gesteld in artikel 87 lid 2 aanhef NRv, evenals de mogelijkheid voor partijen om hun stellingen nader te onderbouwen (artikel 87 lid 2 sub b NRv), komt in de plaats van het huidige pleidooi, aldus de wetgever.[7] [8]

Wat als geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden?

De mondelinge toelichting en onderbouwing tijdens de mondelinge behandeling vervangt dus het pleidooi. Maar wat als in een zaak geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden? Voor die situatie is in artikel 87 lid 8 NRv een vangnetbepaling opgenomen: in dat geval biedt de rechter aan partijen desverlangd gelegenheid hun standpunt mondeling uiteen te zetten voordat hij over de zaak beslist. Dat komt er dus op neer dat er dan alsnog een zitting en daarmee een mondelinge behandeling wordt bepaald. Daarmee is het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op een mondelinge behandeling (fair and public hearing) te allen tijde gewaarborgd.[9]

Het vervallen van het recht op pleidooi laat zich als volgt samenvatten:

 Wat betekent dit in de praktijk?

Hoewel de officiële afschaffing van het recht op pleidooi op het eerste gezicht als een historische vernieuwing gezien zou kunnen worden, zijn pleidooien in civiele dagvaardingszaken al sinds de invoering van artikel 134 Rv in 2002 een zeldzaamheid geworden. In artikel 134 lid 1 Rv is namelijk bepaald dat als partijen tijdens een comparitie hun standpunten in voldoende mate mondeling hebben kunnen uiteenzetten, de rechter kan bepalen dat geen gelegenheid zal worden gegeven voor pleidooien. In de praktijk wordt deze bepaling zo uitgelegd dat als in een zaak een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, pleidooi in beginsel niet wordt toegestaan, uitzonderingen (meestal in complexe zaken) daargelaten.

In veel gevallen is de comparitie dus nu al de laatste gelegenheid voor partijen om hun standpunten toe te lichten. Toch gaan rechters verschillend om met de mogelijkheid tot pleiten tijdens de comparitie, zoals ook de wetgever onderkent. Een deel van de rechters neemt aan dat tijdens een comparitie gelegenheid kan worden gegeven voor een pleidooi, terwijl een ander deel meent dat het huidige procesrecht daaraan in de weg staat.[10]

In het nieuwe procesrecht is boven elke twijfel verheven dat rechters partijen in de gelegenheid moeten stellen hun stellingen mondeling toe te lichten en te onderbouwen, oftewel, om te pleiten. Maar de wetgever verschaft geen duidelijkheid hoe daaraan in de praktijk invulling moet worden gegeven.

Procesreglement[11]

Ook het naar aanleiding van KEI Rv ingevoerde Procesreglement biedt weinig houvast met betrekking tot – wat ik maar zal noemen – het pleitgedeelte van de mondelinge behandeling. Partijen worden voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht over (a) de spreektijd en (b) of daarbij spreekaantekeningen mogen worden overgelegd.[12] Er blijft dus alle ruimte voor verschil in benadering en behandeling per zaak en per rechter. Dat kan de door het Procesreglement beoogde uniformiteit van de wijze van procederen in de weg staan.

Spreektijd

De ervaring leert dat aan partijen doorgaans een betrekkelijk korte spreektijd wordt gegund: vijf of tien minuten. Reeds daaruit is duidelijk dat de mondelinge toelichting tijdens de mondelinge behandeling niet gelijk is aan het klassieke pleidooi. Als de spreektijd zo beperkt is, is er geen ruimte voor een volledige uiteenzetting van de feitelijke en juridische standpunten. Op zich is dat logisch, omdat die standpunten als het goed is ook aan bod komen aan de hand van de vragen van de rechter. Maar wat als dat niet gebeurt en de spreektijd te kort is? Naar mijn mening kan een partij dan wijzen op het recht op een mondelinge toelichting en eisen dat zij extra spreektijd krijgt om de punten die onvoldoende zijn besproken nader toe te lichten.

Spreekaantekeningen

Opvallend is dat het procesreglement niet spreekt van een pleitnota, maar van spreekaantekeningen. Ook dat suggereert dat voor het klassieke pleidooi tijdens de mondelinge behandeling geen plaats is.

Hoewel rechters spreekaantekeningen niet hoeven te accepteren, is mijn ervaring dat de meeste rechters het handig vinden als partijen hun spreekaantekeningen overleggen. Dat scheelt immers vastlegging in het proces-verbaal; de spreekaantekeningen worden dan aan het proces-verbaal gehecht. Hoe dan ook is het voor een advocaat, al was het maar als geheugensteun, raadzaam om spreekaantekeningen mee te nemen.

