Rome II-verordening en verjaring

Bij internationale niet-contractuele vorderingen waarop Rome II van toepassing is valt het verjaringsrecht op grond van artikel 15h onder de werkingssfeer van het toepasselijke recht. Een gunstigere wettelijke regeling ten aanzien van de verjaring in het land waar de procedure wordt gevoerd levert in principe geen uitzondering op in de zin van artikel 16 Rome II. Artikel 16 Rome II wordt strikt uitgelegd.

Ieder land in Europa heeft zijn eigen verjaringsrecht. De verjaringstermijn kan variëren van 1 jaar tot 30 jaar. Ook de datum van aanvang verschilt per land. Bovendien zijn er verschillen in de wijze waarop de verjaringstermijn gestuit kan worden. In het ene land moet dit door het starten van een procedure. In het andere land volstaat een brief of loopt de verjaringstermijn niet zolang partijen met elkaar onderhandelen.

Bij onrechtmatige gedragingen met een internationaal aspect doet zich de vraag voor welke verjaringstermijn van toepassing is.

In de Rome II verordening, waarin de regels zijn opgenomen ten aanzien van het toepasselijke recht dat van toepassing is op grensoverschrijdende niet-contractuele vorderingen, is bepaald dat onder de werkingssfeer van het toepasselijke recht ook de verjarings- of vervaltermijn valt (artikel 15h Rome II). Maar wat als het recht van het land waar het slachtoffer woonachtig is en waar hij een procedure start een gunstiger verjaringsregime heeft dan de verjaringstermijn van het land waarvan het recht conform Rome II van toepassing is?

Op de bepalingen van Rome II kan een uitzondering gemaakt worden in geval van bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is (artikel 16 Rome II). De vraag is of deze uitzondering van toepassing is wanneer in het land waar de zaak aanhangig is een gunstiger, slachtoffervriendelijk, verjaringsregime geldt. Deze vraag deed zich voor in de zaak Da Silva HvJEU 31 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:84.

De casus was als volgt. Op 20 augustus 2015 raakt een Portugees voertuig beschadigd bij een verkeersongeval in Spanje waarbij ook een Spaans voertuig betrokken is. De Portugese bestuurder, Da Silva Martins vordert vergoeding van de door hem geleden schade van de Spaanse WAM-verzekeraar, Segur Aixa. Hij start op 11 november 2016 een gerechtelijke procedure in Portugal.

Segur Aixa stelt in de procedure dat Spaans recht op de vordering van toepassing is en dat de vordering verjaard is omdat de verjaringstermijn naar Spaans recht één jaar is. Da Silva Martins stelt dat in zijn geval het Portugese verjaringsrecht, van 3 jaar, van toepassing is. De rechter in eerste aanleg stelt Segur Aixa in het gelijk. Spaans recht is van toepassing en naar Spaans recht is de zaak verjaard. De rechter wijst de vordering af. Da Silva Martins gaat vervolgens in hoger beroep.

Het Portugese gerechtshof vraagt zich vervolgens af of de in Portugal geldende verjaringstermijn moet worden beschouwd als een bepaling van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 16 Rome II en legt deze vraag voor aan het Europese Hof. Het Europese Hof is van mening dat dit niet het geval is. Zij wijst er op dat de uitzondering van artikel 16 Rome II strikt moet worden uitgelegd.

Volgens de rechtspraak van het Europese Hof dient aan de hand van grondige analyse van de bewoording, de algemene opzet, de doelstelling van de bepaling en de context waarin zij tot stand is gekomen beoordeeld te worden of in de nationale rechtsorde aan die betreffende bepaling een dergelijk groot belang toekomt dat het gerechtvaardigd is om af te wijken van het recht dat krachtens Rome II van toepassing is (zie het arrest Unamar, E-184/12, EU:2013:663).

Het Europese Hof benadrukt bovendien dat artikel 15 h van Rome II expliciet bepaalt dat het toepasselijke recht ook de verjaringstermijn regelt. Als een andere verjaringstermijn zou worden toegepast dan dat van het toepasselijke recht dan kan dit de rechtszekerheid aantasten.

