Deel 1: Een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht

Deel 1 De mondelinge behandeling: functies en rechterlijke bevoegdheden

Wetsvoorstel 35 175 introduceert een nieuw uniform landelijk civiel procesrecht. Het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen wordt ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die op dit moment alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gelden, van toepassing voor alle rechtbanken. Deze procesvernieuwingen zien op:  

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

In enkele blogs ga ik op deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen in. In dit eerste blog bespreek ik de functies van de mondelinge behandeling en de rechterlijke bevoegdheden ter zake volgens het nieuwe procesrecht.

Achtergrond

De digitalisering van de rechtspraak die met de KEI-wetgeving uit 2016 is ingezet, bleek geen succes. In april 2018 kondigde de Raad voor de rechtspraak aan dat een “reset” noodzakelijk was. In november 2018 stelde de Raad een basisplan vast om de digitalisering op een andere manier – eenvoudiger en geleidelijker – in te voeren. Intussen bleef het op grond van de KEI-wetgeving verplicht digitaal procederen, inclusief de daaraan gekoppelde inhoudelijke procesrechtelijke wijzigingen, bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland van kracht.

In Nederland zijn op dit moment dus twee procesrechtelijke regimes in civiele zaken van toepassing, afhankelijk van bij welke rechtbank wordt geprocedeerd. Deze regimes verschillen niet alleen qua procedurevorm, maar ook inhoudelijk. Aan deze onwenselijke situatie wordt een einde gemaakt met het op 29 maart 2019 ingediende Wetsvoorstel 35 175 tot “Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht”.[1] [2]

Met dit wetsvoorstel wordt het bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland verplicht digitaal procederen ingetrokken. Tegelijkertijd worden enkele inhoudelijke procesrechtelijke bepalingen, die op dit moment alleen voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland gelden, van toepassing voor alle rechtbanken. Op die manier introduceert het wetsvoorstel een (ook inhoudelijk) nieuw uniform landelijk civiel procesrecht.

Wat zijn de procesvernieuwingen?

De met het wetsvoorstel voor alle rechtbanken beoogde (en voor de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland al geldende) procesvernieuwingen zien op:

  • de sterkere regiefunctie van de rechter,
  • de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling, en
  • de afschaffing van het recht op pleidooi.

Deze met elkaar samenhangende procesvernieuwingen dragen bij aan de modernisering en vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht, aldus de wetgever. Ze zijn ook goed uitvoerbaar voor alle gerechten, omdat het geen verplichtingen, maar bevoegdheden van de rechter betreft.[3]

Hieronder ga ik in op (aspecten van) de twee eerstgenoemde procesvernieuwingen: ik bespreek de functies van de mondelinge behandeling en de rechterlijke bevoegdheden ter zake volgens het nieuwe procesrecht.

De mondelinge behandeling

De comparitie van partijen onder het huidige procesrecht (Rv)[4]

Volgens het huidige procesrecht heeft de mondelinge behandeling – in het huidige procesrecht nog aangeduid als een verschijning van partijen ter terechtzitting en in de praktijk comparitie van partijen genoemd – twee functies: in de eerste plaats om een schikking te beproeven (artikel 87 lid 1 Rv) en in de tweede plaats tot het geven van inlichtingen (artikel 88 lid 1 Rv).

Naast de schikkingsfunctie speelt de inlichtingenfunctie in de praktijk een prominente rol. Partijen sturen voorafgaand aan de zitting nadere stukken toe en geven ter zitting antwoord op de vragen van de rechter (en soms ook van de wederpartij). Indien een stelling onvoldoende aan bod komt aan de hand van de gestelde vragen en de besproken onderwerpen, worden partijen veelal in de gelegenheid gesteld hun standpunten aanvullend mondeling toe te lichten.

Daarnaast wijst de praktijk uit dat de mondelinge behandeling nog een derde belangrijke functie vervult: de regiefunctie. Als een mondelinge behandeling niet tot een schikking leidt, worden aan het einde van de mondelinge behandeling doorgaans afspraken gemaakt over het vervolg van de procedure op aanwijzingen van de rechter.

De mondelinge behandeling onder het nieuwe procesrecht (NRv)[5]

In onderstaand overzicht zijn de bepalingen in het nieuwe procesrecht inzake de mondelinge behandeling samengevat weergegeven.