Omdat de spreektijd voor het pleitgedeelte beperkt is, is het zaak om tijdens het pleitgedeelte de kern van de zaak, de belangrijkste stellingen en/of verweren, samen te vatten. Daarnaast kan het praktisch zijn – zeker in grotere zaken – om een checklist te maken waarin per onderwerp de stellingen en/of verweren puntsgewijs zijn weergegeven. Op die manier kun je als advocaat tijdens de zitting de behandelde punten op eenvoudige wijze bijhouden (afvinken) en de nog niet besproken punten aan de orde stellen.

[1] Voorstel van wet tot “Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht”;   https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=e07f239e-cf58-44a4-82e0-5112bb38630b&title=Voorstel%20van%20wet.pdf

[2] Memorie van toelichting: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=a37a04fe-8d12-4114-b5d3-7a6caa196f2e&title=Memorie%20van%20toelichting.pdf

[3] Met KEI Rv wordt bedoeld het procesrecht zoals op dit moment van toepassing is op procedures in de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland.

[4] Met het nieuwe procesrecht wordt bedoeld het procesrecht als voorgesteld in het wetsvoorstel 35 175.

[5] Met het huidige procesrecht wordt bedoeld het procesrecht dat op dit moment van toepassing is bij alle rechtbanken behalve de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland.

[6] TK 2018-2019, 35 175, nr. 3, p. 4 en 9. Zie ook TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 23 en 24.

[7] Zie TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 71.

[8] TK 2018-2019, 35 175, nr. 3, p. 8.

[9] TK 2018-2019, 35 175, nr. 3, p. 9.

[10] Zie TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 27.

[11] Landelijk procesreglement civiele zaken rechtbanken en gerechtshoven KEI, versie 1 maart 2019. Dit Procesreglement is op dit moment alleen van toepassing in de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland, maar zal vermoedelijk landelijk toepasselijk zijn na inwerkingtreding van NRv.

[12] Artikel 4.1.4 Procesreglement.

Deel 1: De mondelinge behandeling: functies en rechterlijke bevoegdheden

De mondelinge behandeling: functies en rechterlijke bevoegdheden

Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

deel 1

Wetsvoorstel 35 175 introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die op dit moment alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gelden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:  

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In enkele blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit eerste blog bespreek ik de functies van de mondelinge behandeling en de rechterlijke bevoegdheden ter zake volgens het nieuwe procesrecht.

Zie ook:

Achtergrond

De digitalisering van de rechtspraak die met de KEI-wetgeving uit 2016 is ingezet, bleek geen succes. In april 2018 kondigde de Raad voor de rechtspraak aan dat een “reset” noodzakelijk was. In november 2018 stelde de Raad een basisplan vast om de digitalisering op een andere manier – eenvoudiger en geleidelijker – in te voeren. Intussen bleef het op grond van de KEI-wetgeving verplicht digitaal procederen, inclusief de daaraan gekoppelde inhoudelijke procesrechtelijke wijzigingen, bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland van kracht.

In Nederland zijn op dit moment dus twee procesrechtelijke regimes in civiele zaken van toepassing, afhankelijk van bij welke rechtbank wordt geprocedeerd. Deze regimes verschillen niet alleen qua procedurevorm, maar ook inhoudelijk. Aan deze onwenselijke situatie wordt een einde gemaakt met het op 29 maart 2019 ingediende Wetsvoorstel 35 175 tot “Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht”.[1] [2]

Met dit wetsvoorstel wordt het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die op dit moment alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gelden, van toepassing voor alle rechtbanken. Op die manier introduceert het wetsvoorstel een (ook inhoudelijk) nieuw uniform landelijk civiel procesrecht.

Wat zijn de procesvernieuwingen?

De met het wetsvoorstel voor alle rechtbanken beoogde (en voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland al geldende) procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

Deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen dragen bij aan de modernisering en vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht, aldus de wetgever. Ze zijn ook goed uitvoerbaar voor alle gerechten, omdat het geen verplichtingen, maar bevoegdheden van de rechter betreft.[3]

Hieronder ga ik in op (aspecten van) de twee eerstgenoemde procesvernieuwingen: ik bespreek de functies van de mondelinge behandeling en de rechterlijke bevoegdheden ter zake volgens het nieuwe procesrecht.

De mondelinge behandeling

De comparitie van partijen onder het huidige procesrecht (Rv)[4]

Volgens het huidige procesrecht heeft de mondelinge behandeling – in het huidige procesrecht nog aangeduid als een verschijning van partijen ter terechtzitting en in de praktijk comparitie van partijen genoemd – twee functies: in de eerste plaats om een schikking te beproeven (artikel 87 lid 1 Rv) en in de tweede plaats tot het geven van inlichtingen (artikel 88 lid 1 Rv).

Naast de schikkingsfunctie speelt de inlichtingenfunctie in de praktijk een prominente rol. Partijen sturen voorafgaand aan de zitting nadere stukken toe en geven ter zitting antwoord op de vragen van de rechter (en soms ook van de wederpartij). Indien een stelling onvoldoende aan bod komt aan de hand van de gestelde vragen en de besproken onderwerpen, worden partijen veelal in de gelegenheid gesteld hun standpunten aanvullend mondeling toe te lichten.