De uitspraak is op zich niet verrassend. Het maakt echter wel duidelijk dat het bij grensoverschrijdende niet contractuele vorderingen van belang is om in een vroeg stadium vast te stellen welk recht van toepassing is, wat de verjaringstermijn is, wanneer deze aanvangt en op welke wijze deze gestuit moet worden.

Zeven vragen over grensoverschrijdende verkeersongevallen in Europa

Bij een verkeersongeval in Europa waarbij een auto met een buitenlands kenteken betrokken is, kan een Nederlands slachtoffer zijn schade rechtstreeks claimen bij de verzekeraar van de auto. Dat kan door contact op te nemen met de buitenlandse verzekeraar. Het nadeel is dat het slachtoffer dan veelal in een andere taal moet communiceren en vaak niet bekend is met de wijze waarop de aansprakelijkheid en schade wordt vastgesteld. Het slachtoffer kan er ook voor kiezen om de schade te verhalen via de vertegenwoordiger van de buitenlandse verzekeraar in Nederland. Welke regels daarbij gelden, leest u in dit blog.

Schade verhalen via de vertegenwoordiger van de buitenlandse verzekeraar in Nederland kan op grond van richtlijn 2009/103/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 september 2009 Deze richtlijn is in Nederland verwerkt in de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (‘WAM’).

Wat de bevoegdheid van de schaderegelaar inhoudt en hoever deze strekt beantwoord ik aan de hand van een 7-tal vragen.

1. Hoe kun je een vertegenwoordiger vinden?

Na een ongeval wordt vaak een aanrijdingsformulier ingevuld. Hierop staat de naam van de verzekeraar van de auto vermeld. Ook op de groene kaart van de auto staat de verzekeraar vermeld en meestal ook de vertegenwoordiger. Op de website van het Nederlands Bureau voor Motorrijtuigen kan de naam van de vertegenwoordiger opgezocht worden.

2. Wat doet de vertegenwoordiger?

De vertegenwoordiger zal alle inlichtingen verzamelen om de schade te kunnen afhandelen en onderhandelt ook over een regeling. De vertegenwoordiger onderhoudt het contact met het slachtoffer. De vertegenwoordiger kan de zaak dus zelfstandig behandelen maar zal hiervoor steeds toestemming aan de buitenlandse verzekeraar moeten vragen.

3. Is de vertegenwoordiger een tussenpersoon?

Ja, de door de verzekeraar aangewezen schaderegelaar vervangt de verzekeraar niet, maar treedt uitsluitend op als tussenpersoon. Dit betekent bijvoorbeeld dat de schaderegelaar een beperkt takenpakket heeft.

4. Past de vertegenwoordiger Nederlands recht toe?

Dit hangt af van de feiten. Als een ongeval in het buitenland heeft plaatsgevonden dan zal op basis van de toepasselijke internationaal privaatrechtelijke regels bepaald moeten worden welk recht van toepassing is.

De Nederlandse rechter zal bij verkeersongevallen het Haags Verkeersongevallen Verdrag toepassen. De basisregel is dat het recht van toepassing is van het land waar het ongeval plaatsvond.

In een aantal gevallen zal het recht van het land van registratie van het kenteken van toepassing zijn.

Rechters in een groot aantal landen in Europa passen niet het Haags Verkeersongevallen Verdrag toe, maar Verordening (EU) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II).

De hoofdregel van dit verdrag is dat het recht van het land waar de schade is geleden van toepassing is.

Zie ook mijn blog van 21 januari 2016.

Een uitzondering op de regel geldt wanneer de aansprakelijke persoon en het slachtoffer ten tijde van het voorval in hetzelfde land woonachtig zijn. In dat geval is het recht van dat land van toepassing.

Dit betekent dat een vertegenwoordiger per zaak beoordeelt welk recht van toepassing is en op basis van dat recht de schade zal regelen.

5. Waar kan een procedure gestart worden?

Het is mogelijk dat over aansprakelijkheid , causaal verband, schade of andere onderwerpen verschil van mening bestaat tussen partijen en er een procedure gestart moet worden.