 

De bevoegdheden van de rechter inzake de mondelinge behandeling

Uit dit overzicht blijkt dat de wetgever de in de praktijk te onderscheiden functies van de mondelinge behandeling in het nieuwe procesrecht heeft verankerd. In artikel 87 lid 2 NRv worden vijf bevoegdheden van de rechter met betrekking tot de mondelinge behandeling benoemd. Daarin zijn de functies en doelen van de mondelinge behandeling vervat.

Artikel 87 lid 2 NRv

Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter:

(a) partijen verzoeken hem inlichtingen te geven,

(b) partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen,

(c) een schikking beproeven,

(d) met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en

(e) die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht, voor zover de rechter dit in overeenstemming acht met

de goede procesorde.

Voorop staat dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen mondeling toe te lichten. Daarmee wordt de nadruk gelegd op de inlichtingenfunctie van de mondelinge behandeling. Ook de eerste twee bevoegdheden van de rechter – om (a) partijen te verzoeken de rechter inlichtingen te geven en (b) partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen – staan in het teken van deze inlichtingenfunctie. De derde mogelijkheid om (c) een schikking te beproeven voorziet in de schikkingsfunctie. Tot slot wordt met de bevoegdheden om (d) met partijen te overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen en (e) die aanwijzingen te geven of die proceshandelingen te verrichten die de rechter geraden acht invulling gegeven aan de regiefunctie van de mondelinge behandeling en de daaraan gekoppelde regierol van de rechter.

Actieve (regie)rechter

Het nieuwe procesrecht gaat uit van een actieve(re) rechter. Artikel 87 lid 2 NRv onderstreept dit: de rechter heeft de regie en bepaalt voor welk doel en op welke wijze de mondelinge behandeling wordt ingezet. Deze sterke regierol van de rechter heeft betrekking op het verloop van de procedure. Ten aanzien van de inhoud en omvang van het debat blijft de rechter lijdelijk. Het nieuwe procesrecht brengt geen verandering in het uitgangspunt dat partijen de omvang van het geding bepalen (artikel 23 Rv). Hetzelfde geldt voor het uitgangspunt dat de rechter onderzoekt en beslist op basis van de feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd (artikel 24 Rv). De rechter kan ambtshalve slechts de rechtsgronden aanvullen (artikel 25 Rv).[6]

In alle gevallen en in elke stand van het geding

In artikel 87 lid 1 NRv is gewaarborgd dat een mondelinge behandeling op elk moment in de procedure kan plaatsvinden: de rechter kan een mondelinge behandeling op verzoek van (een van de) partijen of ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding bevelen. Dit hoeft dus niet te worden beperkt, zoals nu gebruikelijk is, tot een mondelinge behandeling na de eerste schriftelijke ronde. Als een voorbeeld van een mogelijke (extra) mondelinge behandeling noemt de wetgever de regiezitting in een vroeg stadium van de procedure in complexe en omvangrijke zaken.[7] In de huidige praktijk komt het ook voor dat een rechter een tweede mondelinge behandeling (comparitie van partijen) beveelt na een tussenvonnis, bijvoorbeeld als de rechter nog behoefte heeft aan inlichtingen of kansen ziet voor een nieuwe schikkingspoging. Het nieuwe procesrecht stimuleert het bevelen van dergelijke (extra) mondelinge behandelingen als dit de zaak ten goede komt.

[1] Voorstel van wet: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=e07f239e-cf58-44a4-82e0-5112bb38630b&title=Voorstel%20van%20wet.pdf

[2] Memorie van toelichting: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=a37a04fe-8d12-4114-b5d3-7a6caa196f2e&title=Memorie%20van%20toelichting.pdf

[3] TK 2018-2019, 35 175, nr. 3, p. 3-4.

[4] Met het huidige procesrecht wordt bedoeld het procesrecht dat op dit moment van toepassing is bij alle rechtbanken behalve de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland.

[5] Met het nieuwe procesrecht wordt bedoeld het procesrecht dat als voorgesteld in het wetsvoorstel 35 175.

[6] Zie ook TK 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 7.

[7] Zie TK 2014-205, 34 059, nr. 3, p. 23-24.