Daarnaast wijst de praktijk uit dat de mondelinge behandeling nog een derde belangrijke functie vervult: de regiefunctie. Als een mondelinge behandeling niet tot een schikking leidt, worden aan het einde van de mondelinge behandeling doorgaans afspraken gemaakt over het vervolg van de procedure op aanwijzingen van de rechter.

De mondelinge behandeling onder het nieuwe procesrecht (NRv)[5]

In onderstaand overzicht zijn de bepalingen in het nieuwe procesrecht inzake de mondelinge behandeling samengevat weergegeven.

 

De bevoegdheden van de rechter inzake de mondelinge behandeling

Uit dit overzicht blijkt dat de wetgever de in de praktijk te onderscheiden functies van de mondelinge behandeling in het nieuwe procesrecht heeft verankerd. In artikel 87 lid 2 NRv worden vijf bevoegdheden van de rechter met betrekking tot de mondelinge behandeling benoemd. Daarin zijn de functies en doelen van de mondelinge behandeling vervat.

Artikel 87 lid 2 NRv

Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter:

(a) partijen verzoeken hem inlichtingen te geven,

(b) partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen,

(c) een schikking beproeven,

(d) met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en

(e) die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht, voor zover de rechter dit in overeenstemming acht met

de goede procesorde.

Voorop staat dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen mondeling toe te lichten. Daarmee wordt de nadruk gelegd op de inlichtingenfunctie van de mondelinge behandeling. Ook de eerste twee bevoegdheden van de rechter – om (a) partijen te verzoeken de rechter inlichtingen te geven en (b) partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen – staan in het teken van deze inlichtingenfunctie. De derde mogelijkheid om (c) een schikking te beproeven voorziet in de schikkingsfunctie. Tot slot wordt met de bevoegdheden om (d) met partijen te overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen en (e) die aanwijzingen te geven of die proceshandelingen te verrichten die de rechter geraden acht invulling gegeven aan de regiefunctie van de mondelinge behandeling en de daaraan gekoppelde regierol van de rechter.

Actieve (regie)rechter

Het nieuwe procesrecht gaat uit van een actieve(re) rechter. Artikel 87 lid 2 NRv onderstreept dit: de rechter heeft de regie en bepaalt voor welk doel en op welke wijze de mondelinge behandeling wordt ingezet. Deze sterke regierol van de rechter heeft betrekking op het verloop van de procedure. Ten aanzien van de inhoud en omvang van het debat blijft de rechter lijdelijk. Het nieuwe procesrecht brengt geen verandering in het uitgangspunt dat partijen de omvang van het geding bepalen (artikel 23 Rv). Hetzelfde geldt voor het uitgangspunt dat de rechter onderzoekt en beslist op basis van de feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd (artikel 24 Rv). De rechter kan ambtshalve slechts de rechtsgronden aanvullen (artikel 25 Rv).[6]

In alle gevallen en in elke stand van het geding

In artikel 87 lid 1 NRv is gewaarborgd dat een mondelinge behandeling op elk moment in de procedure kan plaatsvinden: de rechter kan een mondelinge behandeling op verzoek van (een van de) partijen of ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding bevelen. Dit hoeft dus niet te worden beperkt, zoals nu gebruikelijk is, tot een mondelinge behandeling na de eerste schriftelijke ronde. Als een voorbeeld van een mogelijke (extra) mondelinge behandeling noemt de wetgever de regiezitting in een vroeg stadium van de procedure in complexe en omvangrijke zaken.[7] In de huidige praktijk komt het ook voor dat een rechter een tweede mondelinge behandeling (comparitie van partijen) beveelt na een tussenvonnis, bijvoorbeeld als de rechter nog behoefte heeft aan inlichtingen of kansen ziet voor een nieuwe schikkingspoging. Het nieuwe procesrecht stimuleert het bevelen van dergelijke (extra) mondelinge behandelingen als dit de zaak ten goede komt.

[1] Voorstel van wet: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=e07f239e-cf58-44a4-82e0-5112bb38630b&title=Voorstel%20van%20wet.pdf

[2] Memorie van toelichting: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=a37a04fe-8d12-4114-b5d3-7a6caa196f2e&title=Memorie%20van%20toelichting.pdf

[3] TK 2018-2019, 35 175, nr. 3, p. 3-4.

[4] Met het huidige procesrecht wordt bedoeld het procesrecht dat op dit moment van toepassing is bij alle rechtbanken behalve de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland.

[5] Met het nieuwe procesrecht wordt bedoeld het procesrecht dat als voorgesteld in het wetsvoorstel 35 175.

[6] Zie ook TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 7.

[7] Zie TK 2014-205, 34 059, nr. 3, p. 23-24.