Als het slachtoffer een procedure start, zal hij de buitenlandse verzekeraar kunnen dagvaarden:
– in de plaats waar hij woont (zie ook HvJEU C-463/06 Fbto/Odenbreit);
– in het land waar de aansprakelijke partij woont;
– in het land waar de verzekeraar gevestigd is;
– in het land waar het ongeval plaatsvond.

De verzekeraar kan alleen dagvaarden in het land waar het slachtoffer woont.
Zie hiervoor ook art 10-16 van Verordening (EU) 1215/2012 Brussels l (herschikking).

Meer over deze verordening kunt u lezen in mijn blog van 12 maart 2013.

6. Kan een dagvaarding tegen de verzekeraar op het kantoor van de vertegenwoordiger betekend worden?

Kiest het slachtoffer ervoor om in eigen land te dagvaarden dan kan hij de dagvaarding laten betekenen op het kantoor van de vertegenwoordiger.

Zie ook het arrest Spedition Welter Gmbh / Avanssur SA C-306/12 EU:C:2013:650

Ik schreef hierover ook in een eerdere blog van 10 december 2013.

7. Kan de vertegenwoordiger ook zelf gedagvaard worden?

De vraag is of een vertegenwoordiger ook zelf gedagvaard kan worden in plaats van of naast de verzekeraar. Hierover heeft het Europese Hof van Justitie op 15 december 2016 een uitspraak gedaan in de zaak Azevedo/CED e.a. C-558/15.

Het Hof heeft in die zaak geoordeeld dat dit niet mogelijk is tenzij de wet van een land dit anders bepaalt. Richtlijn 2000/26/EG verplicht hiertoe echter niet. In de Nederlandse WAM is dit dan ook niet opgenomen.

De Advocaat-Generaal bij het Europese Hof had hierover een andere mening.

Hij was van mening dat de bevoegdheid van de vertegenwoordiger zo ruim moest zijn dat zij ook zelf gedagvaard moesten kunnen worden.

Zie voor meer informatie hierover mijn blog van 9 december 2016.

Het gevolg hiervan zou zijn geweest dat de nationale wetgever hiertoe de mogelijkheid had moeten scheppen en bovendien dat de vertegenwoordigingsovereenkomsten tussen verzekeraars en schaderegelingskantoren gewijzigd hadden moeten worden. Dat is met de uitspraak van het Hof niet het geval.

Conclusie

Bij een internationaal verkeersongeval in Europa heeft het slachtoffer een rechtstreeks vorderingsrecht op de verzekeraar. Hij heeft hierbij de keuze om in eigen land schade af te wikkelen met hulp van de vertegenwoordiger van de buitenlandse verzekeraar. Deze zal de zaak zelf behandelen en proberen te regelen maar heeft daarvoor meestal wel toestemming nodig van de buitenlandse verzekeraar. Mocht een procedure nodig zijn dan kan het slachtoffer er voor kiezen in eigen land te gaan procederen. Hij zal de verzekeraar moeten dagvaarden en niet de vertegenwoordiger. De dagvaarding kan wel op het kantoor van de vertegenwoordiger betekend worden.

ACM beboet investeringsmaatschappijen voor deelname dochter aan kartel

Op 30 december 2014 maakte de Autoriteit Consument en Markt (ACM) bekend een aantal investeringsmaatschappijen boetes tussen de EUR 450.000,– en EUR 1.500.000,– te hebben opgelegd. De betreffende investeringsmaatschappijen zouden beslissende invloed hebben uitgeoefend op een dochtermaatschappij die in de periode 2001-2007 deel uitmaakte van een kartel. Het bericht van de ACM leest u hier: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/13711/ACM-beboet-investeringsmaatschappij-in-meelzaak/.

Het besluit van de ACM is onder andere opvallend omdat de ACM nog niet eerder investeringsmaatschappijen (in dit geval private equity-fondsen) heeft beboet voor kartelovertredingen van een dochteronderneming. De ACM rekent de investeringsmaatschappijen het gedrag van de dochtermaatschappij toe en beboet hen omdat zij beslissende invloed op de dochter hadden (en dus niet omdat zij zelf de mededingingswet hebben overtreden). De ACM overweegt dat de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij deel uitmaakten van één economische eenheid en daarom één onderneming vormden in de zin van het mededingingsrecht.

Opmerkelijk is ook dat de ACM pas vier jaar na de dochter te hebben beboet de investeringsmaatschappijen in het vizier kreeg en aanvullende boetes heeft opgelegd. Uit de besluiten blijkt dat de investeringsmaatschappijen uitvoerig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanvullende boetes. Zij menen onder andere dat de ACM de betrokkenheid van de investeringsmaatschappijen eerder had kunnen onderzoeken en dat het opleggen van aanvullende boetes aan verbonden ondernemingen nadat jaren eerder alleen de dochter is beboet, in strijd met het vertrouwensbeginsel is. De ACM wuift deze bezwaren echter weg.

Ook het argument van één van de investeringsmaatschappijen dat de zaak verjaard zou zijn omdat de ACM haar meer dan vijf jaar na het staken van het kartel, heeft laten weten dat zij onderzoek zou doen naar haar positie, heeft de ACM terzijde geschoven. De ACM redeneert dat haar onderzoek naar de dochter ook de verjaring ten aanzien van alle andere betrokken ondernemingen heeft gestuit. Hoewel de ACM verwijst naar een zaak van het Europese Gerecht waaruit zou blijken dat dit mogelijk is, lijkt mij twijfelachtig of onderzoek naar het handelen van een dochter de verjaring ten aanzien van een (voormalige) moedermaatschappij kan stuiten.
Tegen de besluiten van de ACM staat nog bezwaar en beroep open, vermoedelijk is hierover het laatste woord dus nog niet gezegd.

Corporate liability for human rights: the UN Guiding Principles on Business and Human Rights

If a corporation abuses employees, is accused of labour trafficking, complicit in gross human rights abuses by local governments, complicit in human rights violations while installing pipelines through villages or complicit in pollution, it should be held responsible. The question is whether human rights laws also apply to these companies.

Some argue that international law only applies between states, or that human rights obligations apply only to states, and that the UN Principles cannot create legal obligations for companies. However, this view can no longer be credibly maintained. There is a growing acceptance that international human rights treaties create obligations – at least indirectly – on companies and that the UN Guiding Principles on Business and Human Rights can be used as a standard.

The UN Guiding Principles on Business and Human Rights are the work of John Ruggie, former UN Secretary-General’s Special Representative for Business and Human Rights. The principles are non-legally binding, but aim to establish a global standard for addressing the adverse human rights impact of corporate activity. Ruggie has built a frame-work of three pillars: ‘ Protect, Respect and Remedy’. These are:

  1. The state’s duty to protect human rights;
  2. the corporate responsibility to respect human rights;
  3. the need for greater access to remedy – both judicial and non-judicial – for victims of business-related abuse.

The UN principles were endorsed by the UN Human Rights Council in June 2011. See also unglobalcompact.org and the American Bar Association in February 2012. They have also been incorporated into the OECD Guidelines for Multinational Enterprises, the International Organisation for Standardisation (ISO) 26000 guidance on social responsibility for companies, the sustainability policy of the International Finance Corporations and the European Commission’s new corporate social responsibility strategy.     

The UN Principles are applicable to all governments and to all businesses in all situations. It sets forth basic, minimal business obligations regarding human rights. They reaffirm that states still bear the primary responsibility for promoting and protecting human rights, but recognize that transnational corporations and other businesses, as organs of society (and collections of individuals), carry responsibilities as well. It is understood that the human rights are – at a minimum – those expressed in the International Bill of Human Rights and the principles concerning fundamental rights set out in the International Labour Organisation’s Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work.

The responsibility to respect human rights requires that business enterprises:

  • Avoid causing or contributing to adverse human rights impact through their own activities, and address such impact when it occurs.

  • Seek to prevent or mitigate adverse human rights violations that are directly linked to their operations, products or services by their business relationships, even if they have not contributed to those violations.

  • In order to meet their responsibility to respect human rights, business enterprises should have in place policies and processes appropriate to their size and circumstances.